Aanvulling? Meld het hier.
<<

Algemene toestand (1711 - 1713)

Het stadhouderloze tijdperk blijft voortduren en raakt steeds meer op de achtergrond. Op 14 juli 1711 verdrinkt de veelbelovende Friese Stadhouder Johan Willem Friso tijdens een storm op het Hollands Diep. Een toekomstig stadhouderschap van alle gewesten was beslist niet uitgesloten indien hij in leven was gebleven.

In september 1711 komt een brief van burgemeesters en schepenen van de stede en ambacht van Axel en Neuzen binnen. De brief behelst het nieuws 'dat de Fransen zich rondom hun eiland dagelijks met zware partijen vertonen en speciaal tussen vrijdag- en zaterdagnacht voorleden met een suffisant getal manschappen hebben getenteerd met vaartuigen voor de stad Axel over te komen om die te overrompelen, tgeen door een opgekomen onweder van swaaren regen met donder ende een noordwester wind, die het wassende water vroeger als ordinair aandrong, gelukkig was verhinderd. Dat daarop door der selver burgemeesters en schepenen orders waren gegeven alle vaartuigen die van d'andere sijde waren afgehaald, gereserveerd van de stad Biervliet en versogten gemelde burgemeesters en schepenen om redenen breder bij missive geallegeerd, dat haar agtbaren door haar gedeputeerden ter Staatsvergadering het daar heen geliefden te dirigeren dat de vaartuigen tot Biervliet gedurende den oorlog mogten worden geweerd om alle gevreesde invasiën, soo in haren als desen eilande van Zuid-Beveland, daar door te voorkomen. Soo als in den voorgaande oorlog in de maand mei 1697 door haar agtbaren was te weeg gebracht ofte dat enige manschappen tot der selver securiteit derwaarts mogten worden afgesonden'. Het stadsbestuur besluit dit nieuws per expresse aan de heren Gecommitteerde Raden te berichten en hen met de meeste nadruk te verzoeken 'tegen alle diergelijke onverhoopte invasiën, tsij met het weren van de vaartuigen tot Biervliet of met het afzenden van een suffisant corps militie, alle mogelijke precautiën te gebruiken'.

De regering van Axel en Neuzen bedankt daarop het stadsbestuur 'voor haar prompte en efficieuze debvoiren, ter voldoening van haar missive van 31 augustus tot meerder verzekering van haar eiland tegen de gedreigde invasiën van de rondom zwervende partijen der vijanden, omtrent de heren Gecommitteerde Raden aangewend'. Het stadsbestuur vraagt Gecommitteerde Raden een wachthuis op te richten op de Hoec van de Abeele tegenover Biervliet en nog 25 man te zenden 'om tselve beneffens de landsate aldaar te bewaken'.

Op 24 augustus 1712 ontvangt het stadsbestuur bericht dat een vijandelijke partij de stad Tholen met het openen van de poorten hedenmorgen is binnen gedrongen. De stad is geplunderd en op enige plaatsen in brand gestoken. Besloten wordt 'om tegen diergelijke surprises soo veel doenlijk te voorsien, dat 's stads poorten door een goed getal personen uit het arbeidersgilde des nachts sullen worden beset en voor alle geweld bewaard. Dat voorts de klapperwacht, geassisteerd met enigen uit het arbeidersgilde, des nachts langs stadswallen sal patrouilleren. Dat die van de extra-ordinaire compagnie alomme ten plattelande sullen de ronde doen en neerstiglijk op alle vreemde personen inquireren. Dat de respectieve schouten ten plattelande zullen worden gerequireerd in hun districten een wakend oog te houden en in 't bijsonder agt te geven op alle aankomende vaartuigen en dat stadspoorten later op den dag sullen werden geopend'.

In september 1712 toont het stadsbestuur zich 'seer gevoelig aangedaan door den deplorabelen toestand van de beroofde ingesetenen der Stad Tholen'. Het besluit 'het exempel van enige steden deser provincie te volgen dat tot soulaas van deze gemeente alomme door alle straten en wijken sal werden gedaan een generale collecte op de naastkomende 12e september des namiddags om 2 uur'. De collecte brengt op 191 ponden, 6 schellingen en 7 grooten Vlaams.

In september 1712 moet het bierdragersgilde, evenals het arbeidersgilde, 's nachts wacht houden. Het stadsbestuur overweegt dat in deze turbulente tijd het eiland aan verscheidene zijden is bloot gesteld om door vijandelijke troepen met kleine vaartuigen te worden binnen gedrongen. De geregten ten plattelande krijgen orders om de voornaamste posten van hun dorpen en parochies 'door een matig rot van gewapende landsaten, geproportioneerd naar het getal van hare opgesetenen, des nachts te bewaken ende tegen alle onverhoopte aanval van vijanden te versekeren'.

Deze jaren is het een periode van onderhandelen tussen de Europese mogendheden. Op 11 april 1713 komt het vredesverdrag tussen Engeland, Pruisen, Portugal, Savoye en de Republiek der Verenigde Nederlanden met Frankrijk eindelijk tot stand. De Republiek heeft zich bij de wensen van Engeland moeten neerleggen en heeft in politiek opzicht een nadelige vrede gesloten. In de Republiek heerst niettemin toch een gevoel van opluchting omdat de eindeloze en kostbare oorlog voorbij is. Stadsbode Cornelis Clasen krijgt voor port van de brief over het tekenen van de vrede 'tussen den Konink van Vrankrijk en desen staat' £ 0.10.6. Op 9 juni 1713 sturen Gecommitteerde Raden bericht 'van de exempelen der tractaten van vrede en van commercie tussen de Konink van Vrankrijk en de Staat, mitsgaders van de acte van publicatie van voorseide vrede en van de dankdag tegen de 14e dezer uitgeschreven'.