Aanvulling? Meld het hier.
<<

Economische bedrijvigheid (1702 - 1706)

Brouwerijen

Er zijn vier brouwerijen in de stad in bedrijf, namelijk 'het Witte Claverblad' aan de Beestenmarkt (naast de Brouwersgang), 'de Gans' aan de Wijngaardstraat, 'de Weereld' aan de Wijngaardstraat en 'de Fortuyn' aan de 's-Heer Hendrikskinderenstraat. Na het overlijden van brouwersbaas Ysaac Lalleman in 1705 zetten zijn weduwe en zoon Jan de brouwerij 'het Witte Claverblad' voort. In oktober 1704 beklagen de brouwers zich erover dat Cornelis Leinsz. Dijkwel, tot nadeel van hen en de bierstekers, van buiten Goes ingevoerde bieren komt in te slaan en te kelderen, 'deselve aan een ieder uitstekende alleszins als een geoctroyeerd biersteker'. Het stadsbestuur besluit 'hem scherpelijk te verbieden enige vreemde bieren voor eigen rekening met zijn schip mee te brengen of door anderen te ontbieden en op de hoop te kelderen'. Wordt dit opnieuw geconstateerd, dan zullen deze bieren ten gunste van het arm- en weeshuis verbeurd worden verklaard.

In 1704 betogen de brouwers Ysaac Lalleman (van 'het Witte Claverblad'), Johan Hauweel (van 'de Weereld'), Pieter Verijser en Mattheus Verijser Corneliszoon (van 'de Fortuyn' en 'de Gans'), 'hoe dat ze van bezijden bericht zijn dat baatzoekende mensen zich hebben onderwonden bij rekwest zich te adresseren aan uw edelachtbaren met het verzoek binnen de stad op te richten een bierstal van uitheemse of Rotterdamse bieren, tgeen echter tot groot nadeel van hen zou zijn en tot nog toe door uw agtbaren, voorzover hen bekend, niet is toegestaan. En naardien het oprichten van een tweede bierstal hen zekerlijk de een min, den andere meer schadelijk zou zijn, zo verzoeken ze het oprichten van nog een tweede bierstal te verhoeden, alzo zij zowel burgers als opgezetenen ten plattelande van genoegzame bieren kunnen verzorgen, moetende ook zij tot het drijven van hun nering costelijke en lastige panden onderhouden en alle lasten dragen'.

De bestaande bierstal is van Johannes Hoboke in het pand 'den Keyzer', Bierkade nummer 5. Hij krijgt in 1702 vergunning 'tot gerief van stad en landsaten' een bierstal van Rotterdamse bieren op te richten 'om daermee de ordinaire beurtschepen en schuijten te bevragten'.

Begin 1706 komt bij het stadsbestuur een rekest binnen van Hubertina Langemaire, weduwe en boedelhoudster van wijlen de rentmeester Pieter Suithof. Zij is met twee kapitalen, tezamen ten bedrage van £ 900, verbonden aan de brouwerij 'de Fortuyn', staande ten name van Mattheus Verijser. Hij heeft de brouwerij in januari gekocht voor £ 1100 Vlaams. Het is haar bekend dat Verijser, uit de stad 'delogerende', vóór zijn vertrek de brouwerij voor enige jaren heeft verhuurd aan z'n broer Pieter Verijser. Deze heeft de brouwerij wegens onvermogen niet gaande kunnen houden. De brouwerij staat nu al een geruime tijd stil tot groot verval van het pand en nadeel van haar. Ze verzoekt de huurder Pieter Verijser te gelasten uit de brouwerij te vertrekken en haar in staat te stellen met het pand te doen wat voor haar financieel het meest gunstig lijkt. Hubertina Langemaire en dokter Pieter Verijser worden nog dezelfde avond op het Stadhuis ontboden. Daarbij kan een akkoord worden bereikt over de brouwerij 'de Fortuyn' tussen Verijser en de weduwe Suithof. Verijser zal eind februari met familie en 't geen hem toebehoort uit de brouwerij vertrekken.

Graanhandel

In november 1702 komt een verzoek bij het stadsbestuur binnen van de koopluiden Jasper Bruijns, Arent Ruych in compagnie, Marinus en Josias Smytegelt in compagnie, Ysaac Lalleman, Pieter Amper en Jan Hauweel in compagnie, Mattheus Verijser, Joannes Lantschot en Jan Davids over het bevrachten van schepen. Ze pleiten ervoor 'dat zij de schepen, die met granen in de stad ofte lande niet geheel, maar op iedere plaats voor een gedeelte bevracht worden, souden vermogen deselve eerst te landewaard stuksgewijze te laden ende de resterende vragt naderhand in de stad in te nemen, contrarie de voorgaande praktijke, volgens dewelke vooraf in de stad voor een gedeelte wierde geladen, de volle ladinge namaals te landewaard geschiedende'. Het stadsbestuur besluit 'de koopluiden 't selve op die steden te accorderen op dewelke den teerling niet geroerd wordt als op Delft, Rotterdam, Dordt en verder niet'.

Wijnnering

De vrije wijnverkopers beklagen zich er in januari 1703 over dat de resolutie van de magistraat van 2 mei 1701 door de herbergiers wordt overtreden. Bij die resolutie werd de herbergiers verboden om van buiten de stad wijnen te ontbieden of in te slaan. Het stadsbestuur besluit deze resolutie te herzien. Voortaan is het de wijnverkopers verboden 'het zetten van gelagen binnen hare huyzen, kelders, pakhuyzen, hoven als anders op pene van £ 16.13.4 Vlaams voor de wijnverkopers en £ 2 Vlaams voor degenen, dewelke aldaar wijndrinkende zal worden bevonden'.

In mei 1706 vinden 'menigvuldige contraventiën van deser stede voorboden tegen het setten van gelagen in de huisen en de kelders van de vrije wijnverkopers' plaats. Alle wijnverkopers worden op het stadhuis ontboden en gewaarschuwd zich aan het verbod te houden.

Zoutnering

In 1702 kopen brouwersbaas Ysaac Lalleman en bierhandelaar Johannes Hoboke de zoutkeet van de voormalige regent Bernard Schorer. Lalleman krijgt toestemming 'om nevens andere panneluijden in syn huys sout met de kleyne mate te verkopen'. Overigens heeft een week tevoren 'de eerwaarde krijgsraad alhier bekend gemaakt dat Johannes Hoboke dezer dagen omtrent de hoofdwacht seer groote inordentelijkheden had gepleegd'. Ysaac Lalleman krijgt in februari 1704 vergunning voor het bouwen van een nieuwe zoutkeet op een erve aan de oostzijde van de nieuwe haven voor één zoutpan.

Het panneluidengilde deelt in januari 1704 in een rekest mee, dat 'enige Grossiers haar niet ontsien openbaarlijk in haar huizen haar geraffineerd wit zout dagelijks met de kleine maat te debiteren en uit te venten, strekkende tselve tot merkelijke prejuditie van 't voorseide gilde en directelijk strijdende tegens haar edel mogenden ordonnantie van 23 maart 1673 op de consumptie van het sout geëmaneerd'. Het stadsbestuur besluit 'de grossiers wel ernstelijk aan te seggen en te gelasten sig conform de voorseide ordonnantie te reguleren'.

In december 1705 dienen de gezamenlijke geïnteresseerden in de zout- en pannering een schriftelijke overeenkomst in. Het stadsbestuur besluit daarop 'dat van nu voortaan geene panneluiden eerder sullen vermogen te werken ofte sout te sieden dan met half meert noch ook in te scheppen na de laatste november op pene dat degene die desen contrarie voor half meert sal hebben gewrogt ofte na den laatste november ingeschept ten profijte van het gilde voor iedere reis sal verbeuren 25 Carolus guldens'.

De stads koren- en zoutmaten worden in 1705 weer, als vanouds, geijkt. Alle aanwezige burgemeesters en schepenen worden bij dit vermelde in het notulenboek bij name vermeld. Wellicht gebeurde dit ijken tijdens de vergadering van het stadsbestuur.

Molenarij

Oliemolens

In december 1703 waait door de storm de wind-olymolen 'den Hoogkamer' op het West Ravelijn achter de Beestenmarkt om. Deze molen is eigendom van Marynis Smytegelt. Smytegelt is geenszins genegen de molen weer op te bouwen of in plaats daarvan een andere molen 'van wat soort het zij, weer opnieuw op te richten'. Hij heeft heel wat aan de verbetering van het ravelijn verricht en verzoekt dan ook dit te mogen blijven gebruiken op de oude voet. Dit wordt hem toegestaan. Wel behoudt de magistraat zich het recht voor om het ravelijn aan iemand anders te verpachten die hierop een molen wil vestigen. In dat geval zal Smytegelt een vergoeding ontvangen voor zijn eigendom van het daarop staande woonhuis.

Schorsmolen

Op het Ravelijn ten noordoosten van de stad staat deze jaren de schorsmolen. Al in 1613 stond deze hier. De stadsrekeningen vermelden: 'Lambertus Coopman gebruikt het Ravelijn daar de schorsmolen op staat'. Een schorsmolen diende om eikenschors fijn te malen tussen de molenstenen. Van deze gemalen schors werd run gemaakt, door er water aan toe te voegen. Dit bevatte looizuur, dat werd gebruikt voor de leerlooierij.

Gort-, gerst- en boekweitmolens

In januari 1705 geven Jacob van der Hoeve en Pieter Amper te kennen dat ze in 1695 een nieuwe gortmolen op het Ravelijn westelijk van de Koepoort hebben gesticht. Ze moeten jaarlijks voor het gebruik van het Ravelijn betalen £ 16.13.4 Vlaams. Voor geen andere ravelijnen en stadserven moet een zo hoge pacht worden betaald. Bovendien 'komen de baten voor de molen, vermits de neringloosheid ende de lage prijs der granen, dagelijks te declineren, ja dat ze hare molens veeltijds tot schade gaande hielden'. Ze verzoeken uit consideratie hen van de jaarlijkse last van £ 16.13.4 voor een groot gedeelte te ontheffen. Besloten wordt de pacht 'te modereren' op de helft.

Ook de andere boekweit- en gortmolen in het pand 'de Hazaert', Sint Jacobstraat nummer 52, is volop in bedrijf. In juni 1706 verlengt het stadsbestuur het octrooi van Pieter de Fries en de vrouw van Levinus van Noord (Van Noord zelf is naar Oostindië vertrokken) voor veertien jaar. Dit mag geen nadelig gevolg hebben voor de gerstmalerij die aan de molenaar van de molen op het Ravelijn de Grenadier, Pieter Amper, is toegestaan.

Beurtschippers

In juni 1702 bespreekt de nieuwe magistraat hoe en door welke personen de beurtveren van Goes op de steden Dordrecht, Amsterdam en Rotterdam tot het meeste nut van de stad en de gewoonten van het schippersgilde bediend zouden kunnen worden. Dit leidt tot de volgende voorlopige regeling:

  • de beurt op Dordrecht zal worden verzorgd met een smalschip;
  • de beurt op Amsterdam met drie schepen, waarvan vanaf mei 1703 en zo opeenvolgend jaarlijks een schip zal moeten afgaan;
  • de beurt op Rotterdam zal worden bediend met een vast smalschip en twee kromsteven schuiten bij toerbeurt;
  • als beurtschippers op Dordrecht, Amsterdam en Rotterdam worden voor het lopende jaar alleen toegelaten met schepen 'te mogen smakken' Cornelis Keulenaar, Jacob Frans, Aarnout Bosman de jonge en Lein Cornelisse. Voor het derde schip op Amsterdam zal worden gesmakt door die gildebroeders, 'aan welke de voorseide veren enige jaren herwaarts bij speciale gunst zijn geconsenteerd geweest';
  • de beurtschipper op Rotterdam zal wekelijks afvaren met een van de beurtschuiten 's woensdags en de tweede schuit 's vrijdags en het smalschip 's zaterdags. Eén van deze vaartuigen zal 's dinsdags op het aankomen van de Amsterdamse post wederom van Rotterdam herwaarts moeten afsteken.

Aarnout Bosman, de voormalige beurtschipper op Dordrecht, heeft in strijd met de resolutie van juni 1702 waarbij hij van dit veer ontheven is ten gunste van Aarnout Bosman de jonge, toch weer diverse reizen naar Dordrecht gemaakt. Dit niet alleen met z'n eigen schip maar zelfs met een afgehuurd vaartuig, 'welk sijnde een onverantwoordelijke ongehoorzaamheid en geduurige vilipendie van de Regering, die niet ongestraft kan worden voorbij gegaan'. Besloten wordt Bosman, zodra hij met zijn schip uit Dordt arriveert, 'hem aanstonds in gijzeling op te nemen in de herberg 'de Gouden Leeuw', om tegen hem te procederen tot reparatie van het geschonden gezag van de Regering'.

In augustus 1702 verzoekt schipper Bosman, na schuldbelijdenis, ontslag uit zijn gijzeling of in ieder geval z'n gijzeling in zijn eigen huis te mogen ondergaan inplaats van in 'den Gouden Leeuw', dit in verband met de gevaarlijke ziekte van zijn vrouw. Met het laatste wordt akkoord gegaan. Op zijn verzoek wordt de gegijzelde beurtschipper in de vergadering van het stadsbestuur ontboden en aangezegd 'en op swaarder pene gelast' in het toekomende niets tot nadeel van de nieuw aangestelde beurtschipper op Dordt te ondernemen. Hij wordt uit z'n gijzeling ontslagen op voorwaarde dat hij voor geleden schade een boete van vijf ponden Vlaams betaalt.

Eind 1702 accepteert het stadsbestuur van Dordrecht het voorstel van Goes betreffende de beurtschippers van Goes naar Dordrecht vice versa. Dit houdt in dat beide schippers de dagen van hun vertrek van de ene naar de andere stad maand om maand zullen verwisselen. Tevens dat iedere schipper, zowel de beurtschipper van Goes als die van Dordt, na verloop van vier achtereenvolgende weken op woensdag van Goes en op zaterdag van Dordrecht, bij toerbeurt zal afvaren. Toch blijkt het in 1703 gewenst om een nadere regeling te treffen voor de beurtveren. Het gebeurt nogal eens 'dat enige personen, een schuit hebbende afgehuurd en om de vracht moetende worden gesmakt, en die de vracht gewonnen heeft bezig zijnde met afvaren, dikwijls door enige andere schippers of schippers, naderhand komende, worden afgesmakt, waardoor dan de huurders gehouden zijn zelfs tot meermalen in een andere schuit over te gaan tot grote incommoditeit en veragtering van hun reijs'.

Het stadsbestuur besluit 'dat voortaan, iemand een schuit begerende en om de vracht moetende worden gedobbeld, op de haven voor de schippersbeurs ofte klapbanke, en buijten op de nieuw kaje tenminste tot tweemaal sal moeten worden geroepen 'locare', waar na door de presente schippers om de vracht zal moeten worden gedobbeld. Degene die de vracht zal hebben gewonnen zal met de huurder afvaren en zijn touw, losgemaakt zijnde, niet gehouden wezen andermaal tegen een ander te dobbelen, ook niet tegen schippers die de haven komen inzeilen of die aan het hoofd leggen'.

Vanaf 1 mei 1703 zal de volgende regeling gelden:

  • tot 1 mei 1704 zal voor een smalschip worden gesmakt naar het veer op Dordrecht;
  • in de plaats van een van de drie Amsterdamse beurtschippers, na order moetende afgaan, zal wederom door een ander worden aangesmakt;
  • het Rotterdamse veer zal voor één schip worden besmakt;
  • naar het smalschip van de nieuwe beurtschipper uit Rotterdam zal alleen een kromstevenschuit in het Rotterdamse veer bij toerbeurt worden toegelaten. Deze schuit zal wekelijks van Goes vertrekken op donderdag en van Rotterdam op zondag daarop.

In maart 1704 is het opnieuw nodig een regeling te treffen voor de beurtveren. De dekenen van het schippersgilde mogen hun gildebroeders voor het aanstaande jaar weer laten smakken naar de beurtveren op de steden Dordrecht, Haarlem, Gouda, Amsterdam en Rotterdam. De beurtschipper op Dordrecht zal van Dordt niet mogen afvaren 'als des zaterdagsmorgens na het aankomen van de post en het ontvangen van de postbrieven'. Als het smalschip, dat op zaterdag van Goes naar Rotterdam afvaart en op dinsdagavond van daar weer herwaarts afkomt, op vrijdag om 2 uur na de middag deze haven niet kan bezeilen, zal de koopman tot zijn gerief eerst een smalschip of, 'tselve daartoe ongenegen sijnde', daar na een kromstevenschuit mogen aansmakken en bevrachten.

Als gevolg van de vrede met Frankrijk in juni 1706 wordt 'de onderlinge commercie van ende naar de Stad Antwerpen wederom hersteld'. Het stadsbestuur besluit het veer van Goes op Antwerpen weer op gang te brengen. De gildebroeders van het schippersgilde mogen bij toerbeurten naar dit veer 'smakken'.

In 1706 besluit het stadsbestuur tot een interessante bepaling voor de beurt- en veerschippers. Wanneer in het toekomende tot het overbrengen van passagiers of koopmanschappen, ''t welk verstaan moet worden alleenlijk van passagiers die buiten aan de nieuwe kaaije te veerstal komen ofte van enig ventegoed', van deze wal naar omliggende havens enige vaartuigen worden afgehuurd en de vrachten bij de schippers aangenomen, geldt de volgende bepaling: 'alvorens met een luidbare stem, eerst voor de schippersbeurs ofte klapbank, en daarna andermaal op het veerstal geroepen sijnde LOCARE, sullen de presente schippers naar de voorseide vragten aanstonds vermogen te smakken ofte cavelen. Wijders dat de schipper, die de vracht gewonnen heeft, de passagiers ofte twee stukken van de in te laden goederen binnen schipsboord hebbende ingenomen, nadat sijn touw sal wezen losgemaakt, de vragte vrij sal vermogen te behouden, sonder door iemand van binnen ofte van buiten inkomende te mogen worden afgesmakt, schoon hij ondertussen buiten aan den boom ofte aan het hoofd tot seijlmaken ofte anderszins genoodzaakt wierde aan te leggen'.

In deze tijd ontvangt het stadsbestuur klachten over de schippers Aarnout Leenderse, Laurens Janse en Jacobus Landschot, varende voor eigen risico met koopmanschappen op Haarlem, Gouda en Amsterdam, dat 'ze veeltijds vreemde vragten ende waren komen in te laden tot merkelijke prejuditie van de ordinaire beurtschippers van deze stad op deze steden en contrarie het 6e artikel van de Ordonnantie'. Het stadsbestuur besluit de beurtschippers op de steden Haarlem, Gouda en Amsterdam te handhaven en genoemde personen en alle anderen te verbieden voortaan enige vreemde vrachten van of naar die steden in te laden, 'tsij de ordinaire beurtschippers aldaar mogten wesen aangekomen ofte nog wierden verwagt'.

Winkeliers

De winkeliers 'van de vette waren' beklagen zich in 1702 dat jaarlijks op de Goese jaarmarkt, zowel in schepen als kramen, een grote hoeveelheid Hollandse kaas wordt verkocht, 'zonder dat deze vooraf is gebracht ter Wage, werdende daarover alleen wegens het regt van de balance met den pagt geaccordeerd ten geringen prijze'. Tevens wijzen ze er op dat de olieslagers hun olie aan de winkeliers en andere particuliere ingezetenen bij pinten en kannen afgeven, al hetwelk is strekkende tot groot nadeel van hen.

Het stadsbestuur besluit dat van alle Hollandse kaas, op de ordinaire jaarmarkt in schepen of kramen verkocht, alvorens dit ter waag wordt gebracht, het recht van balans zal moeten worden betaald. De olieslagers wordt verboden hun olie aan de winkels of andere particuliere ingezetenen met geen minder maat als met vijf stopen tegelijk te verkopen en uit te venten. De 'vettewarij-wynkeliers en de olijslagers' krijgen hiervan bericht.

Jacoba van der Straaten, weduwe van Jasper Wils, krijgt in 1703 toestemming 'omme te verkopen alderhande copere waren'.

Vanaf 1704 is de tabaknering in opkomst. In november 1704 krijgt Hubrecht van Rosendaal vergunning tabak met de kleine maat te verkopen. In 1705 ontvangen Reinier Cnuijt, Cornelis Carstanje, David Jacobse Smit en Paulus Jansz. Heuman vergunning tot het verkopen van bier, brandewijn en tabak bij de kleine maat.

Huibrecht Jansz van Loo, die gekocht heeft het huis van Jan Fassé, staande tussen de twee opperhillen van de koren- en vlasmarkt, krijgt in 1705 vergunning om 'in den agterkeuken, uitkomende in stads gemeene gang, te mogen stellen een bakkersoven'.

In november 1705 komen er dagelijks klachten bij het stadsbestuur binnen 'van wijnkeliers binnen de stad ter oorsaak dat enige personen, alhier vrij nering doende, nog daarenboven, in strijd met het placcaat van 10 december 1659, alomme in desen Eilande met meersen (als marskramer) gaan leuren ende haar koopmanschappen aan de huysen der opgesetenen ten plattelande uitventen, als strekkende tselve tot merkelijke prejuditie van der selver wijnkelen ende diversie van de nering buijten de stad'. Het stadsbestuur bepaalt dat voortaan niemand met meersen langs de wegen door het eiland van Zuid-Beveland zal mogen leuren of enige koopmanschappen aan de huizen van de opgezetenen ten plattelande veilen en verkopen dan die daarvoor een speciale vergunning hebben.

Smederijen

Eind 1702 krijgt Cathalijntje den Aal, weduwe van Cornelis Paulusse, vergunning 'tot het wederopregten van een smidsoven te haren huize ter plaatse, daar deselve van over vele jaren had gestaan', in het huis 'de Blaucupe' aan de Ganzepoortstraat nummer 12. Ook de smid Marinus Absolonse mag in juni 1705 'de smidsoven 't sijnen huize, staande aan de oostzijde van de Nieuwe Beestenmarkt, van daar over brengen in een van zijn andere woningen, staande op deselve mart aan de suidzijde'. Het betreft hier het pand 'de Vergulde Pot', Beestenmarkt nummer 23.

Herbergen en tapperijen

In 1702 mag Cornelis Huijsdijk, met uitsluiting van alle anderen, een coffyhuijs houden op voorwaarde dat hij geen gelagen zet. De aan koffiehuishouder en tevens stadschirurgijn Hieronymus Peuteman verleende vergunning wordt ingetrokken.

In september 1703 krijgt Cornelis Verlare vergunning om in zijn huis, genaamd ''t Gesaechde Wagenschot', Vlasmarkt nummer 14, 'te mogen tappen wijn, bier en dergelijke, mitsgaders passagiers logeren, mits in sijn huis werende alle disordres en ongeregeldheden'. Andries van Doorn, waard in de herberg 'de Gouden Leeuw', Grote Markt nummer 21, die gekocht heeft het huis staande buiten de Koepoort, genaamd 'Bekhof', krijgt in 1705 vergunning aldaar te mogen tappen.

In 1704 besluit het stadsbestuur vanwege de hoge prijs van de wijnen 'dat de herbergiers hun wijnen, buiten deze stad gekocht, met geen minder fust zullen vermogen in te slaan, als met een oxhoofd te gelijk'. Alle herbergiers krijgen hiervan bericht.

Markten

Elke dinsdag is er zuivelmarkt in de Lange Vorststraat. Op de noordzijde van deze straat, tussen de Oude Vismarkt en de Papegaaistraat, wordt deze markt gehouden. Al van oude tijden komen de boeren en boerinnen uit Zuid-Beveland met hun boter, in stukken van een pond of met gehele boterstanden. Ook kippen, eieren en duiven zijn dan te koop. Er is een gewoonte gegroeid dat de bewoners van de Lange Vorststraat zitbanken voor hun huizen zetten, waarop de boeren en boerinnen tegen betaling kunnen zitten en hun waren veilen. Cornelis Steijn pacht van de stad 'het openen en sluiten van de heckens van de botermarkt'.

Op de Nieuwe Vismarkt of het Visperk aan de Turfkade staan twaalf visstallen. Deze worden elk jaar verhuurd aan de visvrouwen voor de verkoop van vis. De stadsrekeningen over deze jaren vermelden: 'Cornelis Peman den ouden collecteert de twaalf visstallen voor twintig schellingen per stal'. In 1708 worden deze visstallen afgebroken en in 1709 verkocht. De stadsrekening van 1709 vermeldt dat de vendumeester Gillis Faveur 'voor verkochte bomen aan de stadswallen als de viskramen gestaan hebbende op de Vismarkt' ontvangt £ 162.17.0.

Over de in augustus gehouden Goesche Jaarmarkt vermelden de stadsrekeningen jaarlijks betalingen aan de vier stadsboden voor het orde stellen op de kramen op de markten; aan beide ''s Heeren dienaars' van de baljuw voor het bewaken en aan de drie klokkenluiders voor het inluiden van de jaarmarkt.