Aanvulling? Meld het hier.
<<

Zorg (1702 - 1706)

Stadsdokters

De uit Middelburg afkomstige Gaspar Rontvis, als gevolg van 'de onrechtveerdige handel van den jare 1692 enige jaren ontset geweest sijnde' van zijn functie, verklaart z'n vorige bediening van stadsdoctor weer te willen aanvaarden op gelijk traktement en dienst als vanouds. Het stadsbestuur vindt dit goed, waarop Rontvis 'in sijne herstelling wordt gefeliciteerd'. Doctor Pieter Verijser krijgt als gevolg daarvan ontslag als stadsdoctor.

Door het overlijden in november 1705 van Gaspar Rontvis en Adolf van Oostee ontstaan er twee vacatures van 'stadsdoctorsampten'. Met eenparige stemmen verkiest het stadsbestuur tot 'deser stede doctoren' Christoffel Annaard en Andreas Zomerzee, ieder op een traktement van £ 25 Vlaams per jaar, te betalen voor £ 20 door de stadsrentmeester en £ 5 ten laste van het gasthuis.

In mei 1706 krijgen de voogden van de wezen van de overleden doctor Adolf van Oostee en zijn kort daarna overleden weduwe Magdalena van Wiskerke toestemming om te verkopen een woonhuis aan de westzijde van de kaai 'daar de overledenen in sijn gestorven' (Kleine Kade nummer 47), 7 gemeten en 230 roeden hof en boomgaard met 'den timmer' buiten de Oostpoort, genaamd het 'Valckeslot', en een zoutkeet aan de haven.

Apothekers

De dekenen van het chirurgijns- en apothekersgilde, Adriaan de Visscher, Henricus Hallewaard, Nicolaas Ratel en Thomas de Wolff, betogen in 1704 'hoe dat ze bij verscheidene reizen zijn vergund dat niemand buiten de gilden vermag de konst der chirurgie en 't raseren tgeen daer aan dependeert te doen, alsmede met de konst der pharmacie te oefenen, tsij int verkopen of leveren van eenige medicijnen ten sij dat hij van de voorseide konsten alvorens sijn proef heeft gedaan en nochtans niettegenstaande deze orders so siet men dagelijks dat verscheidene menschen in deze stad en van buijten de voorseide konsten oefenen, so in het verbinden, raseren als de sieken te gaan visiteren en medicijnen te leveren, twelk alles is strekkende tot nadeel van ons en onze gildebroeders'. Ze vragen het stadsbestuur om een ieder die geen proef gedaan heeft 'te verbieden in beide konsten iets te ondernemen als accidenten te verbinden, raseren, medicijnen te verkopen en voorts het gaan visiteren van de sieken en wat dies meer is tgeen alleen de heren docters medicine toekomt'.

Chirurgijns

Het stadsbestuur ontzet in 1702 Hieronymus Peuteman uit zijn functie van stadschirurgijn. Het arm-, gast- en weeshuis zal in plaats van door twee, voortaan door drie chirurgijns worden bediend, mits de stadsfinanciën hierdoor niet worden verzwaard. De salarissen van de twee chirurgijns zullen voortaan evenredig over de drie chirurgijns worden verdeeld. Cornelis Hoogenhoed (Beestenmarkt nummer 18) mag chirurgijn blijven. De beide nieuwe chirurgijns zijn Henry Hallewaard en Adam van de Lerse (wonend in het pand 'Zierickzee' aan de Grote Kade nummer 12).

Het chirurgijngilde dient in juli 1702 een klacht in over Jan Carelse. Deze geeft zich uit als chirurgijn. Het stadsbestuur besluit Carelse te verbieden zich voortaan te laten gebruiken 'tot raseren (scheren) ofte baardscheeren, en deselve te doen aanseggen, dat hij sijn scheerwijnkel sal hebben te sluijten en vervolgens het bekken van voor sijn deur aanstonds in te trekken, op de boete van 10 schellingen te verbeuren voor ijder persoon die hij desen contrarie bevonden sal worden te hebben geraseert'.

In augustus 1702 krijgt de meester chirurgijn Adolf de Groene een attestatie wegens goed gedrag. De schepen Johan van der Lugt wenst echter de aantekening in de notulen 'dat hij hier tegen heeft geprotesteerd'.

Vroedvrouwen

De verandering van de magistraat heeft zelfs ook gevolgen voor de stadsvroedvrouwen. Maria Burggraaf, de vrouw van Johannes Le Maire, krijgt weer het genot van haar oude traktement van ₤ 12.6.8 als stadsvroedvrouw. Johanna de Wit, die dit tractement tot nu toe genoot, wordt uit haar ambt ontzet.

In juli 1702 constateert het stadsbestuur dat het traktement van de stadsvroedvrouwen, eertijds ₤ 12.6, sindsdien is vermeerderd tot ₤ 20.2. Besloten wordt de traktementen van beiden gelijk te stellen en vervolgens weer te verminderen tot ₤ 12.6 zoals vanouds. Maar vanaf 1703 wordt het traktement van beide stadsvroedvrouwen weer verhoogd tot £ 16.13.4 per jaar.

Gasthuis

Het gasthuis wordt bestuurd door een college van enkele zogenaamde buitenregenten. Tot buitenregenten van het gasthuis worden in 1702 weer in ere hersteld mr. Adriaan Eversdijk en op nieuw verkoren Johan Drywegen en Anthony Smytegelt. Ze komen in de plaats van de heren Van Doorn, Willem van Weele en Cornelis Hoogenhoed. Tot buitenmoeders worden (bij continuatie) benoemd de weduwe van wijlen Adriaan Huige, Maria Barentse, echtgenote van Mattheus Oyee, en Abigail van de Lerse, weduwe Van Angeren.

In 1705 krijgen de regenten van het gasthuis machtiging om voor de hoogste prijs te verkopen zekere 150 roeden zaailand van het gasthuis, gelegen in het noordambacht van Kloetinge. Ook in 1706 verkoopt het gasthuis met goedkeuring van het stadsbestuur enkele eigendommen, namelijk een stukje zaailand in 's Gravenpolder in Westhouc aan burgemeester Adolf Westerwijk en 160 roeden zaailand in het zuidambacht van Kloetinge in de Groe aan burgemeester Cornelis van Sunder.

Oude mannen- en vrouwenhuis

In deze periode worden de functies van buitenregent als regel toegewezen aan regenten of hun echtgenotes of weduwen. Dit blijkt wel uit de mutaties in het college van regenten van het Oude manhuis in deze jaren. De buitenregenten Johan Eversdijk en Martinus Oyee en de buitenmoeders Maria Eversdijk, weduwe van de vroegere 'rekenmeester' Dignus Nollens, en de echtgenotes van Cornelis Hoogenhoed, Adriaan Oyee en David van Essen worden in 1702 ontslagen. In hun plaats worden benoemd burgemeester De Perponcher en Josias Smytegelt, naast de zittende regenten Jacob van der Houven en Jacob de Hamer. Tot buitenmoeders worden benoemd Elisabeth van Oostee, echtgenote van secretaris Johan Westerwijk, de echtgenote van mr. Adrianus Eversdijk, Susanna Smallegange, weduwe van de heer Ysebree en Magdalena van der Straten weduwe van Jan de Kock.

In augustus 1704 worden tot buitenregenten in de plaats van Josias Smytegelt en Elisabeth van Oostee, echtgenote van secretaris mr. Johan Westerwijk, verkoren burgemeester Cornelis van Sunder en Maria Boone, echtgenote van burgemeester Adolf Westerwijk. Ook worden in 1704 verkoren tot buitenregent van het oude mannenhuis Johan Verlugt en tot buitenmoeder Blasina van Laken, echtgenote van Michiel Boidens. In 1706 wordt tot buitenregent verkoren de stadssecretaris Johan Westerwijk in de plaats van Jacobus de Hamer. Tot buitenmoeder in de plaats van Susanna Smallegange, weduwe van de heer Ysebree, wordt aangesteld Adriana Beerense, echtgenote van Pieter Somerzee.

In oktober 1702 laten de buitenregenten van het oude mannen- en vrouwenhuis als 'domestyc' toe een zekere Joos Verlugt, oud 40 jaar. Dit is echter in strijd met de resolutie van 1684 dat geen personen beneden de 50 jaar in het huis mogen worden opgenomen. Ze krijgen desgevraagd alsnog toestemming 'Joos Verlugt als domestijcq in tselve huijs te admitteren'. In november 1702 blijkt dat Bernardus Verheule, wonende in het oude mannenhuis, 'sig onlangs aldaar seer grovelijk heeft misdragen, tegen de expresse order van de heren buitenregenten van hetselve huis. Ende niettegenstaande hem was verboden in zes weken aan de gemeene tafel te komen spijzigen', wordt besloten Bernardus door de regenten te doen aanzeggen, 'dat hij zich voor de tijd van zes weken buiten het huis zal hebben te houden, zonder daar binnen te komen en bovendien moet bekostigen de reparatiën, die noodzakelijk moeten worden gedaan aan hetgeen door hem verbroken en beschadigd is'.

De buitenregenten van het oude mannenhuis krijgen in 1702 machtiging 'als domestijcquen aan te nemen Johan Adriaansz. van Wissekerke, oud 38 jaar, en de krankenbezoeker Willem Wijsweijler, oud over de 70 jaar, om zich in het huis te besteden'. In 1703 overlijdt in het oude mannenhuis de weduwe Soetemond, domestieke van het huis. Zij woonde in een vertrek naast het manhuis aan de westzijde. Haar erfgenamen willen dit optrekje verkopen. Omdat 'dit huysken altijd bewoond is geweest door domestycquen' wordt op verzoek van de buitenregenten besloten het aan te kopen en aan het manhuis in eigendom toe te voegen. Temeer daar 'door een dagelijkse toevloed van inkomende personen weynig logementen meer ledig waren'.

Ook in september 1705 vragen de buitenregenten toestemming iemand van onder de vijftig jaar in het oude manhuis als domestiek aan te nemen. Het betreft dominee Stringlius, gewezen preceptor van de Latijnse school te Middelburg. Dit wordt toegestaan 'mits hij aan en ten behoeve van het huis een lijfrentebrief ten laste van de provincie van £ 150 Vlaams kapitaal ten lijve van hem cedeert'. Ook wordt in 1705 de 44-jarige Jacoba Ratels, weduwe van Jan Jorisse, 'als domestijk toegelaten tot het oude mannen- en vrouwenhuis, als zijnde onder de ordinaire leeftijd van 50 jaar'.

In 1706 machtigt het stadsbestuur de buitenregenten 'om de inkomende gelden, die zij nu ofte in der tijd buiten de ordinaire huishouding in casse souden mogen hebben, aan 's stads rentmeester ten laste van dese stad te verstrekken op lijfrente ten lijve van domestijquen van 't selve huis'. Het gaat om een kapitaal van ongeveer 30.000 gulden.

Weeshuis

Tot buitenregenten van het wees- en armenhuis worden in 1702 weer aangesteld de in 1692 ontslagen Marinus van Ossewaarde en doctor Gaspar Rontvis (in de plaats van de ontslagen Johan van Dorth en Pieter Lammens), naast de zittende Michiel Boidens en Marinus Smytegelt de oude. Buitenmoeders blijven de weduwe van Hendrik Coppenol en de echtgenotes van Jacob Bouwens, Johan van Ossewaarde en Josias Smytegelt. In 1704 verkiest het stadsbestuur tot mederegenten juffrouw Schermerhuis, echtgenote van de predikant Petrus Schermer, en juffrouw Petronella Westhoeve, echtgenote van Mattheus Eversdijk.

In april 1705 ontfermt het weeshuis zich over de nagelaten drie minderjarige kinderen van Arnout Bosman, die onlangs naar Indië is vertrokken. Tot hun onderhoud is in de boedel 'niets anders bevonden dan een maandbriefken van £ 7 Vlaams 's jaars uit huns vaders gage'. De twee jongsten worden in het weeshuis opgenomen.