Aanvulling? Meld het hier.
<<

Economische bedrijvigheid (1711 - 1713)

Brouwerijen

In 1711 vernemen we iets over de brouwerij 'de Gans' aan de Wijngaardstraat. Hoofdman en dekenen van de schutterij van de kolveniers beklagen zich erover 'dat Pieter de Bakker, bleyker op den Bleijk aan de Wijngaardstraat, verwittigt dat zij uit de gemeenschappelijke sloot, leggende tussen de schutterij en de bleijk, aan de brouwer in de Gans hadden verkocht enig brouwwater. Daarover zeer misnoegd heeft de bleyker het boosaardiglijk bestaan daar in te hangen een stuk vleijs van een dood paard en tselve op order van gemelde brouwer uitgesleept sijnde, in denselve sloot, ter plaatse daar twater soude worden uitgepompt, wederom af te wassen. Dreygende voorts dat hij den sloot soude vergeven. En also gemelde schutterij door deze insolentiën niet alleen van haar bedongen baten wierde ontset, en verscheidene ingesetenen die sig van dit water in hare menage quamen te bedienen, seer ontrijfd, maar gemelde brouwerij ook allerwegen van geïnfecteerd water te gebruiken verdagt gemaakt'. Het stadsbestuur besluit de bleker aan te zeggen dat hij op zijn kosten al het water uit de sloot door een te delven kanaal of greppel dient af te laten en geheel te ruimen. In hetzelfde jaar krijgt de brouwer in 'de Gans', Pieter de Meyer, vergunning om de bouwvallige zuidgevel van zijn schuur, staande aan de stadsgang, genaamd 'de Vetterij', af te breken en behoorlijk te repareren.

Graanhandel

In augustus 1712 krijgt de graanhandelaar Arent Marcusse Ruig vergunning om in de Goese Polder een boerenwoning te bouwen. Hij krijgt vrijdom van de dubbele honderdste penning.

Wijnhandel

Jan Amper en Hubrecht van de Vlasse krijgen in 1711 vergunning om de vrije wijnstekersnering te doen naast het verkopen van brandewijn en andere gedestilleerde wateren bij de grote en kleine maat.

Het stadsbestuur besluit in 1712 de resoluties tegen het zetten en houden van gelagen in de kelders en huizen van de vrije wijnverkopers weer te vernieuwen. Enige van de meest verdachte wijnverkopers moeten op het stadhuis komen en krijgen een ernstige waarschuwing. Alle andere wijnverkopers worden eveneens gewaarschuwd zich naar de resoluties van weleer te gedragen. In mei 1713 komen het stadsbestuur 'veel klachten en preuven voor van het quaad comportement van de wijnverkoper Jan van Wiskerke, misgaders van zijn dagelijkse contraventiën tegen haar agtbarens iteratieve resoluties tegen het zetten van gelagen in de huizen en kelders der wijnverkopers'. Dit kost hem zijn vergunning om vrij wijnkoper te zijn. Binnen veertien dagen moet hij zich op een ordentelijke wijze ontdoen van zijn opgeslagen wijnen en andere dranken.

Zoutnering

De zoutkeeteigenaar Thomas van Wijnkel krijgt vergunning om aan de oostzijde van zijn zoutkeet, staande de eerste vanaf de stad tussen de oude en nieuwe haven, zoveel erve in te nemen als hij tot het timmeren van een zoutdenne (berging voor zout) nodig heeft. Van Wijnkel is verplicht de weg aldaar tot genoegen van het stadsbestuur te verbreden en, zover deze daardoor in de oude haven zal inspringen, af te kaaien.

Molenarij

In september 1711 wijzen de boekweitmolenaars Pieter de Fries en Levinus van Noort in het pand 'de Hazaert' aan de Sint Jacobstraat nummer 52 het stadsbestuur er op dat ze het recht hebben gekregen om binnen de stad met uitsluiting van alle anderen hun gort- en boekweitmolen te exploiteren. Ze ondervinden nu groot nadeel van Jan Marinus Blommaert, die in Kloetinge voor een geringe prijs een gortmolentje heeft gesticht. Blommaert brengt z'n daar gemalen meel dagelijks binnen Goes en verkoopt dat met de grote en kleine maat. Dit is tot groot nadeel van hen. Het stadsbestuur besluit hun verkregen octrooi te continueren. En wat betreft het meel, te Kloetinge of elders op het platteland gemalen, wordt bepaald dat daarvan aan pachtgeld zal moeten worden betaald de volle impost en alhier ter plaatse van de consumptie halve impost.

Blommaert voelt zich door dit besluit van het stadsbestuur benadeeld. Hij vraagt vergunning om zijn gort, te Kloetinge met z'n eigen molen gemalen, in de stad te mogen inbrengen en verkopen, zonder daar onder boekweitmeel te begrijpen, 'allegerende daartoe de exempelen van andere steden, presenterende dat hij tot gerustheid van dien de stenen, tot het breken van boekweit in zijn molen leggende, aanstonds daaruit zal removeren en brengen ter plaatse door haar agtbaren te ordonneren'. Onder deze voorwaarde krijgt Blommaert toestemming om zijn gort in de stad in te voeren en te verkopen. In maart 1713 krijgt Blommaert toestemming om met zijn boekweitmeel door de stad te passeren en deze als een doorgang te gebruiken, zonder dit te verkopen.

Beurtschippers

Er zijn in 1712 problemen met het beurtveer op Rotterdam. De dekenen van het schippersgilde overleggen met de beurtschippers van Goes op Rotterdam en die van Rotterdam op Goes. Volgens hun instructie varen ze bij toerbeurt driemaal per week, namelijk op woensdag, vrijdag en zaterdag. Voortaan zullen de beurtschepen in januari en februari en december slechts tweemaal per week varen en wel op woensdag en zaterdag.

Herbergen en tapperijen

In 1711 koopt Claas Musse de herberg 'den Frissen Romer', staande tussen de twee waterpoorten. Hij krijgt vergunning om in die herberg de tappersnering voort te zetten en 'den reisenden man te logeren'. Cornelis Cornelisse koopt in 1712 het huis 'nevens den Accijns op de Haven'. Het betreft het pand 'Reymerswaal' aan de Grote Kade nummer 38. Hij mag hierin bier tappen en brandewijn met de kleine maat schenken. Ook Klaas Hagers krijgt in 1712 toestemming om in zijn woonhuis, staande tegenover het Kolveniershof in de Wijngaardstraat, te verkopen bier en brandewijn met de kleine maat. In 1713 koopt Nicolaas Krabbe het pand 'Engelenburg' naast de Oostpoort. Hij krijgt toestemming om daar te verkopen klein bier, brandewijn en andere sterke dranken bij de kleine maat, 'mits sig wagtende van het logeren van bedelaars of andere slegte persoonen'.

Smederijen

Verder is er nogal wat activiteit bij de smeden. Omstreeks deze tijd zijn er circa dertig ambachtslieden lid van het smedengilde. In 1711 vraagt de ijzersmid Leendert Mouwe toestemming om een collecte te houden voor het herstel van zijn woonhuis 'de Boone' aan de Waterstraat nummer 2 als gevolg 'van het springen van een tonneken kruijt door eigen onachtzaamheid seer beschadigd'. Hij krijgt hiervoor geen toestemming. Crijn Leendertse Mus mag in 1711 in zijn huis aan het breedje in de 's-Heer Hendrikskinderenstraat nummer 18, genaamd 'de Patiëntie', een smidsoven zetten in de voorkeuken tegen de zijmuur van het Stoofstraatje, 'mits de schoorsteen optrekkende in alle securiteit jegens brand'.

De smid Pieter van de Lerse mag in 1713 in zijn huis aan de Wijngaardstraat nummer 5, naast het huis van de ambachtsheer van Wolphaartsdijk (nummer 3), op zijn voorvloer aan de noordzijde een smidsoven maken, op voorwaarde dat hij het houten schutsel verandert in een stenen muur, 'immers zoo verre de pijpe van den schoorsteen sal strekken'. Philippus de Feijts verwerft in 1713 uit de boedel van Cornelis van Noorthouve een woonhuis, 'de Gouden Roose', aan de Klokstraat nummer 13. Hij krijgt vergunning om in de voorvloer te maken een smidsoven om aldaar de nering te doen van slootmaken, 'mits de schoorsteen recht optrekkende tot boven de nokke van het huis en deselve secuur makende tegen brand'.

In 1713 krijgt de lijndraaier Laurens Marcusse vergunning voor het gebruik van de lijnbaan aan de oostzijde van de stadswal, genaamd de Lijndraayersdijk, voor de tijd van 25 jaar.

Winkeliers

Het stadsbestuur ontvangt in 1713 een verzoek van de gezamenlijke peperkoekbakkers. Ze geven te kennen dat zij tot hun groot leedwezen dagelijks ondervinden dat uit verscheidene plaatsen in Holland en van Bergen en Antwerpen worden ingebracht niet alleen verscheidene soorten van klein gebak als peperbollen, moppen en klippeltjes, maar ook allerhande soort van peperkoeken, 'welke alomme in deze stad worden gedebiteerd ende te coop gesteld, alle het welke is strekkende tot merkelijke prejuditie van de supplianten, als waardoor zij grotelijks worden benadeeld in hare stijl en nering'. Ze hebben sinds enige tijd 'nauwelijks de helft verteerd van tgene zij voorheen hebben gedaan en gemerkt dat enigen voornemens waren omme insgelijks soodanig goed te verkopen, waardoor zij nog meerder schade tegemoet zagen, bij zo verre daar inne door haar agtbaren niet en wierde voorsien'. Daarom verzoeken ze het stadsbestuur te bepalen om, zoals ook geldt voor alle van buiten ingebracht brood, koeken, etc., 'dat geen andere gebakken als brood, couken, etc. alhier zullen mogen worden verkocht dan die hier binnen deze stad en jurisdictie van dien zullen gebakken zijn op de boete van 5 schellingen ten profijte van het gilde'.

Het stadsbestuur overweegt dat de invoer van alle buitenlandse gebak, peperkoeken, etc. strekt tot grote en merkelijke schade van de bakkers en de pachter van het gemaal. Voortaan zullen er geen peperkoeken of dergelijke van elders mogen worden ingebracht. Alleen mogen verkocht worden die binnen de stad zullen gebakken zijn, op de boete van 5 schellingen ten profijte van het gilde en verbeurte van het ingebrachte goed te distribueren aan de armen in het gasthuis. De winkeltjes die zich hebben voorzien van dergelijke van buiten ingebrachte peperkoek krijgen de vrijheid om hun voorraad te verkopen tot 1 december.