Aanvulling? Meld het hier.
<<

Gilden (1697 - 1701)

Vleeshouwersgilde

De dekenen van het vleeshouwersgilde leggen in 1698 het probleem voor van het keuren van 'verckens'. Het stadsbestuur besluit dat voortaan 'alle magere verckens, soo inlandsche als uitlandsche, binnen de stad Goes of haar jurisdictie verkocht wordende, zullen moeten worden gekeurd door degene die bij de dekenen van het gilde daartoe zal zijn gekwalificeerd'. Tarieven worden vastgesteld voor vette varkens, speenvarkens en magere varkens.

Schoenmakersgilde

De dekenen van het schoenmakersgilde geven in 1699 te kennen hoe onlangs op de vrije jaarmarkt te Zierikzee sommige schoenmakers uit Goes verboden is hun schoenen daar te verkopen. Dit is wel toegestaan aan de schoenmakers uit Zierikzee. Daar komt nog bij dat het de schoenmakers uit Goes niet toegestaan is te Zierikzee koehuiden op te kopen. Ook mogen die van Zierikzee geen koehuiden te Goes opkopen. Het stadsbestuur besluit 'die van Zierikzee insgelijks te verbieden in Goes geenderhande huijden door hunselven of iemand anders te mogen of doen opkopen, alsmede op onze vrije jaarmarkt (veel min daer buiten) enigerhande schoenen te mogen brengen om te verkopen'.

Arbeidersgilde

In 1699 schrijven de dekenen van het arbeidersgilde het stadsbestuur hoe het gilde jaarlijks vermeerdert, zodat het tegenwoordig bestaat uit ongeveer 170 man. Deze alle kunnen onmogelijk in deze droevige, dure tijd door het gilde worden gevoed. Daardoor komen velen van hen tot last van de armenkas. En 'nadien een seer zware arbeid door de gildebroeders in het arbeidersgilde wordt gedaan met het graan somwijlen van de wagens te moeten dragen twee à drie solders hoog, waarvoor zij niet meer genieten als een half groot per zak, zo verzoeken ze dat hun in zulk geval mogt worden toegeleid van op de eerste zolder te dragen een ½ groot per zak, op de tweede zolder ¾ groot per zak en op de derde zolder één groot per zak'.

Verder betogen ze dat ze van de menigvuldige granen, die door de gort- en oliemolenaars worden verwerkt en gesleten, zeer weinig arbeidsloon ontvangen. De eigenaars van deze molens laten veel door hun knechts bewerken en vervoeren, waardoor het arbeidersgilde een ongelooflijke schade lijdt. Ze verzoeken het stadsbestuur hier in te voorzien en hen vergunning te verlenen de granen van de gort- en oliemolens te bewerken en daarvan te profiteren gelijk als van alle andere.

In het jaar 1700 constateert het stadsbestuur dat 'het sackdragersgilde in getal teveel gildebroeders heeft, dit tot grote onordentelijckheid van het gilde'. Het stadsbestuur besluit 'soo lange de gildebroeders soo menigvuldig zijn in dit gilde, geene, wie het ook mogte wesen, toe te laten, opdat de tegenwoordige des te beter haer kost souden kunnen gewinnen'. Het jaar daarop blijkt de animo voor het gilde zo groot dat het stadsbestuur besluit niemand meer in het bier- en zakdragersgilde toe te laten, tenzij tenminste twee personen van deze gilden zijn afgevloeid. In 1702 krijgen de dekenen van het bierdragersgilde machtiging om die gildebroeders die weigeren om het gilderecht te betalen, uit het gilde te verwijderen. Maar uiteindelijk strijkt het stadsbestuur toch de hand over het hart. Want op 'd'ootmoedige supplicatiën van verscheijde nooddruftige ingesetenen alhier' stelt men 9 personen tot bierdragers en 22 personen tot zakdragers in het Sint Jansgilde aan.

Timmerliedengilde

Vele klachten zijn er in 1701 van de vrijbazen en sommige geïnteresseerden in het timmerliedengilde. Het gaat er over hoe verscheidene personen aan het werk zijn in dit ambacht op ongefundeerd voorwendsel (voorgevende vrijbaas te zijn van het schrijnwerkerambacht, waarvoor geen proeve nodig is) zich bedienen van de voorrechten die alleen de vrijbazen en gildebroeders van het timmerliedengilde toegestaan is. Het stadsbestuur besluit dat niemand, wie hij ook zij, hier als timmermansbaas voor of op zich zelf zal mogen werken.

Stoeldraaiersgilde

Enige gildebroeders van het stoeldraaiersgilde - Janis Luyx, Joos Jorisse en Michiel Mus - verklaren in 1699 'hoe zij, staande onder een proeve en gehouden aan de reglementen van het gilde, moeten gedogen dat winkeliers buiten hun handwerk en die het stoeldraaien niet in het minste verstaan, hun handwerk onderkruipen met stoelen van buiten te ontbieden en te verkopen'. Het stadsbestuur besluit voortaan iedere winkelier, stoeldraaier of die zich met het verkopen van stoelen geneert, te verbieden enige stoelen, die ook te Goes worden gemaakt, van buiten de stad te ontbieden en hier te laten inkomen. Voor iedere stoel die van buiten wordt ingebracht, zal een boete moeten worden betaald van drie schellingen en vier groten Vlaams.

De stoeldraaier J. Verstelle doet hierover z'n beklag. Hij is niet alleen gildebroeder, maar al verscheidene jaren in de gelegenheid geweest essenhouten stoelen van buiten te ontbieden tot groot gerief van de burgerij, 'hem sorterende bij voorraad van veelderhande soorten van essene stoelen (die vroeger nooit in voorraad in deze stad van andere stoeldraaiers zijn gemaakt). Door een vals of bedrieglijk te kennen geven van enige stoeldraaiers, hem benijdende, is hem verboden dit te doen, sonder daarover door het stadsbestuur gehoord te zijn. Op welk verbod deze nijdige stoeldraaiers hun essene stoelen komen op te steken en hoger te verkopen als hij die ooit binnen Rotterdam heeft gekocht, hetwelk is tot nadeel van de ganse burgerij'. Hij verzoekt het verbod in te trekken of te verzachten, 'alleen de stoeldraaiers, vrijbaas zijnde, en hun weduwen zolang zij weduwen zijn toelatende hun stoelen zelf te maken (zo zij willen) of te kopen van wien en waar zij willen, ten minste prijs tot voordeel en gerief van de ganse burgerij'.