Aanvulling? Meld het hier.
<<

Algemene toestand (1707 - 1710)

Burgemeester Westerwijk bezoekt als afgevaardigde van Goes op 7 februari 1707 de statenvergadering. De onderhandelingen over vrede met de Koning van Frankrijk komen daar aan de orde. Daags tevoren voert hij hierover ruggespraak met het stadsbestuur. Hij memoreert 'de preliminaire conditiën door de geallieerden aan de Koning van Frankrijk tot de onderhandeling van een generale Vrede in Europa in 't laatst van voorgaand jaar gehouden'. Deze condities werden door de Koning van Frankrijk verworpen. Westerwijk geeft het stadsbestuur 'met deductie van vele redenen in bedenken, dat de Koning nieuwe voorslagen met enige verzachting van de pretensiën van de geallieerden worden gedaan. En daarbij speciaal aan Philippus, soons soon van de Koning, gecedeerd de Koninkrijken van Napels, de geprojecteerde Barrière voor desen Staat in Vlaanderen en Brabant, soo ten opzichte van de eigendom als van de bezetting der steden en sterkten aldaar met militie van de Staat'.

Op 23 augustus 1707 beraadt het stadsbestuur zich over een resolutie van Haar Hoog Mogenden van 4 augustus 'concernerende de sessie van de Prins van Nassau (Johan Willem Friso) als Stadhouder in den Raad van State en daar benevens de resolutie van de Staten van Overijssel van 22 april 1707, over hetselve subject, ter vergadering van Haar Hoog Mogenden overgeleverd, behelzende een propositie om met de bondgenoten te treden tot meerder vaststelling van de republicaire regering deser geünieerde provinciën, met een geheele vernietiging van het Stadhouderschap, laatst bekleed geweest door Sijne Majesteit van Groot Brittannië, William de Derde saliger gedagtenis'.

Het stadsbestuur besluit 'vermits de importantie van derselver inhoud, de Heren Gecommitteerde Raden van Zeeland bij missive expresselijk te verzoeken tegen aanstaande samenkomst van haar edelmogenden, de heren Staten van Zeeland, van dit aanzienlijk belang van Staat, een poinct van beschrijvinge aan de respectieve vroedschappen toe te senden, overeenkomstig sijne grootheid met bijvoeging van een afschrift der gemelde resolutie van de Heren Staten van Overijssel opdat daar in worde geprocedeerd naar de meeste order van het land'.

De Staten van Zeeland sturen op 11 maart 1708 bericht 'dat haar edelmogenden op de adviezen van de groote armatures van den vijand te water hadden geresolveerd alomme in de quartieren van dese provincie van nu af aan te introduceren wekelijks avondbedestonden'. Het stadsbestuur besluit de brief te publiceren en aan de kerken te zenden.

Op 30 juli 1708 schrijft het Goese lid van Gecommitteerde Raden, de raadsheer Mattheus Eversdijk, vanuit Middelburg dat 'de vijand met enige troupes was gevallen in het Eiland van Cadzand en alomme besig met branden en blaken, vlugtende de opgesetenen van daar in groote menigte: welke advysen wesende gelesen, hebben haar agtbaren, bedugt sijnde of niet misschien den vijand eenige verdere ondernemingen tegen de nabuurige quartieren van Vlaanderen mogt aanvangen en daardoor dit eiland in gevaar gesteld van diergelijke invasiën subject te wesen'. Het stadsbestuur besluit de gerechten van de geëxponeerde parochiën bij missive aan te schrijven 'teneinde de opgesetenen van derselve district, voorsien met bequaam schiet- en sijdgeweer, zullen paraat houden om bij onverhoopte noodsakelijkheid alle vijandelijk geweld van desen Eilande te konnen afweeren'. Verder besluit het stadsbestuur burgemeester Westerwijk, die thans de statenvergadering bijwoont, 'de securiteit van dit Eiland aan haar edelmogenden op het nadrukkelijkste te recommanderen'.