Aanvulling? Meld het hier.
<<

Economische bedrijvigheid (1707 - 1710)

Brouwerijen

De brouwersbaas van brouwerij 'het Witte Claverblad', Ysaac Lalleman, overlijdt in december 1705. Z'n weduwe, Anna Lely, zet de brouwerij aan de Beestenmarkt voort als brouwster. In 1708 staat één van de vier brouwerijen stil. De gezamenlijke hypothecaire crediteuren op de brouwerij 'de Weereld' geven te kennen dat ze in het leven van brouwersbaas Jacobus de Hamer via een publieke veiling hebben getracht, met zijn bewilliging, de brouwerij te verkopen. Dat is mislukt. Nu De Hamer is overleden en z'n weduwe verhuisd is naar de Swake ligt de brouwerij 'ledig en voor alle ongemak open'. De Hamer heeft in zijn leven ten behoeve van de crediteuren afstand gedaan van het pand om het te verkopen. Omdat niemand interesse heeft in de brouwerij, verzoeken ze als sequesters te mogen optreden. Hun verzoek wordt afgeslagen omdat eerst duidelijk moet zijn wat de erfgenamen met de boedel willen. Op de 16e november 1708 is er een koopdag waarop de meubilaire goederen van de brouwerij 'de Weereld' worden verkocht. Overigens heeft de weduwe van Jacobus de Hamer, Jobina Udemans, grote problemen met haar zoon Cornelis. Ze laat notarieel vastleggen 'dat haar zoon Cornelis naar Oostindië vaare'. Als hij niet vrijwillig wil komen, krijgt ze toestemming hem door de sterke arm op haar kosten aan boord te laten brengen. De brouwersbaas Johan Hauweel van brouwerij 'de Weereld' vertrekt in september 1709 metterwoon naar Aardenburg.

Graanhandel

Op 16 juni 1709 hebben 'enige baatzoekende mensen, niet tevreden zijnde met een betamelijke winst, het bestaan om op de ordinaire dinsdagse korenmarkt alhier te verkopen Friese en andere buitenlandse tarwe, deselve plaatsende in de gewoone order en rijen tussen en nevens het inlands gewas ende daar voorstellende bekende huisluiden even als ware deselve tarwe in de provincie of eiland gewassen, waardoor de kopers bij desen hoogen prijs der graanen seer werden misleid en verkort'.

Het stadsbestuur besluit 'tegen desen bedriegelijken handel te voorsien en een yder bij publicatie te waarschuwen ende interdiceren, dat van nu voortaan geen tarwe, buiten deze provincie gewassen, sal mogen worden gebragt, veel min verkogt op de ordinaire plaats van de korenmart alhier'. Als iemand op de korenmarktdagen wil verkopen 'bij de sakke', zal hij die moeten brengen en opveilen aan de oostzijde van de gewone korenmarkt 'opdat den koper, deselve tarwe door dese separatie van plaats voor buitenlands gewas kennende, sig daar na moge reguleren'.

Elk jaar worden de koren- en zoutmaten en de gewichten en droge en natte maten geijkt. De tinnegieter Adriaan Smallegange krijgt in 1710 vergunning om, samen met Jan Snoep, de gewichten en natte en droge maten te ijken.

Wijnnering

De wijnnering floreert deze jaren kennelijk. In 1707 krijgen Joris Daniëlse, Jan Sparke, doctor Johan Hauweel en Jacobus Ovaa vergunning om de wijnnering als vrije wijnverkopers uit te oefenen, 'voor de eerste reis inslaande vier vat ofte sesthien oxhoofden wijn tegelijk'. Ook Bernardus Verheule mag in 1708 de wijnnering als vrij wijnkoper uitoefenen. Maar in 1709 wordt zijn vergunning 'om goede redenen' weer ingetrokken. Hij mag deze binnen zes weken niet voortzetten. Binnen deze tijd zal hij 'alleen sijne wijnen vermogen uit te steken en langer niet'. Ondertussen moet hij zich onthouden van brandewijn te schenken. Ook Joos de la Sable mag vanaf 1709 de wijnkopersnering uitoefenen. In april 1710 krijgt Jan Adriaansz. van Wiskerke, die in het huwelijk is getreden met Catharina van de Welle, die ten tijde van haar weduwschap de vrije wijnstekersnering heeft uitgeoefend, vergunning om opnieuw de vrije wijnnering te doen. Eenzelfde vergunning krijgt dit jaar ook Jan Amper.

Zoutnering

Ook is er nog steeds een levendige zoutnering. In deze periode is er met acht zoutketen wel het een of ander te doen, namelijk wat betreft de keten van de eigenaren Abraham Schipper, Adriaan van Damme, Marynis Drywegen, de weduwe De Koning, Thomas van Wynkel, Zywert van de Bilt, Francois de Keyser en Willem van Weele.

Toch doen zich nogal wat problemen voor. De pachter van het zoutgeld over stad en eiland beklaagt zich dat de zoutverkopers binnen de stad, zonder onderscheid van grossiers of van kleine winkeliers, in het uitventen van zout allerlei soort en maten gebruiken, ''t eenemaal contrarie de ordonnantie van den impost op het sout van den jare 1637 ende praktijque, in andere steden deser provincie gerecipieerd als strekkende 't selve tot prejuditie van der selver pagt'. Het stadsbestuur besluit dat voortaan alle zoutverkopers moeten aangeven wie van hen zijn zout wil uitventen als grossier en wie als kleine winkelier. De grossiers zullen hun zout 'met geen minder maat mogen uitmeten en verkopen als tot een half spint tegelijk, wel meerder maar niet minder, hetwelk de panneluiden insgelijks sal wesen gepermitteerd, volgens de praktijk te Middelburg gebruikelijk en haar agtbaren bij notariële verklaring van de collecteur van het zout aldaar gebleken'. De kleine winkeliers mogen hun zout verkopen met allerlei maat beneden het half spint en verder moeten ze zich reguleren volgens de ordonnantie op het zout. Verder bepaalt het stadsbestuur dat 'geen vleeshouwer ofte verkensslager sout sal vermogen te verkopen als onder de naam van kleine kramer'.

Het stadsbestuur verkiest de volgende 21 grossiers of zoutverkopers bij de grote maat: Joos van den Berge, Pieter Cornelisse, Blaas Geithoorn, Laurens van de Woestijne, Gillis Faveur, weduwe Sander Pieterse, Jacques Baroen, Christiaan Gelok, Laurens Verbrugge, Jacob Duinkerke, weduwe Jan Timmerman, weduwe Johan Synoutskerke, Lieven Laurusse, weduwe Samuel Bom, Gommert Wesdorp, Lucas Beddenoot, weduwe Pieter van Dueren, Jan de Vriese, Jacob van Damme, Mattheus Stevense, de rector Van den Arke, en de volgende kleine winkeliers of zoutverkopers bij de kleine maat: Joos Boone, Cornelis van Os, Jacob Murre, weduwe De Hoope, L. van Neuringe, Jacob Jorisse, weduwe Schalk, Bartholomijntje weduwe Weye, Hendrik Isselveer, weduwe Coorn en Marinus Gorsse.

In juli 1707 ontstaat er een geschil tussen Abram Schipper en Adriaan Pieterse 'over het toemaken van een opening boven het scheid tussen drie zoutpannen (twee van Schipper en één van Pieterse) in een zoutkeet, staande onder een gemeenschappelijk dak'. Het stadsbestuur beslist ten gunste van Schipper. Abraham Schipper beklaagt zich in oktober 1707 erover dat Adriaan Pieterse alsnog in gebreke blijft om te gehoorzamen aan de uitspraak om de schutting tussen de zoutpannen in hun zoutkeet weer te herstellen.

De gezellen van het arbeidersgilde klagen in oktober 1707 erover, dat zij in 'het uitlossen van het schip Friese turf in de soutketen van de heer Marinus Drywegen c.s., van de weduwe De Koning en van Thomas van Wijnkel, wegens de ongelijke en verdere distantie van het water boven andere soutketen, merkelijk waren beswaard'. Ze verzoeken, omdat daarover tussen hen en de bazen veelal moeilijkheden ontstaan, enige verbetering van loon. Het stadsbestuur besluit het loon van £ 2.14, voor het uitlossen van ieder schip Friese turf vastgesteld, wat betreft de drie zoutketen te verhogen met zes schellingen.

Abraham Schipper en Pieter Wauwelaar gebruiken gezamenlijk een zoutkeet aan de oostzijde van de haven naast de zoutkeet van Adriaan Pieterse van Damme. In augustus 1708 inspecteren enige gedeputeerden van het stadsbestuur de zoutkeet van Van Damme 'over het stoken ende koken in een ijsere vierwagen, staande aldaar op het grof sout denne, tot groot perikel van beide zoutketen'.Het stadsbestuur beslist dat Adriaan Pieterse van Damme 'de ijsere vierwagen aldaar niet meer mag gebruiken en door de vrogten daar op te laten stoken, noch overgevonkt vier daar in te koken'.

Abram Schipper en Pieter Wauwelaar en andere geïnteresseerde keetbazen beklagen zich er in 1708 over 'dat de bediende in de zoutkeet van Adriaan Pieterse van Damme, in strijd met de resolutie van 13 augustus 1708, alsnog voortgaat op een vierwagen te stoken op het soutdenne aldaar, tot vilipendie van de autoriteit van de regering en evident gevaar van der supplianten keet, staande onder één dak met die van Adriaan Pieterse van Damme en van andere naburen'. Het stadsbestuur besluit 'den bewusten vierwagen aanstonds door een arbeider, geassisteerd met 's Heeren dienaars, uit de voorseide soutkeet te doen afhalen en brengen in de corps du garde tot nader order'. Verder worden Adriaan van Damme en zijn knechts 'scherpelijk gelast op eenigerley losse ofte tilbare instrumenten aldaar niet te stoken ende niet als voor den mont van de soutpanne op pene van 10 schellingen voor 's Heeren Dienaars ieder reis te verbeuren op het getuigenis van een particulier persoon alleen'. En omdat in deze keet niet langer als tot 5 november mag worden gewerkt, zal in deze zoutkeet 'geen sout werden gesoden, tensij alvorens een bequaam vertrek, om aldaar vier te maken, voor de vrogten sal worden gemaakt'.

De zoutkeetbazen Abraham Schipper en Pieter Wauwelaar stellen in september 1709 voor om aan hun zoutkeet op het noordeinde, genaamd 'Altijd Sout', zoveel erve te mogen betimmeren als ze 'tot het stellen van een zoutpanne van nooden hebben'. Uit een namens het stadsbestuur ingestelde inspectie van 'een timmer voor een soutpanne annex haare gemeene keete' blijkt dat Zywert van der Bilt en Anthony Vermet, 'welkers eijgen erve door het maken van den voorseide timmer stond ingenomen te worden', daar tegen in oppositie komen. Ze willen zelf op die plaats twee zoutpannen laten bouwen. Van der Bilt en Vermet krijgen uiteindelijk vergunning 'voor den timmer van twee soutpannen'.

Ook zijn Francois de Keijser en Willem van Weele eigenaren van zoutketen. Hun werkbazen, Dignus Crijnse Boutens en Cornelis Cornelisse Boel, worden in1709 in het arbeidersgilde toegelaten. De zoutkeetbaas Thomas van Wynkel verzoekt in 1710 een plaats om door hem te worden betimmerd tot vergroting van zijn zoutkeet met een zoutpan. Het stadsbestuur staat hem dit toe 'tot aankweek van negotie en vermeerdering van gebouwen'. Hij mag met 'sijn voorgenomen nieuwen timmer van den noordhouck van sijn zoutkeet ten oosten op des heeren weg zes voeten uitspringen, mits dat hij deze weg daar tegen wederom ruim soo veel sal moeten uitsetten en verbreden en ten selven einde maken een insnijding in de oude haven, die met een suffisante puye afkaayen, met aarde aanvullen en met zand overstorten'.

Molenarij

Gort-, gerst- en boekweitmolens

In 1708 krijgt Pieter Amper, de eigenaar van de gort- en gepelde gerstmolen, staande op het Ravelijn de Grenadier bij de Koepoort, opnieuw vergunning voor veertien jaar om met uitsluiting van alle anderen met zijn molen te malen en te maken gort en gepelde gerst. De gort- en boekweitmaalders Levinus van Noord en Pieter de Fries van de boekweitmolen in 'de Hazaert' aan de Sint Jacobstraat nummer 52 betogen in 1708 dat ze met ingang van 1682 vergunning voor veertien jaar hebben gekregen om binnen Goes, met uitsluiting van alle anderen, de gort- en boekweitmaalderij te mogen doen. Dit octrooi is in 1695 voor veertien jaar gecontinueerd. Echter 'Janus Blommaart heeft het nu sedert enige jaren bestaan zich zelf binnen de stad op te houden met deze stijl en nering, ofschoon hij hanteert sijn meel tot Cloetinge te malen, hetselve also debiterende en komende debiteren voor lagere prijs als de supplianten en voornamelijk wel de tweede suppliant, welke zijn molen heeft gekocht voor circa £ 1700 Vlaams, niet uit dat insigt en oogmerk dat het pand in sigselven zoveel waard was, maar om het favorabel octrooi door het stadsbestuur aan Levinus van Noord zo gunstelijk verleend, alle welke verkopen van gort, boekweit, meel als anders niet alleen strekt tot groot nadeel en ruïne van hen, maar ook contrarie het door haar edelachtbaren verleende en vernieuwde octrooi is'. Ze verzoeken handhaving van hun octrooi en Blommaart zijn stijl en nering onmiddellijk te verbieden.

Schorsmolen

Lambrecht Coopman en Huibrecht van de Vlasse, de eigenaren van de schorsmolen, staande op het noordoostelijke bolwerk van de stad, geven in februari 1709 te kennen dat de molen door het verloop van de nering en lange stilstand ten enenmale onbruikbaar is. Het is niet waarschijnlijk dat deze ooit weer op gang kan worden gebracht. Ze krijgen toestemming om de schorsmolen af te breken en de materialen te verkopen.

Korenmolens

In september 1709 overlegt het stadsbestuur met Simon Zekelmeet, de huurder van de windkorenmolen en de watermolen. Hij doet zijn beklag over de geleden schade 'ter oorzaak van den stilstand van beijde molens tegelijk, soo door het langduurig besloten water in den voorleden winter als het breken van den molensteen op de windmolen, waardoor de ingesetenen sijn genoodzaakt geweest hun granen elders buiten de stad te laten breken'. Als schadevergoeding krijgt hij £ 10 Vlaams. Uit de stadsrekeningen blijken pachtinkomsten voor het gebruik van ravelijnen waar molens op staan. Zo betaalt Pieter Daniëlse voor 'de erve daar zijn oliemolen op staat'. Het betreft hier de oliemolen 'de Windhond', staande op het westcourtine nabij de westerschans, halverwege de havendijk. Deze molen is in 1720 afgebroken. Pieter Amper betaalt voor het gebruik van het Ravelijn de Grenadier waarop zijn molen staat. Dit is de van 1664 daterende gort- en pelmolen 'de Grenadier'. Ook Lambrecht Coopman betaalt pacht voor het gebruik van het noordoostelijke ravelijn daar zijn al van vóór 1613 daterende schorsmolen op staat.

Beurtschippers

De gewone tijd van het smakken (= dobbelen) naar de beurtveren van Goes op de steden Haarlem, Gouda en Amsterdam is in maart. De gildebroeders van het schippersgilde kunnen dan weer naar deze veren 'smakken'. In juni 1707 geeft Jacob Duinkerke, één van de beurtschippers op Gouda, Haarlem en Amsterdam, te kennen dat hij, 'wegens indispositie tselve veer niet wel kunnende bedienen', z'n vaartuig heeft verkocht met inbegrip van het recht dat hij op dit veer had. Hij heeft te snel gehandeld; zijn verzoek om alsnog verlenging van het recht wordt afgeslagen.

In oktober 1708 doen zich grote problemen voor met het beurtveer op Dordrecht. Met het schippersgilde is er overleg over de beurtschipper van Goes op Dordrecht en die van Dordt op Goes. Het leidt niet tot een akkoord; wel tot een brief aan het stadsbestuur van Dordrecht 'dat het veer aan dese sijde eerst van seer kleijne beginselen was gequeekt en tot nu toe met seer groote avantages voor de commerciërende ingesetenen van Dordrecht alsoo gecontinueerd', met een voorstel voor een afdoende regeling.

In september 1709 ontvangt het stadsbestuur een brief van de stadsregering van Gouda. Hierin worden bezwaren kenbaar gemaakt tegen de belasting van drie ponden Vlaams, die Goes van de burgers en ingezetenen van Gouda, 'commerciërende op deze stad', afvordert alvorens ze hun waren en koopmanschappen alhier mogen lossen. De Goudse magistraat vindt deze bepaling 'ten enenmale strijdig tegen de liberteijt van de commercie en tegen de verbonden, tussen de bondgenoten en leden van dien subsisterende'. Hierover wordt 'serieuselijk gedelibereerd' en met de dekenen van het kramers- en schippersgilde gesproken. Dit leidt tot een ontheffing van deze belasting voor de burgers en ingezetenen van Gouda, mits dat 'sij hare waren en koopmanschappen niet sullen vermogen te verkopen of uyt te leveren, als in haare schepen ende aan wijnkeliers, noch ook geen last breken, als na sullen wesen geschoten binnen de brugge'.

Tevens schrijft het Goese stadsbestuur aan Gouda 'dat haar agtbaren in het nemen van hun voorgaande resolutie ter belasting van de potschepen, geen de minste reflectie hebben gehad op de burgers van Gouda, maar dat die alleen tendeerde tot voorkoming van fraudes en misbruiken'. In april 1710 komt er opnieuw een brief van Gouda. De strekking hiervan is dat 'indifferentelijk alle damschuiten, voerende goederen en koopmanschappen van burgers en ingezetenen van Gouda, zonder betaling van de belasting van de drie ponden Vlaams mogten worden toegestaan om hare lading alhier te mogen lossen en verkopen'. In deze brief doen ze gelijk een voorstel 'twelk haar edel agtbaren oordelen voldoende te zijn om weg te nemen de grieven, die haar agtbaren tot de voorseide belasting van drie ponden Vlaams hebben bewogen'. Alle alhier invallende damschuiten worden van de belasting van drie ponden Vlaams ontheven. Wel mogen de damschippers op dinsdag geen van hun ingeladen waren lossen en nooit enige slijten met de kleine maat of gewicht.

Herbergen en tapperijen

In 1707 is het aantal brandewijnverkopers in de stad zeer toegenomen. Het verzoek van Reinier Knuyt, die gekocht heeft het huis van Quirijn de la Sable aan de stadssingel buiten de Koepoort om aldaar te mogen schenken en verkopen brandewijn met de kleine maat en bier bij de kan, wordt dan ook afgeslagen.

De tappers en brandewijnschenkers nemen in 1707 dagelijks meer en meer vrijheid voor 'het setten van gelagen en het schenken van brandewijn op den Dag des Heeren, strijdende tselve directelijk tegen de placcaten van den lande en deser stede voorboden'. Het stadsbestuur besluit alle tappers en brandewijnschenkers door een gerechtsbode aan hun huizen te doen waarschuwen 'en scherpelijk aanseggen dat zij zich voortaan precijselijk sullen hebben te reguleren volgens de ordonnanties en voorboden, interdicerende op den Dag des Heeren, tsij voor, onder, ofte na de predicatie enige gelagen te setten ofte brandewijn te schenken'.

In januari 1708 blijkt dat er ten huize van de weduwe van Cornelis Jeroon, doende de tappersnering in het huis 'nevens den accijns op de haven', dagelijks worden toegelaten 'ligtveerdige geselschappen en gepleegd grove onordentelijkheden tot ergernis van de goede borgerie'. De weduwe krijgt opdracht 'aanstonds haar wijnkel te sluyten met verbod van nu voortaan de tappersnering te doen'.

Jan Rompa koopt in 1708 het huis 'Engelenburg', staande naast de Oostpoort. Hij krijgt vergunning voor 'het schenken van brandewijn en bier'. In februari 1709 verwerft Marinus van Leeuwen de herberg 'de Dry Meebalen' in eigendom. Op zijn verzoek krijgt hij vergunning aldaar de tappersnering te doen zoals zijn voorzaten hebben gedaan. Ook Dirk Swanenburg krijgt in maart 1709 vergunning om de tappersnering uit te oefenen in het huis 'de Patiëntie', zoals in voorgaande jaren aldaar is gedaan. Eveneens krijgt Anthony Walraven, die van seigneur Jasper Bruine heeft gekocht een huis staande aan de oostzijde van de kaai, naast het Schippershuis, vergunning om in dat huis de tappersnering te doen. Het gaat hier om het huis 'Delft', Grote Kade nummer 34. En in augustus 1709 verwerft Adriaan Claasse uit Kruiningen de herberg 'de Meerminne', staande op de hoek aan de oostzijde van de haven, Grote Kade nummer 32. Hij krijgt vergunning daar de tappersnering te doen.

Andere bedrijvigheid

Deze jaren zorgen verscheidene ambachtslieden voor meer vertier in de stad.

In 1707 overlijdt de wagenmaker Cornelis Verlorenkost. Hij had een wagenmakerswinkel in de Ganzepoortstraat met een schuur aan het plein buiten de Ganzepoort. De meester koperslager Christiaan Lonis krijgt in mei 1708 op zijn verzoek vergunning om in het huis van wijlen Willem Wijsweijler, staande in de Lange Kerkstraat nummer 13, 'in den agter keuken te maken een ovenken tot voortzetting van zijn handwerk, mits het mantelhout van den schoorsteen aldaar tot voorkoming van brand wordt bekleed met koper of blik'. Wel mag koperslager Lonis in 1710 in zijn gekochte huis 'de Valk', Lange Vorststraat nummer 73, in zijn achterkeuken tot voortzetting van zijn handwerk een klein koperslagersoventje stichten.Ook de meester zilversmid Johannes Soeteling krijgt in juni 1708 vergunning 'tot het stellen van een fornais ofte silversmidsoven in zijn voorhuis, staande op den hoec van den opperhil binnen dese stad'. Het gaat om het pand 'de Halve Mane', Opril Grote Markt nummer 3.

De tingieter Adriaan Smallegange krijgt in 1710 geen toestemming om gemaakt koper te verkopen. Dit wordt, 'als proeve subject en in prejuditie van soodanigen gildebroeder, die de gewone proeve heeft gedaan', afgeslagen.

De smid Marinus Absalomse overlijdt in 1709. Z´n weduwe Elisabeth Pieroom overlijdt begin 1710. De nagelaten betrekkingen krijgen geen toestemming om 'de wijnkel van gemaakt ijserwerk van de overledenen alsnog te ontsluiten, voorsover hetselve aanloopt tegen de ordonnantie van de smeden'. Hun verzoek om de opgeslagen goederen tot het meeste profijt van de wezen te verkopen wordt eveneens afgeslagen. De voogden krijgen alleen toestemming om het woonhuis en de smidswinkel te verkopen. Marinus Goedbloed, meester blokmaker uit Rotterdam, krijgt in 1710 toestemming voor veertien jaar om het ambacht van blokmaker in de stad, met uitsluiting van alle anderen, uit te oefenen. In 1710 mag ook Leendert Mouwe in zijn huis 'de Boone' aan de oostzijde van de Beestenmarkt, Waterstraat nummer 2, een smidsoven zetten, dit op voorwaarde dat 'hij zich in het optrekken van de schoorsteen reguleert naar de condities'. En de zilversmid Pieter Sandijk mag een fornuis of zilversmidoven laten zetten in zijn voorhuis, staande aan de oostzijde van de Lange Vorst.

Winkeliers

Het kramers- en schippersgilde beklaagt zich in juni 1709 over 'het nadeel dat ze in hun nering en vrachten komen te lijden door de aanwas van vreemde platschuiten, damschuiten en andere schuiten, die in grote getale allerhande winkelwaren niet alleen in het gros, maar ook in de kleine maat en gewicht, alom in deze stad en op het platteland onbeschroomd komen uit te venten'. Het stadsbestuur besluit dat voortaan geen potschepen, damschepen of enige andere alhier met winkelwaren invallende schepen, langer binnen de stad of jurisdictie mogen blijven liggen als drie dagen. Bovendien moet voor ieder potschip, damschuit of enig ander schip, alvorens daaruit enige waren te lossen, worden betaald drie ponden Vlaams.

In oktober 1709 gaat het kennelijk slecht met de boekhandel. Boekhandelaar Leendert Eyermeet verzoekt ontslag uit de schutterij in verband met 'vermeerdering van de lasten sijner familie en vermindering van sijn boekneering'.