Aanvulling? Meld het hier.
<<

Stadsbestuur (1702 - 1706)

Stadsbestuur

Een bewogen periode voor het stadsbestuur breekt aan! Opmerkelijk is dat in mei 1702 opeens een nieuw notulenboek begint. In het notulenboek van 1697-1702 is de helft van de bladzijden onbeschreven gebleven. Merkwaardig is bovendien dat op 22 mei 1702 de oude magistraat nog bijeen komt en op 23 mei, als ware het een overval, de magistraat van vóór 1692 bezit neemt van het Stadhuis. Het (nieuwe) notulenboek begint met een opzienbarend bericht op 23 mei 1702:

Mr. Mattheus Eversdijk, mr. Adolf Westerwijk, Marinus van Ossewaarde, doctor Gaspar Rontvis, mr. Cornelis van Sunder, Johan Drijwegen, mr. Jacob Leijdekker en mr. Johan Westerwijk, 'in den jare 1692 van hun wettige burgemeesters-, schepen-, pensionaris- ende secretarisambten op een geweldige ende feitelijke wijze tot nu toe geremoveerd en heden door het gemene lichaam van de borgerije deser stede ootmoedig en ernstelijk aangesegt wezende, teneinde haar edele haare voorseide functies wederom geliefden te aanvaarden. Verklarende, dat ze niemand buiten de gemelde Heren voor haar wettige Overheid konden erkennen. Zo hebben opgemelde Heeren, in consideratie dat de proceduren in het voorseide jaar 1692 omtrent de Magistraats bestelling met de gevolgen van dien tot nu toe gehouden, t' eenemaal waren strijdende tegen de privileges van deze stad, haar uit kracht van de eed, in de aanvang harer bedieningen gedaan, verplicht geacht de rechtmatige begeerten van de goede borgerij te voldoen. Vervolgens onder het geleijde van een groot getal ingesetenen ten Stadhuize verschenen sijnde, hebben alle meergemelde Heeren hare respectieve functies op den ouden eed wederom aanvaard: namelijk mr. Mattheus Eversdijk het burgemeestersambt, Marinus van Ossewaarde, doctor Gaspar Rontvis, mr. Cornelis van Zunder, Johan Drijwegen en mr. Jacobus Leijdekker het schepenambt, mr. Adolf Westerwijk het pensionarisambt en mr. Johan Westerwijk het secretarisambt, houdende voor ontslagen de Magistraatspersonen, die sedert 1692 hare ambten hadden uitgeoefend.

Waarna geprocedeerd wezende tot vervulling der vacante burgemeesters- en schepenplaatsen (nadat alvorens de heer baljuw mr. Cornelis Eversdijck te dien einde was versogt ten Stadhuyze te verschijnen, sijnde volgens rapport van de bode buiten de Stad), hebben haar agtbaren verkoren tot burgemeester Ysaac de Perponcher, heer van Ellewoutsdijk, Coudorpe, Drijwegen, etc. en tot schepenen Jacobus van der Houve, Josias Smijtegelt, mr. Johan van der Hille en mr. Gualterus van Wissekerke, heer van Wissekerke, welke heren ieder zijn respectieve bediening aangenomen en de eed hebbende afgelegd. Is daarvan aanstonds gedaan een publicatie van het Stadhuis op den 23 Mei 1702'.

De publicatie is zeer scherp van toon. Daarin betoogt het nieuwe stadsbestuur onder meer dat:

  • op de 1e september 1692 door de commissarissen van Zijne Koninklijke Majesteit van Engeland als Stadhouder van de provincie Zeeland, met behulp van krijgsvolk, getrouwe en wettige magistraatspersonen, tegen hun protestatie, feitelijk en onwettelijk uit hun ambten zijn gestoten;
  • sedert 1692 al die tijd de stad Goes niet is geregeerd geweest door een wettige magistraat;
  • de weer aangetreden magistraat het vertrouwen heeft van het overgrote deel van de burgerij.

Van de afgezette leden van de magistraat blijft alleen de baljuw Cornelis Eversdijk over. De nieuwe magistraat bestaat uit de baljuw mr. Cornelis Eversdijck; de burgemeesters Isaac de Perponcher de Sedlnitsky, heer van Ellewoutsdijk, Koudorpe en Driewegen en Mattheus Eversdijk; de schepenen Marinus van Ossewaarde, doctor Casper Rontvis, mr. Cornelis van Zunder, Johan Drijwegen, mr. Jacob Leijdekker, Jacobus van der Hoeve, Josias Smijtegelt, mr. Johan van der Hille en mr. Gualtherus van Wiskerke; de pensionaris-honorair mr. Adolf Westerwijk en de secretaris mr. Johan Westerwijk.

Wellicht in dit verband vermeldt de stadsrekening van 1702 uitgaven aan onder andere kapitein Boogaart 'voor het uitschepen en op den Toorn brengen van enig kruijtcoek' £ 0.13.11; voor 'tgeene hij betaald heeft aan die met 't kanon geschoten hebben' £ 1.10.0 en aan de stadsdrukker 'voor leverantie van 238 stuks publikatiën gedaan den 23 mei 1702 omtrent de verandering van de magistraat' £ 4.2.10.

Niettegenstaande de verandering van het stadsbestuur op de 23e mei 1702 worden de gewone jaarlijkse verkiezingen op Johannis Dag, de 24e juni, ook in 1702 gehouden. Op 10 juni worden tot oudermannen aangewezen de meekrapreder Marynis Smytegelt de oude en de wijnkoopman Lambrecht Coopman om met de heer De Perponcher de Sedlnitsky, heer van Ellewoutsdijk, als afgaande burgemeester en de beide stadsrentmeesters te formeren de nominatie van twintig notabele personen om daaruit de magistraat te kiezen. Bij de verkiezing wordt burgemeester Ysaac de Perponcher, heer van Ellewoutsdijk, van zijn eed en ambt als burgemeester ontslagen. Hij krijgt, zoals gebruikelijk, de eretitel van pensionaris honorair van de stad. In zijn plaats treedt aan als burgemeester mr. Adolf Westerwijk. Aftredend zijn de schepenen doctor Gaspar Rontvis, mr. Jacob Leydekker, mr. Johan van der Hille en mr. Gualterus van Wissekerke. In hun plaatsen worden gekozen mr. Adriaan Eversdijk, notaris Nicolaas van de Leene, mr. Johan Leydekker en mr. Johan van der Lugt.

De weer in ere herstelde regenten van vóór 1692 krijgen de hen 'in het jaar 1693 afgeperste en nu bij resolutie van haar edelmogenden van 3 juni 1702 wederom geadjudiceerde boeten' weer terug. De afwikkeling hiervan gebeurt door de schepen Drywegen en secretaris Westerwijk. Ze worden tevens gemachtigd om van de notarissen Johan de Hamer en Cornelis Kosten 'af te vorderen een copie van alle attestaties en andere akten, voor hen gepasseerd in de jaren 1692 en 1693, rakende de heren en burgers, jegens welke toen is gesententieerd'. Indien de notarissen hier niet aan voldoen hebben de commissarissen het recht de sterke hand van de regering in te schakelen.

In november 1702 overlijdt het lid van het nieuwe stadsbestuur, de schepen Nicolaas van der Leene. De weduwe Van der Leene zit nu zonder inkomsten. Ze krijgt in 1703 vergunning voor de verhuur van rouwmantels, maar ze is niet in staat tot de inkoop van deze mantels. Hiervoor krijgt ze een bedrag van £ 8.6.0, te betalen uit het poorterijgilde.

De griffie wordt in 1702 eerst gediend door Cornelis Oyee als onderklerk en vanaf het tweede halfjaar door Johan Adriaansz. van Wiskerke. In 1705 wordt 'om gewichtige redenen' de onderklerk van de griffie, Van Wissekerke, van zijn ambt ontslagen. In de vergadering van het stadsbestuur ontboden, krijgt hij deze resolutie te horen. De sleutel van de griffie moet hij aan de secretarissen afgeven. In zijn plaats komt de in 1704 als notaris toegelaten Adriaan van Oostee.

In juni 1703 verzoekt mr. Johan Leijdekker van zijn schepenambt ontheven te worden. Hij krijgt ontslag onder dankzegging voor de goede en getrouwe diensten tot nu toe gedaan. In 1703 zijn aftredend burgemeester mr. Mattheus Eversdijk en de schepenen Marijnis Ossewaarde, Johan Drywegen, Jacobus van der Houve en Josias Smytegelt. In hun plaatsen treden aan als burgemeester doctor Cornelis van Sunder en als schepenen doctor Gaspar Rontvis, mr. Jacobus Leydekker, mr. Johan van der Hille, doctor Adolf van Oostee en mr. Adriaan Isebree.

De voormalige schepen Bernard Schorer komt in oktober 1703 in opspraak. Het stadsbestuur is 'met zekerheid bericht dat de Rekenmeester van Zeeland Bernard Schorer aan de heer Johan van de Stringe heeft geadresseerd een onbedagte missive, houdende vele onwaaragtige stellingen ende schandaleuse invectiven tegen deze regering ende enige leden van dien, ter zaak van een executie bij de ontvanger van het gasthuis, uit kragt van een geobtineerde sententie, aan zijn meubilaire goederen gedaan'. Schorer wordt verzocht om een kopie van deze brief. Dit leidt tot het vertrek van Schorer als Goese gedeputeerde bij de Generale Rekenkamer. De nieuwe rekenmeester is de regerend schepen mr. Jacobus Leydekker. In zijn vacature verkiest het stadsbestuur mr. Johan Leydekker.

In juni 1704 brengt burgemeester Cornelis van Sunder, 'van de Statenvergadering sijnde wedergekeerd, een Nader Reglement ter bestelling van de Magistraat van deze stad met de gevolgen en aankleven van dien ter tafel'. Dit Reglement is bij de Rekenkamer van Zeeland geregistreerd op perkament en met een uithangend zegel van deze provincie bekrachtigd. Het zal in de stadsarchieven bewaard en in 't groot Privilegeboek geregistreerd worden.

In 1704 volgt Mattheus Eversdijk de aftredende burgemeester Adolf Westerwijk op. In de plaats van de afgaande schepenen Adriaan Eversdijk, Nicolaas van de Leene, Johan van der Lugt en Cornelis van Sunder treden aan Marinus van Ossewaarde, Johan Drywegen, Jacobus van der Hoeve en Nicolaas Sommerzee.

In oktober 1704 besluit het stadsbestuur 'tot betrachting van betere menage voor de stad, dat in het toekomende de ordinaire maaltijd van de verpachting der gemene middelen over stad en eiland zal worden bijgewoond door de heer binnencommissaris, de Grafelijke Officier, en de helft van de regerende burgemeesters en schepenen met een van de secretarissen, alle bij toerbeurten, mitsgaders van de rentmeesters'. Verder besluit men 'dat de heer binnencommissaris de heren buitencommissarissen op derselver aankomst en gedurende hun verblijf tot last van de stad alleen sal defroyeren, daartoe assumerende, indien sijn edele sulks goedvindt, een of ten uiterste twee heren uit de regering verder, dat de gecommitteerden van dit eiland daags na de verpachting 't haren behoeve geen traktementen ten laste van de stad zullen vermogen te laten aanrechten'.

Merkwaardig is het besluit van 15 oktober 1704 dat 'buiten de ordinaire maaltijd op de dag van de verpachting, voor noch na, geen schippers of 's Heeren dienaars zullen worden toegelaten enige verteringen te doen die ten laste van de stad zouden worden gebracht'. De heer binnencommissaris wordt 'ernstelijk versogt ende gerecommandeeerd dese haar agtbaren goede intentie punctelijk te doen naarkomen'.

Op 20 juni 1705 overlijdt de schepen, doctor Gaspar Rontvis, zeer onverwachts. Naar aanleiding van zijn 'subyte dood' wordt tot schepen verkoren de secretaris mr. Johan Westerwijk, 'welke deze functie heeft aangenomen onder expres beding, dat door deze aanstelling aan des selfs secretaris ampt geen het alderminste hinder ofte nadeel sal werden toegebragt'.

In 1705 volgt mr. Adolf Westerwijk de aftredende burgemeester Cornelis van Sunder op. In de plaats van de afgaande schepenen Johan Westerwijk, Johan van der Hille, Johan Leydekker, Adolf van Oostee en Adriaan Isebree komen mr. Adriaan Eversdijk, Nicolaas van de Leene, mr. Johan van der Lugt, doctor Cornelis van Sunder en Pieter Hobius.

Burgemeester Mattheus Eversdijk promoveert in 1705 tot (het Goese) lid van Gecommitteerde Raden van Zeeland. In de opengevallen plaats van burgemeester verkiest het stadsbestuur de schepen Johan Drywegen. Deze wordt weer als schepen opgevolgd door doctor Christoffel Annaard, wonend in het huis Turfkade nummer 7.

Op 25 januari 1706 komt een huwelijksaankondiging ter tafel van het stadsbestuur van de schepen mr. Nicolaas Sommerzee. Hij is voornemens op aanstaande woensdag 'sig in den houwlijken staat te laten bevestigen' en verzoekt 'ten einde sijne bruijloftmaaltijd ten selven dage met de presentie van twee heren gedeputeerden uit haar edel achtbaren te vereeren'. Afgevaardigd worden burgemeester Drywegen en de schepen Marinus van Ossewaarde. Op 8 mei 1706 is er nóg een bruiloft in de kring van de Goese regenten. Secretaris mr. Adolf Westerwijk is voornemens 'sig in den houwlijken staat te laten bevestigen'. Hij nodigt twee gedeputeerden namens de magistraat uit voor 'sijne bruiloftmaaltijd'. De regenten Adriaan Eversdijk en Jacob van der Hoeve valt deze eer te beurt.

Doctor Cornelis van Sunder volgt in juni 1706 de aftredende burgemeester Johan Drywegen op. In de plaats van de afgaande schepenen Marinus van Ossewaarde, Jacobus van der Houve, mr. Nicolaas Somerzee en doctor Christoffel Annaard komen mr. Johan van der Hille, mr. Johan Leydekker, mr. Adriaan Isebree en Pieter Somerzee. De afgetreden burgemeester Johan Drywegen krijgt naar oude gewoonte de eretitel van pensionaris-honorair 'op dezelfde voet als de pensionaris honorair sijne predecesseurs in conformite van haar agtbaren resolutie van 29 april 1692'.

Hogere overheden

De nasleep van de verandering in het stadsbestuur in 1702

Na de magistraatwisseling in 1702 leggen de gedeputeerden van Goes, Van Ellewoutsdijk, Eversdijk en Westerwijk, in de vergadering van de Zeeuwse staten van 30 mei 1702 een brief over van het stadsbestuur van Goes. De brief behelst 'hun kwalificatie om namens Goes te delibereren en besluiten ten beste van den lande te nemen en met verzoek deze heren als zodanig te erkennen en volkomen geloof te geven'. In deze vergadering wordt tevens een vertoog voorgelezen van de heren Nollens, Van der Hooge, De Perponcher en Lammens, waarin zij 'een schriftelijk verhaal van tgene in de jaren 1691 en 1692 tussen de regenten der stad Goes was voorgevallen' doen.

De voorzitter van de staten verzoekt vervolgens de gedeputeerden van Goes zich gedurende de deliberatie te verwijderen. Maar de heren van Goes zeggen 'gedeputeerd te zijn door een wettig en integrerend Lid en dat geen Lid en konde werden aangezien als parthie'. Daarop worden de drie leden van Goes verzocht zich te willen voegen naar het geadviseerde van de gedeputeerden van Veere. Deze laten het namelijk aan de discretie van de heren van Goes over en mogen lijden dat ze present zijn.

In de daarop volgende bespreking verklaren de gedeputeerden van Middelburg dat 'haar deze differenten sonderling smertelijk voorquamen, wensten ware het mogelijk die onderling te sien geaccommodeert, meijnende alle de Leden daar toe behoorden te contribueren, biddende ende smekende de Heren van Goes tot een onderling accommodement onder de gesamentlijke heeren'. Dit 'tot voorkominge van alle verdere gevolgen hier uijt te resulteren, soo gevaarlijk bij deze conjuncture van tijden en saken en ten einde men in malkanders ingewanden niet en soude wroeten'. De gedeputeerden van Zierikzee en Tholen conformeren zich hier aan. Die van Vlissingen stellen zich geen partij in de vraag of de heren van Goes bij de deliberatie present of daar niet bij present zijn. En de gedeputeerden van Veere menen dat 'deze particuliere zaak de besognes van 't land niet en moesten stremmen'.

De gedeputeerden van Goes, weer ter vergadering verschenen, verklaren dat ze omtrent deze deliberatie zullen handelen 'op den voet van 't jaar 1692, wanneer de Regenten van die Stad hadden gestaan over de deliberatie maar niet geadviseerd, sullende haar advys op die saak blijven inhouden, doch present sijn. Ze houden het gebeurde voor een gedane zaak en zullen zich daartoe in geenderleij wijse in laten, maar wel in andere saken ende gevolgen, waarin deselve heeren haar saght en moderaat sullen schikken'. Waarop alle statenleden eenparig verklaren 'met de heren gedeputeerden van Goes te sullen besogneren en hare sessie te houden voor aangenaem'.

Uit de notulen van de Staten van Zeeland van de 1e juni 1702 blijkt het volgende. Gedelibereerd wordt over de zaak van de Heren van Goes betreffende de sententiën op de 14e november 1692 door de Magistraat der Stad Goes in die tijd, gestrekt tegen enige heren van de regering en burgers van Goes, 'mitsgaders van de acte van nadere uijtsprake over de voorseide sententiën, door Sijne Majesteit als Stadhouder deser provincie op den 16 december 1692 gedaan'. Met eenparigheid van alle leden 'wordt goedgevonden en verstaan bij desen te annuleren en vernietigen en te houden als of niet in wesen waren geweest, alle de voorseide sententiën, gewezen tegen mr. Mattheus Eversdijk, mr. Adolph Westerwijck, mr. Johan Westerwijck, Johan van der Hille, Johan Verkat en Marinus van Beijsselaar, gelijck ook also vernietigt ende als niet in wezen gehouden werd de voornoemde acte van Sijne Majesteit 's uijtsprake van den 16 december 1692. Beijde soo ten aanzien van het honorabele als het personele ende soo wel ten reguarde van de voorseide gesententieerden als van de heren mr. Wilhelm de Braauw, Marinus van Ossewaarde, mr. Gerardt Verbergh, doctor Casper Rontvis, mr. Cornelis van Zunder, Johan Drywegen en mr. Jacob Leydekker, die vervolgens in kracht dezes alle werden gerehabiliteerd'.

In juni 1702 constateert het stadsbestuur dat de Staten van Zeeland hebben besloten dat voortaan geen gedeputeerden zullen worden toegelaten 'die aan den Lande zijn comptabel'. Omdat de beide burgemeesters (Eversdijk en Westerwijk) weer (zoals vóór 1692) rentmeester zijn geworden, betekent dit dat ze geen statenvergadering meer kunnen bijwonen. Het stadsbestuur oordeelt dat 'beide heren, door haare langdurige comparitie en ervarentheijd gewoon en bekwaam tot het behandelen van staatszaken, niet dan tot ondienst van den Lande en van deze Stad konden absenteren van haar vergadering, maar daartoe na voorgaande deputatie van deze begeving behoorden te blijven geëmployeerd'.

Beide burgemeesters worden gemachtigd het daar heen te leiden dat de ambten van rentmeester op de voordeligste wijze worden geconfereerd aan hun zonen, namelijk de ontvang van de gemene middelen van consumptie aan Nicolaas Eversdijk en de ontvang van de zogenaamde geestelijke goederen aan Adolf Westerwijk, secretaris van de stad. Het stadsbestuur verklaart uitdrukkelijk dat dit enkel gebeurt 'uit aanmerking van de persoonen en diensten van de heren burgemeesters, sonder dat hetselve na desen enigszins zal worden getrokken in consequentie of een voet geven om diergelijke te pretenderen'.

Tot het examineren en reviseren van alle staten- en stadsresoluties, genomen sinds het jaar 1692 tot aan het herstel van de regering, worden als commissarissen benoemd de regenten Van Ossewaarde, Adriaan Eversdijk, Cornelis van Sunder en de secretaris.

Verdeling baantjes onder de regenten

De vooraanstaande regenten werpen elkaar de functies en bedieningen toe. Zo zijn er eind december 1702 twee raadsplaatsen in de Hoge Raad vacant door het overlijden van de heren Van Cruijningen en Pieterson. Burgemeester Eversdijk verzoekt het stadsbestuur, 'als niemand uit ons college zich daarvoor aanbiedt, zijn neef, de advocaat mr. Nicolaas Keetlaar, in het begeven derselve ter vergadering van de Staten van Zeeland met de stem van de stad Goes te begunstigen'. Het stadsbestuur besluit Keetlaar met de Goese stem te begunstigen en onze deputaten in de staten te gelasten 'te arbeijden dat de heer Ketelaar tot een der voorseide functiën effective moge werden verkoren'.

De Goese gedeputeerde ter Generale Rekenkamer

De Goese gedeputeerde ter Generale Rekenkamer, de 'rekenmeester' Bernard Schorer, valt in januari 1704 in ongenade. Na rijpe deliberatie besluit het stadsbestuur de commissie, vanwege deze stad op hem verstrekt als gedeputeerde ter Rekenkamer van Zeeland, in te trekken. En 'dewijl bij deze constitutie van tijden en de menigvuldige voorvallende saaken den dienst van de provincie noodwendig komt te requireren dat deze vacante plaats wederom met een bequaam persoon werde gesuppleerd', wordt hiertoe aangesteld de regerend schepen mr. Jacob Leydekker. Leydekker wordt op zaterdag 16 februari 1704 in audiëntie ontvangen om officieel afscheid van hem te nemen wegens zijn benoeming als gecommitteerde ter Rekenkamer van Zeeland. 'Leydekker, na versogte audiëntie boven gekomen ende op een stoel geplaatst wesende, heeft haar agtbaren voorgedragen dat hij, sig tegenwoordig in zijn functie als Rekenmeester van Zeeland op commissie van haar agtbaren completelijk siende geïnstalleerd, het van sijnen indispensabilen pligt had geagt: om haar agtbaren met alle respect te komen bedanken voor de gunstige collatie van het voorseide Ampt op des selfs persoon, mitsgaders voor de eer van met haar agtbaren in qualiteit als schepen, dus lang in een vertrouwelijke correspondentie te hebben mogen regeren; dat sijn edele 't selve bij alle occasiën dankelijk soude erkennen ende benevens het interest van de provincie ook dat van de stad tragten te behartigen ende alzoo te voldoen aan de verwagting, die haar agtbaren van hem met billijkheid konden opvatten. Alle hetwelk burgemeester Westerwijk met de complimenten in naam van haar agtbaren heeft beantwoord, de heer Leydekker met zijn bediening gefeliciteerd ende insgelijks bedankt voor de goede diensten in sijn kwaliteit als schepen aan de stad gedaan. Waar op de heer Leydekker, na aan haar edelachtbaren een gelukkige regeringe ende goede harmonie onder den anderen te hebben toegewenst, van haar agtbaren met alle teikenen van dankbaarheid heeft afscheid genomen en uit de vergadering is afgegaan'. Steevast op de 1e januari komt er voortaan een nieuwjaarswens binnen van mr. Jacob Leydekker, gedeputeerde van Goes ter Rekenkamer van Zeeland, met 'een segenwens over haar agtbarens persoonen ende loffelijke Regering gedurende dit nieuw aangevangen en nog vele volgende jaren'.

De Goese gedeputeerde in Gecommitteerde Raden van Zeeland

In april 1705 vraagt de raadsheer Van der Nisse verlenging van zijn aanstelling als gedeputeerde van Goes in Gecommitteerde Raden van Zeeland en ter Admiraliteit van Zeeland. Na rijpe deliberatie en om gewichtige redenen besluit het stadsbestuur zijn verzoek niet in te willigen en dit ambt vacant te verklaren. Het stadsbestuur oordeelt dat 'de dienst van de provincie in 't algemeen ende van deze stad in het bijzonder vereist, dat die plaats hoe eerder hoe beter met een ander bequaam persoon behoorde te worden gesuppleerd'. Met eenparige stemmen verkiest men de regerend burgemeester mr. Mattheus Eversdijk tot het Goese lid in Gecommitteerde Raden vanaf 1706. Eversdijk wordt gefeliciteerd 'met toewensinge van alle prosperiteit in het voorseide ampt ende gerecommandeerd gedurende zijn bedieninge wel ende getrouwelijk met ende beneffens den gemenen dienst van den lande, ook het welwezen van deze stad en goede borgerie, mitsgaders van het Eiland van Zuid-Beveland, als een goed en getrouw Gecommitteerde Raad te betragten, van tijd tot tijd met dese Regeringe te houden goede correspondentie, en alle voorvallen, dese stad en Eiland rakende, haar edelachtbaren te communiceren, en insonderheid behoorlijke reflectie te nemen op de recommandaties van haar agtbaren tot vacante ampten, staande ter dispositie van Gecommiteerde Raden'.

Eversdijk bedankt het stadsbestuur met toewensing van alle tijdelijke welstand over hun personen, regering en familie, betuigende niet anders te willen beogen als met haar achtbaren te leven in een goede harmonie, zoals een goed en getrouw Gecommitteerde Raad betaamt te doen, ook haar agtbarens intentie in het begeven van de ambten te zullen nakomen. Vanwege de promotie van burgemeester Mattheus Eversdijk tot Gecommitteerde Raad van Zeeland en Raadslid ter Admiraliteit komt het ambt van burgemeester vacant. Het stadsbestuur verkiest tot nieuwe burgemeester Johan Drywegen.

Functies en bedieningen

Ook de stadsrentmeester Oyee verdwijnt met de verandering van de stadsregering van het toneel. Enkele leden van het stadsbestuur (Drywegen, Smytegelt en secretaris Westerwijk) worden afgevaardigd 'om sig te begeven ten huijse van den administrerende Rentmeester Oyee en den selven door order van de Regering af te vorderen visie en overlevering onder behoorlijke recepisse van alle de ordonnantiën door hem tot dato dezes van stadswegen betaald met bevel in het toecomende geene betalingen meer te doen dan op ordonnantiën bij de tegenwoordige Regering geslagen'. Staande de vergadering begeeft dit drietal zich naar het huis van de rentmeester. Ze ontvangen uit zijn handen 'dry betaalde ordonnantiën tesamen bedragende £ 30'.

Tot boekhouder of administrerend rentmeester voor 1703 en 1704 wordt gekozen Marijnis Smytegelt de oude en tot toeziend rentmeester Jacob van de Lerse de oude. De schepen Josias Smytegelt verklaart 'sig tot meerder verzekering van sijns vaders administratie te constitueren als borge'. Voor 1705 wordt verkoren tot administrerend rentmeester Cornelis Weldijk en tot toeziend rentmeester Mattheus Eversdijk en voor 1706 tot administrerend rentmeester Cornelis Hogesteeger en tot toeziender Blaas Janse Tuttelbach.

Op 23 juni 1702 maakt de nieuwe magistraat korte metten met een aantal functies en bedieningen. Het stadsopzienersambt op stadswerken, bediend door Caspar Verstelle, wordt vanaf nu gehouden voor vervallen. Om 'goede redenen' wordt Pieter Gadeniere, organist en klokkenist van de Grote Kerk, van zijn ambt en dienst ontzet. Ook de stadsgriffie moet het ontgelden. De beide secretarissen Johan Eversdijk en mr. Pieter Lammens krijgen ontslag. Hetzelfde gebeurt met de opperklerk Matthias Huige en de onderklerk Cornelis Oyee van de griffie. In hun plaats komen als opperklerk Jacobus de Brawanter en als onderklerk Johan Adrianus van Wissekerke. Maar ook de stadsboden ondervinden de gevolgen. Omdat er altijd slechts drie stadsboden zijn geweest en sinds enkele jaren Dirk de Coo als vierde bode is aangesteld, besluit het stadsbestuur het aantal stadsboden als vanouds te verminderen tot drie. Zodoende wordt stadsbode Dirk de Coo ontslagen. Ook de beëdigde ijkmeester van de stad Hendrik Mispelblom krijgt ontslag. In zijn plaats komt Willem Goeree. Ook de majoor van de stad, Leendert Eyermeet, ondergaat dit lot. De nieuwe stadsmajoor wordt Jan de Kock. Overigens dient hij maar kort, want op 29 november 1706 is hij overleden. Zijn opvolger is Cornelis Verthoren.

Door het ontslag van de secretarissen Johan Eversdijk en Pieter Lammens komt één van de secretarisambten vacant. Alleen mr. Johan Westerwijk neemt waar als secretaris. Het stadsbestuur besluit 'uijt aanmerking van de trouwe en aangename diensten, die de stad van over vele jaren herwaarts van de voorouders van de heer Adolf Westerwijk Adolfzn. heeft genoten, Adolf Westerwijk tot secretaris van de stad te benoemen'. Hij wordt per brief ingelicht. De jonge Westerwijk verkeert nu te Leiden 'om aan de Universiteit aldaar te obtineren sijne promotie tot beijde regten doctor'. Vanuit Leiden stuurt hij een bedankbrief 'voor de gunst en eer in de collatie van het secretarisambt'.

De ontslagen secretarissen Johan Eversdijk en mr. Pieter Lammens worden gesommeerd om 'op morgen ten acht uren in handen van onze commissarissen over te leveren de sleutels van de griffie, van de ijserkist en de kasse op de secretarije, mitsgaders om te doen opening van de geconsigneerde penningen en de secrete kas'.

Er worden drie nieuwe notarissen in de stad toegelaten, namelijk in 1703 Anthony van Ossewaarde en in 1704 Adriaan van Oostee en Francois de Keijser.

De schout Hubertus Drywegen neemt in 1706 'om redenen' ontslag. Sedert 18 augustus 1703 was hij in functie. Hij wordt bedankt 'voor de goede en getrouwe diensten in zijn functie tot nog toe gedaan'. Wat deze redenen zijn blijkt spoedig. Door het overlijden van Johan van Wiskerke vaceert het ambt van Fiscaal van het landrecht. Het stadsbestuur benoemt Drywegen in deze functie. Wel vindt men het noodzakelijk de vacature van schout hoe eerder hoe beter door een ander bekwaam persoon te vervullen. Het verkiest tot civiele schout de baljuw Adriaan Vogel, heer van Steenvliet, en treft een financiële regeling voor deze nevenfunctie.

In mei 1706 wordt het door de 'onpasselijkheid ende onbequaamheid' van de stadsbode Hieronymus Smallegange 'in het waarnemen van alle commissiën ende andere ordinaire en extra-ordinaire stadsvoorvallen' teveel voor de andere twee stadsboden. Het stadsbestuur besluit Quirijn Wauwelaar tot vierde stadsbode aan te stellen 'buiten beswaring van de stad', alleen onder het genot van de emolumenten op dat ambt vallende, mitsgaders van de vrije woning onder het stadhuis met brand, licht, etc. Smallegange zal 'sijn leven lang geduerende behouden den titul van geregtsbode, met het vaste traktement daartoe staande'.

Er zijn nog tal van andere functies en bedieningen. Zo wordt elk jaar een inwoner begunstigd met 'het spannen van den reep op de Nieuwe Beestemart, beneffens het sluijten van de kettingen voor de Suijvel Marct in de Lange Vorst des dynsdags'. Ook heeft iemand 'het opsigt ofte aansteken van Stads lanteernen, het ruymen van stads vangputten, 't openen en schoonmaken van de aldaar naastbij gelegen watergoten, 't suijveren van Stads poorten en de andere gemeene plaatsen van vuijlnishoopen'.

Financien

De stadsmiddelen bestaan voor een groot gedeelte uit de imposten op de wijnen (in 1702 £ 874) en de bieren (in 1702 £ 501). Verder uit tal van verpachtingen en verhuringen zoals de pachtinkomsten van het visboek, de lepel- en korenmaat, de oly- en azijnimpost, de ellemaat, het kaaigeld, de turf- en appelmaat, de kalk-, kool- en trasmaat, de ravelijnen waar de molens op staan, de vesten voor bevissing, recognities voor benoemingen, etc.

In juni 1702 wijst het stadsbestuur burgemeester Eversdijk en de regenten Ossewaarde en Drywegen aan tot het opnemen van 'de bekende secrete kasse, mitsgaders omme te examineren den staat van de Stads financiën'. De regenten Rontvis, Van Zunder en secretaris Westerwijk worden aangewezen 'om te examineren de nieuwe lijste van de hooge en exorbitante salarissen van de griffie en die naar redelijkheid te redresseren en te verminderen'. Uit de inspectie komen verscheidene onvolkomenheden aan het daglicht. Uit het overleg met de stadsrentmeester Johan Ossewaarde over de staat van 's stads financiën blijkt dat Martynis Oyee als ontvanger van de 100e penning 'de huysen over het jaar 1699 nog ten agter is de somme van £ 313.4.5'. Ossewaarde wordt gelast deze 'agterheid door Stads paraat regt van executie ofte bij gijzeling geheel in te vorderen tussen nu en agt dagen'. De 100e penning over 1700 dient prompter als voorheen voldaan te worden, opdat 'de eer van de stad werde geconserveerd'.

Matthias Huige, gewezen rentmeester van 's Lands wachten, was bij het sluiten van zijn laatste rekening 'aan den Lande' verschuldigd de kapitale som van £ 506.18.5. Hij heeft 'huis en alles geabandonneerd, bovendien achterlatende verscheidene particuliere schulden'. Het stadsbestuur besluit z'n goederen te verzegelen en de boeken en documenten, tot de ontvang van 's Lands wachten en de Heerlijkheid van Borssele behorende, te zijnen huize af te halen. Beide secretarissen worden gemachtigd 'tot het redden van de geabandonneerde boedel, de effecten te verkopen, de restanten te innen en deze eerstdaags te verrekenen'. Vanwege de schadelijke gevolgen besluit het stadsbestuur dat de administrateurs van stadsmiddelen voortaan de vereiste borgtochten dienen te voldoen. Deze zijn sinds enige jaren niet ingevorderd. Door het financiële onvermogen van Matthias Huige is het inkomen van 'het middel van den daalder' niet genoegzaam om daaruit de extra ordinaire onkosten van de wachthuizen, rondom dit eiland opgericht, te kunnen voldoen. Het stadsbestuur besluit de stadssecretaris Johan Westerwijk, in zijn functie van ontvanger van de middelen van 's lands wachten, 'te autoriseren om tot last van hetselve middel van den daalder onder guarand van de stad, een capitaal van £ 200 Vlaams op interest te negotiëren, waaruit de meest krijtende schulden zullen moeten worden voldaan'.

In 1706 besluit het stadsbestuur in het vervolg ook kaaigeld te heffen voor inkomend brandhout. Voor ieder van buiten de stad inkomend vadem brandhout geldt een tarief van één schelling en acht grooten, van duizend harde blokkelen zes grooten en van duizend zachte blokkelen drie grooten.

Bloemlezing uit de stadsrekeningen van 1702 - 1706.

1702

Betaald in 1702 aan de huisvrouw van Marines Anthonisse 'voor het wieën en suveren' van het gras op de markten £ 5; kapitein Boogaart zijn gedaan verschot in het uitschepen en op den Toorn brengen van enig kruijtcoek £ 0.13.11 en voor tgeen hij betaald heeft aan die met 't kanon geschoten hebben £ 1.10.0; Huibrecht Janse Rijke voor levering van 1550 bossen rijs, 300 staken en 100 bossen gaarden; Nicolaas Engelse voor leverantie van galnoten £ 5.19; kapitein Boogaart over wat hij heeft betaald voor 8 trommelvellen £ 1.10; de weduwe van Adriaan Verschore voor leverantie van brood voor 's lands gevangenen £ 1.10.3; Elias de Zwarte zijn gage voor het luiden van de middagklok £ 7.0; de schutterij van de Handboog voor haar schaapsbuijk £ 1.13.4 en die van de Cruisboog £ 4.14.6; voor de twaalf personen die de klapperwacht waarnemen £ 100; ds. Jan Fargé als Frans predikant zijn traktement £ 33.6.8.

1703

In 1703 voor het vangen van zes zeehonden op de binnenstromen £ 3; aan Adriaan van Beijsselaar voor een nieuwe riem in de klocke van de Kleine Kerk £ 0.7.0; Jacob van de Vijver voor reparatie van de stadslantaarnen £ 2.7.8; Hendrik Morgen voor de koop van 20.000 Lekse stenen £ 26.15.0; Cornelis van Sunder voor levering van 767 olmenbomen voor £ 46; Marines en Josias Smytegelt voor levering van olij £ 32.19; Adriaan van Ingen voor levering van kaarsen £ 38.

1704

In 1704 aan Cornelis Wagenaar voor het leveren van een Soutmate £ 3.0.0; Jan Rompu voor het maaien van stadswallen en Hoogerwerf £ 1.3.4; Jacob Binnenhof, scheepstimmerman, voor reparatie aan de stadsboot en mol £ 2.16.0; Carel Nieuwenhuyse voor het maken van de lantarenstaecken, verschot aan de arbeiders in het afnemen van de lantaernen mitsgaders van de oly £ 12.0.0; Pieter Wauwelaar voor het repareren van de schaaljedaken soo van de Franse school, Franse kerk, Latijnse school, de beurs en het stadshuis daar Sr. Jan Westerwijk woont £ 22.0.0; aan majoor Jan de Kock voor verschot aan de arbeiders int schieten der fictory £ 2.15.10; Willem Tromp voor het maken van een sonnewijser aan de Kleijne Kerk £ 2.0.0; Jan van de Wal voor het leveren van 34.100 straatsteen voor £ 167.13.2; majoor Jan de Kock hetgene hij verschoten hadde in fictory schieten over Gibraltar den 17 september 1704 £ 2.8.8; voor het matten en krammen van de haven evenals de zeedijk £ 76.12.5.

1705

In 1705 aan Hans Juriën, meester scherprechter, wegens het publiek geselen van Aaltie Hendriks van Aalst £ 6.0.0; 'tot voldoening van 't gene hen van haar edel achtbaren is toegeleyd over smerte, verlet en meesterloon van der selver wonden, ontvangen door het aangaan van buskruijt omtrent het lossen van Stadscanon' £ 8.10.0; aan de kerk voor het gebruik van 503 roeden land gelegen voor de Koepoort waar het straatmis wordt gebracht jaarlijks £ 4.6.8.

1706

In 1706 aan Marcus Laurusse van de lijnbaan voor het leveren van repen voor de korenmolen en touwen £ 10.6.8; Hendrik van Swesering voor het geselen 'van sekere beursesnijder' £ 0.10.0.