Aanvulling? Meld het hier.
<<

Kerkelijke situatie (1711 - 1713)

Nederduitse (hervormde) gemeente

Uit de jaarlijkse verkiezing van de helft van de ouderlingen en diakenen blijkt dat het stadsbestuur grote invloed heeft in de kerkenraad. Zo worden in 1711 tot ouderlingen gekozen mr. Johan Westerwijk, secretaris van de stad, mr. Nicolaas Sommersee, regerend schepen, Petrus Hobius, regerend schepen, en Johannes Landschot en tot diakenen Jan de Reuse, Jacobus Coomans, Cornelis Absalomse en Lieven Joossen.

In januari 1712 blijkt dat de vier ouderlingen 'die nu twee jaar hebben gerust' alle nog in leven zijn. Ze worden eenparig opnieuw genomineerd. Het betreft burgemeester Adriaan Eversdijk, burgemeester Adolf Westerwijk, Jasper Bruijn en dijkgraaf Ketelaar. Tot diakenen worden verkoren Guiljaam Leene, Marinus Jacobse Gorssen, Jan Snoep en Marinus Cornelisse. Uit de kerkenraadnotulen blijkt dat 'het God behaagd heeft onze verkoren medebroeder ouderling Jasper Bruijn daags voor de bevestiging uit deze wereld tot Hem te nemen'. In zijn plaats wordt gekozen de 88-jarige Machiel Boudens. In 1713 nemen - na een tweejarige rustperiode - de regenten dr. Cornelis van Sunder en Willem van der Bilt opnieuw zitting in de kerkenraad als ouderlingen. Pieter Kamper, Cornelis Gorsse, Joos de Lasabel en Jan van Laaken zijn de nieuwe diakenen.

In januari 1711 vermelden de notulen van de kerkenraad dat bij het bezoeken van de gemeente enige bedaagde luiden zijn aangesproken om te worden onderwezen in het catechetisch onderwijs. Ze gaven voor daartoe wel genegen te zijn 'indien een catechisatie voor oude luiden alleen wierd gehouden'. De kerkenraad besluit dat een van de predikanten voor drie maanden een bijzondere catechisatie zal houden. Kennelijk voldoet deze extra catechisatie. Want in april 1713 komt in bespreking of de extra-ordinaire catechisatie ook gedurende het zomerseizoen zal voortgaan. De kerkenraad besluit deze aan de hand te houden totdat het aantal deelnemers zal verminderen. In oktober 1713 maakt de praesis aan de kerkenraad bekend 'dat de broeders predikanten, op verzoek van de catechisanten en anderen uit de gemeente, genegen zijn om de oefening van voorleden winter wederom aanstaande donderdag aan te vangen'.

In deze jaren blijkt een zeer strenge toepassing van de censuur. De wijkouderlingen houden een nauwlettend toezicht op de gemeenteleden. Soms passeren in één kerkenraadsvergadering wel dertig tuchtgevallen. Het betreft veelal ruzies, twisten, onverzoenlijkheden, afwijkingen in de leer, ergerlijke geruchten, etc. In januari 1712 besluit de kerkenraad niet minder dan 33 personen onder censuur te houden. Ook is er een nauwgezet toezicht over de scholen. In april 1711 besluit de kerkenraad dat de scholen wederom bezocht en de heren schoolarchen daartoe verzocht worden. De schoolmatres Dina Camphuijsen krijgt de aanzegging 'met haar schoolkinderen des woensdags ook in de kerke te moeten komen of dat er in zoude voorzien worden'.

Met het oog op de aanstaande jaarmarkt wordt de praesis afgevaardigd 'om de heren burgemeesters te begroeten tot wering van alle wulpsheden'. Uit het verslag van het gesprek blijkt dat de burgemeesters op het verzoek van de kerkenraad willen ingaan en beloven daarin naar vermogen te zullen voorzien. Ook in 1713 is er ongerustheid bij de kerkenraad over de jaarmarkt. 'Dewijl een zeker spel zou vertoond worden, daar verscheidenlijk van gesproken wordt, is goedgevonden dat de praesis met een ouderling de heren burgemeesters daarvan spreken zal, teneinde dog generlei guichelerie en ander ijdelheden zo vrij mochten gepleegd worden en nadien bij het opbreken van de jaarmarkt op de dag des Heeren al verscheidene ongeregeldheden geschieden, zal tegelijk verzocht worden dat haar edelachtbaren dat, zoveel mogelijk is, willen doen ophouden'. De burgemeesters zeggen de voorzitter van de kerkenraad toe 'dat geen ergerlijke dingen op de aanstaande jaarmarkt toegelaten worden'.

Het zogenaamde 'Hattemisme' houdt de gemoederen zeer bezig. In mei 1711 oordeelt de kerkenraad het nodig, 'dewijl de gemeente van deze stad tot onze smerte niet weinig bij deze bewegingen lijdt, dat men een extra-ordinaire vergadering zal houden teneinde ieder dan nader zoude zeggen wat hem van ds. Buitendijk en zijn aanhang hier bekend is en ondertussen zal naar enige gevallen nog verder vernomen worden om vervolgens van alles een opstel en acte te maken en daarvan een afschrift te geven aan de classis'. Uit het rapport blijkt dat verscheidene personen in de gemeente meer en meer beginnen af te wijken 'van de gezonde leer die naar de godzaligheid is'. Ze spreken zeer kwalijk van de leer die door de meeste predikanten in de openbare kerken verkondigd wordt.

Ook de 'roomsgezinden' baren zorgen. Want in juni 1713 besluit de kerkenraad eenparig, 'alzo er geruchten en blijken zijn van dat er een of twee schuiten, zo in stad als te lande, onbehoorlijke bewegingen maken onder de roomsgezinden', dat de praesis uit naam van de vergadering de stadsregering zal spreken en deze zaak als van een zeer zorgelijk gevolg voordragen.

De kerkmeesters krijgen in 1711 toestemming onderhands kerkgrond te verkopen, namelijk 2437 roeden zaailand in het Oostambacht van Kapelle, 1 gemet en 5 roeden in Eversdijk te Kapelle in de Noordhoek en 225 roeden zaailand in de Goese Polder in Daanshoec.

Orgel Grote Kerk

Begin januari 1711 overleggen de burgemeesters Ossewaarde en Van Sunder met de organist van het orgel in de Grote Kerk, Van Overstraate. Ze zijn 'na enige woordenwisseling met hem geaccordeerd'. Van Overstraate zal het orgel, 'soo onder de godsdienst als andere vastgestelde tijden en stonden daar buiten, neerstelijk waarnemen en bedienen tot contentement van haar agtbaren'. Hiervoor zal hij een tractement van 380 gulden per jaar ontvangen. Verder krijgt hij het opzicht over het klokkenspel bij afwezigheid van de klokkenist Reiaard van Sagen op een tractement van twintig ponden Vlaams per jaar.

In de jaren 1711 en 1712 laten de stadsrekeningen nog betalingen zien voor de restauratie van het orgel in de Grote Kerk, zoals aan Balthasar van den Antonyssen voor geleverd goud tot 't orgel in april 1712 £ 3.11.0 en voor het vergulden en schilderen van de beelden op het orgel £ 2.10.11 en aan Abram Bischop voor het maken van drie schildjes voor de beelden op het orgel £ 1.10.0.

Waalse gemeente

Op 3 mei 1713 vergadert het Collegium Qualificatum van de Waalse kerk 'ter vervulling van den predikstoel in de gemeinte, vacant bij overlijden van wijlen den ordinairen Minister d'heer Daniël Sebylle'. De beroeping is gevallen op ds. Jean de Romieu, predikant in de Waalse gemeente van Oostburg en op de proponent Ephraim de la Voûte. Ds. De Romieu neemt het beroep aan. Ook de proponent De la Voûte neemt dit - na een korte tijd van deliberatie - aan. In augustus 1713 wordt hij echter tot predikant van Luxemburg beroepen. Kennelijk wil hij voor zijn vertrek nog in het huwelijk treden, want hij verzoekt in ondertrouw te worden opgenomen en 'twee geboden op eene dag te mogen hebben om te eerder te kunnen vertrekken'. Na zijn huwelijksvoltrekking vertrekt hij in september 1713.