Aanvulling? Meld het hier.
<<

Orde en veiligheid (1707 - 1710)

Openbare orde

Het stadsbestuur constateert in juni 1707 dat Jacob Bruijne ‘in sijne vreemde mijmeringen niet alleen komt te volherden, maar dagelijks van quaat tot erger voort te vaaren, sonder rust van stad tot stad onder het geleide van een gehuurd Leijdsman omswervende’. Het stadsbestuur vreest dat ‘hij door baatzuchtige lieden verleid kan worden een acte te passeren die tot zijn ruïne of anderszins tot vermindering sijner goederen soude strekken’. Ze verklaren hem voor onbekwaam tot het bewind van zijn goederen. In juli zijn de bloedverwanten van Jacobus Bruine voornemens hem te transporteren naar Mechelen ‘ende aldaar te logeren in een versekerde woonplaats, onder het opsigt van sekere religieuzen’.

In juli 1707 ziet het stadsbestuur zich genoodzaakt, ‘alzo Anthony van Schalkwijk, laatst gekomen van Schoonhoven, sijne geburen met schelden en dreigen dagelijks komt te injureren ende ontrusten en dat te dier oorsaak aan haar edelagtbaren veele klagten werden aangebragt’, hem te gelasten binnen 8 dagen uit de Lange Vorststraat met zijn domicilie naar een andere buurt te vertrekken met order ‘om sig aldaar vreedsaam aan te stellen’.

Deze zelfde maand publiceert het stadsbestuur een verbod op het verhandelen van Franse muntbriefjes in deze landen en een verbod op de uitvoer van gouden en silveren muntstukken.

In 1710 ‘vinden die van den geregte van Baarland het goed alomme in desen eilande te doen een collecte tot het opsluiten van sekere kranksinnige landloopster, aldaar geboren, ende in de schueren met gevaar van brand in weerwil der opgesetenen logerende’. Ze vragen,  vanwege het onvermogen van hun armen, toe te staan om deze collecte binnen de stad Goes aan de huizen te doen. Het stadsbestuur besluit echter hier niet in te treden maar dit af te slaan.

Justitie

In september 1707 worden ‘vier landloopsters, zich uitgevende voor soldatenvrouwen van het regiment liggende op ’t Casteel van Antwerpen en nu door de bediende van de extra-ordinaire compagnie alhier gevangen ingebracht ter zaak van gepleegde dieverij ten plattelande, voor haar agtbaren gebracht en voor de pui van het Stadhuis openbaarlijk ten toon gesteld en de Stad en het Eiland ontzegd’.

Ook de baljuw Van Steenvliet presenteert twee personen, gevangen genomen als breuksnijders op de afgelopen jaarmarkt, te weten Adriaan Hofhuysen uit Antwerpen en Gillis Lafeure uit Zwolle. De eerste wordt binnenskamers met roeden gegeseld en verbannen buiten de stad en de andere wederom gebracht in besloten hechtenis tot nadere informatie.

Een zekere Jacob de Neef wordt in maart 1709 gevangen genomen in verband met diefstal uit het hof van Roeland de Kok aan de stadssingel. Zijn straf is ‘hem op morgen voor de puye van het Stadhuis ten thoon te stellen en voorts uit het eiland van Zuid-Beveland sijn leven lang te verbannen’. Ook Cornelis de Mulder, alias ‘Cornelis de speelman’, krijgt om goede redenen bevel binnen twee maal 24 uur met zijn huishouden de stad en het eiland te verlaten.

In juli 1709 blijkt het stadsbestuur ‘dat Assuerus Laurisse, sijnde een getrouwd man en van een dissoluit leven, ende sekere Jeanne Joost uit de Meijerij van ’s Hertogenbosch, mede getrouwde vrouw, beiden dronken bij den anderen leggende sijn bevonden in eene afgesonderde plaats in een weije buiten de stad, sijnde in die gestalte door den heer Officier ook achterhaald ende op de daad in hegtenis gebragt. Haar agtbaren hebben hieruit niet anders kunnen afnemen als dat beide personen aldaar waren gekomen met onkuise voornemens’. Laurisse wordt voor drie jaar de stad ontzegd.

In september 1709 ontzegt het stadsbestuur Maria Vermander, weduwe van de procureur Cornelis Costen,’enige tijd herwaarts wegens haar ergerlijk gedrag en ontijdige verkeering met getrouwde en ongetrouwde manspersonen seer verdacht sijnde geweest van een onkuis en openbaar leven, laatst op de 10 augustus in den laten avond tharen huise gesien in eene oneerlijke conversatie met seker getrouwd man’, de stad en jurisdictie. Ze moet binnen 24 uur vertrekken. Ook Johannes Verunne, de accijnsmeester, wordt geschorst in verband met de vele klachten over zijn wangedrag en grove mishandeling van zijn vrouw.

Op de 19e juli 1709 speelt een ernstige zaak tegen de voormalige stadsbestuurder Cornelis de Perponcher Sedlnitsky, heer van Wolphaartsdijk en Ellewoutsdijk. De baljuw Adriaan Vogel, heer van Steenvliet, tekent in zijn eis aan ‘dat de heer een voornaam portionaris is in sekere visserie, genaamd Socqueene, gelegen bij of omtrent Cruiningen, dewelke geheel in pacht gebruikt wordt bij een zekere Jan Broer de Jonge uit Cruiningen’. Deze Jan Broer, ‘in het laatst van den jare 1707 op een dinsdag omtrent Sint Maerten sig van een goede zooi palingen voorsien hebbende, was gekomen aan het huis van de heer Perponcher en denselven sprekende, de voorseide palingen had aangepresenteerd, verzoekende onder beneficie van zijn gunst om de pacht met hem te willen vernieuwen voor andere zeven jaren. Hetgeen dien heer gulhartig had beantwoord, daartoe absoluut genegen te zijn’.

Het proces tegen De Perponcher strekt zich over verscheidene jaren uit. In juni 1715 wordt hij wegens malversatie en valsheid in geschrifte - na zeer rijp beraad - door burgemeesters en schepenen verklaard ‘eerloos, infaam en incapabel om enige ambten te kunnen bedienen’. Hij wordt veroordeeld tot een boete van 500 ponden Vlaams, 2/3 voor de baljuw en 1/3 voor het arm- en weeshuis.

Ook treedt de baljuw op de 20e december 1709 als eiser op tegen de gedetineerde Jasper van den Bosse. Deze was vanwege zijn slechte gedrag de stad ontzegd. Ondanks zijn verbanning heeft hij zich weer in de stad laten zien. Hij wordt voor altijd uit de provincie verbannen. Als hij zich weer laat zien, zal hij publiekelijk worden geschavotteerd. Na het pleidooi van de procureur wordt de straf omgezet in een verbanning voor acht jaar uit de stad en het eiland.

In oktober 1710 stelt de baljuw zich op als eiser tegen Willem van Houtert uit Aalst in de Meijerij van ‘s-Hertogenbosch, die in de stadhuistoren gevangen is gezet. Hij heeft zich niet ontzien ‘geld te schrooien en hetselve uit te geven’. Zo is hij op Pinksteren gekomen aan het huis van de zilversmid Pieter Coomans om te kopen vijf dozijn zilveren knopen voor vijftien gulden, daarvoor betalende vier Zeeuwse rijksdaalders en twee zilveren dukaten. Na smelting in de smeltkroes zijn de rijksdaalders te licht bevonden. Verder heeft hij aan de zilversmid Abraham van Duuren op de laatste Goese jaarmarkt te koop gepresenteerd 1½ ons zilver. Hij is ook bij de zilversmid Laurens Soeteling geweest om rijksdaalders te wisselen in Hollands geld. De bediende van de extra-ordinaire compagnie vond hem zittende in de poel in een wei. Gevangen genomen zijnde bleek dat hij in zijn gordel 43 Zeeuwse rijksdaalders had. Uit het onderzoek blijkt dat hij niet anders heeft gedaan ‘dan de munte van de hoge overheid in valeur te verergeren met zich te verrijken tot schade van het gemenebest’. De baljuw eist dat hij aan de scherprechter wordt overgeleverd om met de koorde gestraft te worden zodat de dood er op volgt en vandaar naar het galgenveld wordt gevoerd om anderen tot afschrik aan een galg te worden gehangen. Burgemeesters en schepenen matigen de straf door verbanning voor dertig jaar uit de provincie.

Extra-ordinaire compagnie

In januari 1708 komt de extra-ordinaire compagnie van het eiland in opspraak. Naar aanleiding van de vele klachten over Pieter van Damme, assistent van de compagnie, wordt hij uit zijn functie gezet. Hij blijft zich te buiten gaan 'met sig te verloopen in dronkenschap, selfs gedurende het waarnemen van sijne functie en bij het assisteren van executiën ten plattelande'.

In maart 1708 besluit het stadsbestuur, 'bij deze constitutie van tijden ende saken, de extra-ordinaire compagnie van dit eiland, die in verband met de cassatie van Pieter van Damme verminderd is met een assistent, weer te brengen op het oude getal van zes, de officieren daaronder gerekend'. Besloten wordt de vacante assistentplaats weer te vervullen en daarmee te begunstigen Jacobus Costen.