Aanvulling? Meld het hier.
<<

Kerkelijke situatie (1702 - 1706)

Hervormde gemeente

De kerkenraad bestaat in 1702 uit de ouderlingen Marynis Smytegelt, Mattheus Eversdijk, Adriaan Eversdijk, Adriaan van Beijsselaar, Michiel Boidens, Marinus van Ossewaarde, Blaes Janse en Pieter Zommerzee. Diakenen zijn Jan Soetebier, Guiljaam Leene, Jasper Bruijne, Marinus Jacobsz. Goette, Willem van der Bilt, Adriaan Eversdijk, Pieter Benedictus Wils en Pieter Amper. In 1706 worden tot nieuwe ouderlingen verkoren Cornelis van Sunder, Johan Westerwijk, Jacob Bouwens en Levinus Aruije en als diakenen Pieter Wils, Jacob Oudorp, Bastiaan Caerdeman en Johannes van Rentergem. De kerkelijke gemeente is verdeeld in vier wijken, de zuid- , noord-, oost- en westwijk. Deze zijn verdeeld over de ouderlingen.

In augustus 1702 overlijdt de predikant ds. Justus Schalkwijk à Velde. Namens de kerkenraad verzoekt ds. Peuteman om vertegenwoordigers aan te wijzen voor het Collegium Qualificatum voor 'het beroepen van een Minister in de plaats van den overleden ds. Justus Schalkwijk à Velde'. Afgevaardigd worden de beide burgemeesters en de schepen Marinus van Ossewaarde met de opdracht 'dat ze alle devoiren geliefden aan te wenden dat de vacante plaats met een Godsalig, vreedsaam en geleerd persoon mogt werden vervuld'. In de plaats van de overleden predikant wordt de proponent Pieter de Kock belast met de waarneming van de predikdienst in de Nederduitse gemeente. Hij krijgt hiervoor uit de stadskas betaalt een bedrag van £ 33.6.8 per jaar.

In december 1702 beroept het Collegium Qualificatum met eenparige stemmen ds. Assueris Hengstenbergh, predikant te Den Hem in Noord-Holland. De predikant bedankt echter voor het beroep. Begin april 1703 wordt beroepen ds. Francois Sohier, predikant te Aardenburg. De Classis Walcheren maakt hier bezwaar tegen en verleent geen toestemming voor het uitbrengen van een beroep. Ds. Sohier is namelijk nog geen twee jaar te Aardenburg predikant en omdat 'zijnen dienst aldaar zeer nodig is'. De deputaten wordt opgedragen 'alle krachtige devoiren aan te wenden, teneinde het effect van de voorseide beroepinge van ds. Sohier mag werden bekomen, sonderling omdat zo weinig tijd aan de voorseide twee jaren ontbreekt en zijn eerwaarde met zoo veel aangenaamheid van haar edel agtbaren ende toejuiching der gemeente is beroepen geworden'. Ds. Sohier neemt het beroep naar Goes aan en wordt op 14 oktober 1703 bevestigd.

Ook de predikant ds. Peuteman is oud en zwak. Zijn dienst wordt in 1704 waargenomen door de proponent De Ruijter. De kerkenraad is hierover niet tevreden. Gesproken wordt 'over het gedrag van de proponent in het algemeen en zijn prediken in het bijzonder op de 16e maart 1704 des morgens in de Grote kerk. Latende na het zingen uit psalm 3 vers 1, waarin de proponent zodanige conduite heeft gehouden en uitdrukkingen heeft gebruikt die hem geenszins passen en aan de andere zijde zeer ergerlijk en aanstotelijk waren'. De kerkenraad besluit 'dat ds. Peuteman door een delegatie zal worden begroet en hem zal worden verzocht dat zijn eerwaarde de proponent de Ruyter na dezen niet meer op den predikstoel zal gelieven te laten komen. En indien zijn eerwaarde dat verzoek niet zal gelieven op te volgen, zo zullen zij bevoegd zijn om zijn eerwaarde zulks in zo een geval uit naam van de consistorie te gelasten. En verder zal zijn eerwaarde aangezegd worden geen proponent in het toekomende aan te stellen om voor zijn eerwaarde de ordinaire predikdienst waar te nemen zonder communicatie met de consistorie'. Ds. Peuteman protesteert tegen het besluit over zijn emeritaat. Bij nader inzien concludeert de kerkenraad 'het toen verhandelde over zijn emeritaat te vervolgen als zij het nodig vinden'. Op 29 december 1704 bespreekt het Collegium Qualificatum dat ds. Peuteman 'doorgaans is laborerende aan een attacq en zodanig dat er weinig hoop is op zijn herstel om zijn dienst waar te kunnen nemen'. Hij zal vriendelijk worden verzocht emeritaat te vragen. Een commissie, bestaande uit ds. Oosterland, mr. Westerwijk, burgemeester Eversdijk en Pieter Soetebier, brengt deze boodschap over en adviseert de predikant dringend 'om rust te gaan genieten'. Staande de vergadering gaat de commissie met ds. Peuteman spreken. Teruggekomen rapporteren ze dat de predikant 'van sijn gemoed niet konde verkrijgen om emeritus te worden voor en al eer zijn eerwaarde nog enige andere middelen tot zijn herstelling hadde gebruikt'.

Op de 20e juli 1704 overlijdt ds. Sohier. Het Collegium Qualificatum stelt een lijst op met een groot aantal predikanten om daaruit een predikant te beroepen in de plaats van 'de eerwaarde, godzalige en welgeleerde ds. Sohier'. Op de 2e zondag in februari 1705 beroept men 'met verre de meeste stemmen' ds. Jacobus Andriessen, predikant te Colijnsplaat.

Bijna een jaar lang heeft de proponent Pieter de Kok 'op toezegging van een redelijk honorarium aangenomen om naast de drie ordinaire predikanten waar te nemen de toerbeurt van de kerkedienst in de Nederduitse gemeente 't sedert het afsterven van wijlen ds. Justus Schalkwijk à Velde'. Voor zijn diensten tot hiertoe krijgt hij van het stadsbestuur in juli 1703 een vergoeding van £ 75 Vlaams. Hij wordt voor ontslagen gehouden per de intrede van de nieuw beroepen predikant ds. Franciscus Sohier. Maar na korte tijd, in juli 1704, overlijdt ds. Sohier. De deputaten van het stadsbestuur naar het Collegium Qualificatum voor het bevorderen van 'de beroeping van een ordinair Minister in de Nederduitse gemeente' in de plaats van de overleden ds. Franciscus Sohier wordt meegegeven 'te remonstreeren den gebrekkelijken kerkedienst waarmede ds. Hieronimus Peuteman wegens deselfs aanhoudende indispositie dese gemeinte een geruijmen tijd herwaarts heeft bediend, ende hoe noodzakelijk het is, dat daar in ten eersten werde voorsien'. De deputaten worden gemachtigd 'om ten selve einde eenige convenable voorslagen te doen ende te aanhoren'.

En wat betreft de andere proponent De Ruyter? Het notulenboek van de kerkenraad van 1705 vermeldt hierover het volgende: 'Na het eindigen van de predikatie heeft de heer Marinus Smytegelt de kerkenraad voorgedragen hoe dat de eerwaarde, godsalige en welgeleerde ds. Bernardus Smytegelt was in de stad gekomen met de intentie om een onderhoud te hebben met de kerkenraad. Hierover omvraag gedaan zijnde, zo wordt dit hem toegestaan. Door de koster wordt zijn eerwaarde daarvan aankondiging gedaan. Zo is zijn eerwaarde in de consistorie verschenen en na vele zegenwensen aan de vergadering hebbende uitgesproken uit naam van de Classis van Walcheren, zeide zijn eerwaarde hoe in de classis Walcheren een beroep was gevallen op de persoon van de proponent De Ruijter en dat, alvorens dit beroep te approberen of te improberen, zijn eerwaarde van de classis Walcheren, nevens de eerwaarde ds. Zuerius, predikant te Arnemuiden, was gecommitteerd om te vernemen naar de leer en het gedrag van de proponent De Ruyter te Zierikzee, Goes, Tholen en Middelburg . En vervangende also in zijn aanspraak aan de vergadering de persoon van de eerwaarde ds. Zuerius die nodig had daegs te voren te vertrekken. En omdat de proponent de Ruyter enige tijd had gepredikt in de gemeente voor ds. Peuteman en de eerwaarde classis Walcheren was ter ore gekomen hoedanig de proponent de Ruyter zich hadde in het prediken gedragen nevens het christelijke opzicht dienaangaande bij de eerwaarde vergadering gehouden, zo verzoekt zijn eerwaarde uit naam van de Classis Walcheren te mogen weten wat van die zaeke zij en zo dienaangaande enige resolutie was, dat zijn eerwaarde daar van een copie zou mogen ontvangen.

Nadat de vergadering het verzoek van ds. Smytegelt heeft gehoord wordt hem verzocht buiten te staan. Zo heeft de vergadering met eenparigheid van stemmen besloten zijn eerwaarde zijn verzoek in te willigen. Hierop zijn eerwaarde weer binnengeroepen zijnde, zo heeft de praesis uit naam van de vergadering zijn eerwaarde bekend gemaakt dat deze vergadering zijn verzoek namens de Classis Walcheren heeft ingewilligd. Hem zal een copie van de resolutie nopende de proponent worden gegeven, luidende uitsluitsel over zijn ordinair gedrag in het prediken. Ds. Smytegelt bedankt de eerwaarde vergadering uit naam van de classis Walcheren met presentatie van diergelijke dienstvaardigheid in zodanige of diergelijke gevallen'.

In 1705 verklaren de gedeputeerden van het stadsbestuur naar het Collegium Qualificatum dat het haar edelachtbaren 'aangenaam soude sijn dat de spoedige overkomst van den verkoren Leeraar ds. Jacobus Andriessen, predikant te Colijnsplaat, door haar eerwaarde allerwegen mogt werden bevorderd'. De Staten van Zeeland wordt verzocht om dispensatie van hun resolutie tegen de verplaatsing van de predikanten binnen twee jaren na hun bevestiging. Handopening wordt verzocht 'om met de kerk van Colijnsplaat voor de expiratie van het lopende tweede jaar, nadat ds. Andriessen in zijn dienst aldaar is bevestigd, daar van weinige maanden ontbreken ter ontslaging van sijn eerwaarde te kunnen houden'.

In maart 1705 maakt ds. Peuteman het overlijden bekend van Willem Wiswijler, krankenbezoeker of ziekentrooster van de stad, op de 8e maart 1705. Naar deze functie solliciteren Johan Lamaire, Willem Goeree, Antoni Smytegelt, Samuel van den Born en de gewezen diaken Verbrugge. De beraadslaging hierover wordt uitgesteld. In december 1705 legt ds. Andriessen in het midden van de kerkenraad of het geen tijd is om te voorzien in de functie van krankenbezoeker. Dit leidt er toe dat op zondagavond 27 december worden verkoren Johannes Lamaire en Willem Goeree. Ze nemen dit aan op een traktement van 25 ponden Vlaams.

Beide gekozen ziekentroosters worden door de praesis ds. Andriessen geëxamineerd en in de voornaamste hoofdstukken van de Christelijke religie ondervraagd. Ze geven daarbij zoveel genoegen dat ze tot deze bedieningen bekwaam worden geoordeeld. Nadat het formulier over het ziekentroostersambt is voorgelezen en ze zich daaraan volledig hebben onderworpen, zijn ze beiden met die bediening gefeliciteerd in de verwachting dat ze zich daarin getrouw zullen gedragen. Al in maart 1706 overlijdt de ziekentrooster Johannes Lamaire. De kerkenraad besluit niet naar een nieuwe ziekentrooster om te zien maar Willem Goeree alleen met dit ambt te belasten en zijn traktement met een vierde te verhogen.

Nog enkele besluiten van andere aard van de kerkenraad. In februari 1704 besluit de kerkenraad 'dat van nu voortaan volgens Synodale resoluties en practyke van andere kerken één gehele Sondag uit de Catechismus zal behandeld worden'. En in maart 1705 wordt besloten om tot onderstand van de kerkemiddelen vanaf nu van stoelen of zitplaatsen in beide kerken, die openvallen en door de kerkmeesters worden begeven, ten behoeve van de kerk zes schellingen en acht grooten per stoel of zitplaats te heffen.

De kerkenraad wijst het stadsbestuur in oktober 1705 op 'de dagelijks inbrekende practijcque, waarbij personen, alhier in ondertrouw aangenomen, sig egter ten plattelande ofte elders begeven en aldaar in den houwelijken staat laten bevestigen, strekkende hetselve tot merkelijke prejuditie van de diaconie armen dezer gemeinte'. Ze verzoeken een middel te bedenken dat de armen 'daar tegen eniger mate mogten werden gesoulageert'. Het stadsbestuur besluit dat, zo wanneer personen voor enige politieke of kerkelijke vergadering binnen deze stad in ondertrouw aangenomen, 'sij der selven houwelijk ten plattelande souden willen laten solemniseren, sij van nu voortaan sullen gehouden blijven ten behoeve van de armen van het collegie, voor welk sij sijn ondertrouwd, te betalen drie zilveren ducatons, alvorens acte van derselver houwelijksproclamatiën zal worden afgegeven'.

Op 29 oktober 1705 overlijdt de predikant ds. Abraham Oosterland. Er wordt in februari 1706 een beroep uitgebracht op ds. Johannes Andriessen, predikant te Aardenburg. De koster brengt de beroepbrief over naar Aardenburg. Op 21 maart 1706 krijgt de kerkenraad tot haar genoegen bericht van ds. Jacobus Andriessen dat hij een brief heeft ontvangen van zijn broeder ds. Johannes Andriessen dat hij het beroep aanneemt. Hij neemt op 4 juli afscheid van Aardenburg en wil binnenkort overkomen. Op 11 juli doet hij intrede in de Goese hervormde gemeente. Na enige maanden spreekt de kerkenraad haar ongenoegen uit dat - in tegenstelling tot het overgrote merendeel - sommige predikanten uit de classis nalatig zijn geweest vacaturebeurten te vervullen tijdens de vacaturetijd na het overlijden van ds. Oosterland. Het is gebeurd dat de gemeente weer huiswaarts gekeerd zou zijn, als niet een van de Goese predikanten bereid gevonden was een stichtelijk woord te spreken. Bij de classis wordt hierover een klacht ingediend.

De kerkenraad besluit in januari 1706 met eenparigheid van stemmen, daartoe aangemaand door de magistraat, dat voortaan op de eerste maandag na het tweede Heilig Avondmaal de verandering van de kerkenraad zal plaatsvinden, om alzo een vaste en onverbrekelijke wet te houden. In beide kerken zullen dan de namen van de aftredende ambtsdragers en beroepingen van de preekstoelen bekend worden gemaakt. De gemeente wordt verzocht de nieuwe ouderlingen en diakenen in hun bedieningen als zodanig te erkennen en te gebruiken.

In juni 1706 doen zich problemen voor rondom het zogenoemde Hattemisme. De kerkenraad verzoekt het stadsbestuur maatregelen te nemen tegen 'een sekere Dina van Zierikzee, sijnde een discipelinne van Pontiaan van Hattem, dewelke in verscheidene borgerhuisen dagelijks conventicelen kwam te houden, tot nadeel en veragting van den openbaren godsdienst'. Het stadsbestuur besluit 'gemelde Dina aanstonds door de geregtsbode te doen aanseggen en gelasten, dat sij nog voor den middag uit dese stad sal hebben te vertrekken, op pene van anderszins daar faietelijk te sullen werden uitgeleyd'.

Ouderling Johan Westerwijk rapporteert de kerkenraad op 3 juli 1706 dat de magistraat heeft besloten 'niet te zullen gedogen dat zulke zielverderfelijke conventikelen in hun stad gehouden zullen worden. Er is order gesteld dat Dina van Zierikzee wordt aangezegd aanstonds de stad te ontruimen, wat ook is uitgevoerd. Ook de huisweerd waar de vergadering is gehouden wordt aangezegd om zulks nooit meer te onderstaan op pene van indignatie. De kerkenraad neemt met blijdschap kennis van dit rapport'.

Of het hiermee te maken heeft, blijkt niet. Maar in juni 1706 misdraagt Abraham Ingels, de voorzanger, zich in de bidstond. Na het zingen van de eerste regel van het zangvers keert hij zich om 'en sloeg het psalmboek met force toe en ging nederzitten, daarmee de gemeente in het zingen in confusie brengende'. Hij wordt hierover vermaand en betuigt zijn leedwezen. Hij had zich aan een bepaalde zaak zo geërgerd dat hij tot deze ongewone daad gekomen is.

Orgel Grote Kerk

Het orgel in de Grote Kerk vertoont ernstige mankementen. Zo vindt in 1704 groot onderhoudswerk plaats. Cornelis van Savooijen en Pieter Verbrugge ontvangen voor geleverde diensten voor het maken van het orgel £ 67.6.8. Op 20 juli 1705 leggen de burgemeesters een bestek over van de orgelmaker mr. Jacob Cool voor het vernieuwen en herstellen van 'het onbruikbare en verlopen orgel' in de Grote kerk voor een bedrag van 1100 Carolus guldens. Ook in 1706 vindt groot herstelwerk plaats aan het kerkorgel. Uit de stadsrekening blijken uitgaven aan Cornelis van Savooijen voor gedaan arbeidsloon 'van 't werken aan den horgel' £ 34.0 en 'voor geleverd hout, gebruikt aan den horgel' £ 13.10.0, aan Pieter Verbrugge voor geleverd hout en gedane arbeid aan den Orgel £ 18.0.0, aan Willem Nolet 'over het maken van pilaren en colommen tot den Orgel' £ 1.17.4 en aan Gillis Franken, houtkoper te Dordrecht, 'voor levering van hout' voor het orgel £ 87.0.0.

Waalse gemeente

De Franse predikant ds. Jean Fargé dient de Waalse gemeente. Zijn traktement van £ 33.6.8 wordt betaald uit de stadskas. Het stadsbestuur vaardigt in december 1704 oud-burgemeester Westerwijk en doctor Gaspar Rontvis af naar het Collegium Qualificatum tot het veranderen van de kerkenraad en het verkiezen van een voorlezer in de Waalse kerk. De voorlezer Cornelis de Jager is namelijk als schoolmeester vertrokken naar Heinkenszand.

Mennonieten gemeente

In oktober 1703 stellen de Staten van Zeeland in handen van het stadsbestuur het verzoekschrift 'van de opzienders der Mennoniete gemeinte alhier (verzoekende, dat ze op het exempel van hun geloofsgenoten in andere steden dezer provincie mogten werden geautoriseerd om die van hare gezindheid te mogen aannemen in den ondertrouw ende bevestigen in den houwlijken staat'. Het stadsbestuur besluit hierop, na 'rijpelijke deliberatie', met eenparigheid het verzoek in te willigen. De opzieners van de Mennonieten gemeente krijgen toestemming voor nu en het toekomende 'om die van haar gezindheid te mogen aannemen in de ondertrouw en vervolgens te bevestigen in den houwlijken staat, mits zig in allen deelen regulerende naar de beschreven rechten ende politijke ordonnantiën mitsgaders provinciale en stedelijke orders, en houdende van alle ondertrouw- ende trouwgevallen behoorlijk register'.

Op Kerstdag 1703 bedanken de opzieners van de Mennonieten gemeente het stadsbestuur 'hooglijk, dat zij die van hare gesintheid in den ondertrouw mogen aannemen ende vervolgens bevestigen in den houwelijken staat ende schenken uit eene sonderlinge affectie aan het weeshuis deser stede een liberale gifte van twintig silveren Ducatons'. Ook de welgestelde graanhandelaar Arent Marcusse Ruigh behoort tot de Mennonieten gemeente. Hij is in september 1705 verkoren tot gezworene van de Goese Polder en heeft, 'als sijnde van de Mennonite gemeinte, aangenomen den gewonen eed op het geswooren ampt'.

Rooms-katholieke gemeente

Hoe de gezindheid is ten opzichte van de rooms-katholieken blijkt uit het verhandelde tijdens de statenvergadering van 7 maart 1706. Burgemeester Westerwijk, van de statenvergadering te Middelburg overgekomen, doet van 'het gebesoigneerde aldaar' omstandig verslag. En, omdat hij de vergadering van morgen niet kan bijwonen, wordt de Raadpensionaris van Zeeland gemachtigd de zaken van Goes waar te nemen en in het bijzonder 'om sig wegens deze stad te conformeren met het laatst geproponeerde van de Heren van Middelburg, rakende de qualiteiten van papen ofte mispriesters binnen deze provintie, namentlijk, om geene derselve te admitteren, als ingeboren van den Staat: sijnde deselve daar en boven niet geordent, voornamentlijk niet van de Orde der Jesuiten'.

In 1706 komt in de kerkenraad van de Hervormde gemeente aan de orde 'dat een zeker getrouwd man, wel geen lidmaat zijnde maar echter in onze kerk gaande en getrouwd met een paapsche vrouw, zich heeft laten disponeren om het kind dat stond geboren te worden te laten dopen door de paap. Waarop is besloten de getrouwde man ernstig te vermanen om van zijn voornemen af te staan en het kind in de gereformeerde kerke te laten dopen. Ook wordt besloten de burgemeester dienaangaande te begroeten met verzoek dat zulke schadelijke en ergerlijke gevallen gelieven geweerd te worden. Ook wordt goedgevonden bij die gelegenheid ernstig te verzoeken dat de magistraat gelieve de doorbrekende stoutigheden van de papen in deze stad te beteugelen'. Hiertoe worden afgevaardigd ds. Peuteman en ouderling Mattheus Eversdijk.