Aanvulling? Meld het hier.
<<

Orde en veiligheid (1711 - 1713)

Openbare orde

In juni 1713 komen dagelijks veel klachten binnen dat inwoners van de stad zich 'komen te generen met het setten en logeren van bedelaars en landloopers, haar niet ontsiende hier ende daar te steelen en te roven, gelijk nog laatstelijk over eenige daagen diergelijke soort van mensen gevonden sijn ten huise van ene Jan Rompa'. Rompa moet zich met zijn familie binnen acht dagen terugtrekken uit stad en jurisdictie. Enkele andere inwoners zoals Pieter Beunaart, Jan Moerdijk en Jan Kallant krijgen een aanzegging door de stadsbode dat ze zich zullen wachten van in het toekomende bedelaars of landlopers bij zich te laten logeren.

Justitie

In januari 1711 geeft de rijsschipper Jan de Haan te kennen ‘hoe hij op 13 januari, beschonken zijnde, ten huize van de wijnsteker Jan van Wissekerke aldaar door Benjamin Matthijsse geïrriteerd wordende, daardoor woorden zijn gevallen, waarop dadelijkheden stonden te volgen, de wijncooper Van Wissekerke gemelde De Haan wegrukte om also door den gank uit den huise te jagen, tgeen De Haan seer vergramde, temeer als hij sag dat in sijn aangesicht bebloed was en andere ontmoetingen aan sijn lichaam gevoelde, waardoor temeer vertoornt werdende, aangeset door den wijn die hem des te meer verhitte, als toen om verre gelegen, oprees, sijn bloot mes uitrukte, dien voornoemde wijncooper daarmede meijnde te attaqueren ende waar ’t mogelijk te grieven’. Hij krijgt toestemming om dit met de baljuw op te nemen.

In maart 1711 meldt de baljuw dat ‘Cornelis Cornelisse van de Velde, zijnde van een ongebonden levensgedrag, ten huize van Gillis Spelting, weerd in de kroeg ‘Saaftinge’ bij de Blauwe Steen, had gepleegd grove moedwil en geweldenarij, de glazen aldaar uitgeslagen, Spelting bij de haren getrokken en des selfs vrouw met de vuist in ‘t aangesigt geslagen en gevaarlijk aan haar oog gekwetst. Dat bovendien ’s Heeren Dienaar op het gerucht aldaar komende toeschieten, met hulp van zijn vader had genoodzaakt te retireren’. Het stadsbestuur ontslaat hem uit het arbeidersgilde en verbant hem uit de stad en jurisdictie.

Het stadsbestuur signaleert in november 1711 dat de weduwe van wijlen de procureur Cornelis Costen, bij resolutie ‘om haar quaad gedrag de stad ontsegd zijnde’, zich clandestien weer in de stad is komen wonen ‘en haar oude moeder, bij welke sij woonde, op een atroce en ongehoorde wijse te bejegenen ende voorts te continueren in haar onchristelijken en onborgerlijken wandel’. De weduwe met haar kind zal bij de eerste gelegenheid van het vertrek van een schuit naar Bergen op Zoom door ’s Heeren Dienaars naar boord worden geleid en naar Bergen op Zoom afgescheept. Ze mag onder geen beding weer terugkeren in de stad. Maar eind december 1711 is de weduwe Costen ‘weer binnen de stad gekomen. En tegenwoordig in hechtenis zittende, zal ze andermaal te schepe gebracht en elders heen vervoerd worden met bedreiging dat ze een volgende keer zonder gratie zal worden geëxecuteerd’.

Nog zo’n geval doet zich voor in 1711. Pieternella de Koning, de echtgenote van Adriaan Gort, beklaagt zich bij het stadsbestuur, ‘hoe haar man zich verloopt in de drank, haar dikwijls slaat en dreigt de hals te breken’. Ze krijgt toestemming van tafel en bed te scheiden.

 In 1712 blijkt de samenwoning van Johannes Verunne met zijn huisvrouw wegens ‘desselfs wangedrag ten enenmale ondragelijk, zodat gevreesd wordt dat daaruit zullen ontstaan swaare inconveniënten’. Het stadsbestuur gelast hem zich van zijn vrouw te onthouden en zijn huis te ruimen zonder zich met haar enigszins te bemoeien. Anders zal hij door de sterke hand worden geweerd.

In februari 1712 speelt een zaak tegen de molenaar van ‘s-Heer Arendskerke, Jacobus Paardekooper. Hij wordt beschuldigd van fraude met biljetten voor het malen van graan. De baljuw eist ‘dat hij wordt geschavotteerd en tot exempel van anderen gestraft’. Het college van burgemeesters en schepenen besluit echter de officier zijn eis te ontzeggen.

In juli 1713 dagvaardt de baljuw Willem Jacobse van Amersfoort, Maria Harmans en Alewijn van Amersfoort uit Amsterdam. Alle drie zitten ze gevangen op de stadhuistoren. Ze hebben het bestaan op diverse plaatsen in het eiland te roven en te stelen. Zo hebben ze op afgelopen dinsdag de 11e juli binnen het dorp Wissekerke geforceerd en met geweld geopend de woning van Marinus Hoek, ‘waardoor zij in de keuken geraakt zijnde, het slot van een aldaar staand kofferken hebben verkracht en gebroken en daaruit enige Zeeuwse rijksdaalders gestolen, met welke buit zij zich in de stad hebben begeven’. Ook hebben ze op de Monnikendijk onder Cattendijke verscheidene huizen opengebroken en geroofd. Ze worden de scherprechter overgeleverd, strengelijk met roeden gegeseld, gebrandmerkt en verder uit de provincies Holland, Zeeland en Westvriesland verbannen.

In juli 1713 dient een zaak tegen Cornelis Corstanje, tweede luitenant van de extra-ordinaire compagnie. Hij heeft op de 5e juli met een vaartuig achtervolgd zekere vrouwspersonen die verdacht worden in hun logement te hebben gestolen. Ze zijn ‘s morgens met de beurtman van Rotterdam vertrokken, maar op het Goesche Diep achterhaald. Corstanje heeft deze drie à vier vrouwen meegenomen binnen de stad en in zijn eigen woning gebracht zonder aan de baljuw enige kennis te geven. Hij heeft de goederen van die mensen afgenomen en zilverwerk dat gestolen was gerestitueerd. Daarna heeft hij de burgemeester van alles kennis gegeven. Na hierover te zijn aangesproken door de baljuw heeft hij deze op een zeer brutale en injurieuze manier bejegend. Corstanje wordt ontzet uit zijn functie. Hij mag nooit meer enige ambten of functies bedienen en zal ‘aan den lijve’ worden gestraft.

Ook speelt in 1713 nog een zaak tegen Pieter Wagenaar, die gevangen is gezet op de stadhuistoren. Hij heeft aan de lopende band diefstallen begaan zoals hoenders geroofd op boerenerven en tin gestolen. Hij wordt de scherprechter overgeleverd, strengelijk met roeden gegeseld en uit het eiland verbannen.

Brandweer

In juni 1712 zijn Laurens van de Woestijne en Maarten Janse Patijn, gildebroeders van het arbeidersgilde, in gebreke om te verschijnen op de laatstgehouden oefening van de brandspuiten. Ingevolge de Ordonnantie op den brande worden ze gearresteerd en ontzet uit hun gilderecht.

Schutterijen

In 1712 benoemt het stadsbestuur de volgende officieren voor de schutterijen in de plaats van degenen die sedert enige jaren overleden of naar elders vertrokken zijn:

  • in de oude Handboog tot captein (bij continuatie) de rentmeester Sywert van der Bilt, tot luitenant Henricus Hoogkamer en tot vaandrager Everwijn Tekelenburg;
  • in de jonge Handboog tot captein (bij continuatie) Nicolaas van Ossewaarde, tot luitenant (bij continuatie) Henricus Hallewaard en tot vaandrager (bij continuatie) Lambrecht Koopman;
  • in de oude Voetboog tot captein Jacobus Brawanter, tot luitenant Johannes Lanschot en tot vaandrager Pieter Cooman;
  • in de jonge Voetboog tot captein Johannes van Rentergem, tot luitenant Willem van der Bilt en tot vaandrager Adriaan Vincentse;
  • in de oude Coluvenieren tot captein Jan Snoep, tot luitenant Marinus Cornelisse Gorse en tot vaandrager de Fiscaal Adriaan van Oostee;
  • in de jonge Coluvenieren tot captein Geraard Isebree, tot luitenant de dijkgraaf Dominicus Ketelaar en tot vaandrager Jacobus Verberg.

In 1712 ontbiedt het stadsbestuur de burgercapteins van de zes compagnieën binnen de stad. Ze krijgen opdracht 'in de dry quartieren van de stad te doen eene opschrijving van weerbare manschappen omme daaruit hare compagnieën te kunnen formeren'.

De voormalige procureur bij de vierschaar Henricus Hoogkamer geeft in 1712 te kennen dat hij door de gunst van het stadsbestuur tot schutter in de handboog en tot burger luitenant in deze schutterij is verkoren. Daarvoor betuigt hij alsnog zijn dankbaarheid. Hij verzoekt echter nu ontslag uit beide functies 'evenals haar agtbaren dit hebben gedaan uit zijn procureursambt om also het overige van zijn leeftijd in stilheid door te brengen, hebbende te dien einde sijne mondkosten gekogt in het oude manhuis'. In de vacature van burgerluitenant wordt benoemd de vaandrager Lambregt Koopman en in diens plaats als vaandrager Loys Jan Verlugt.

In oktober 1712 spreken enige van de burgercapteins burgemeester Westerwijk aan. Ingevolge de resolutie van de magistraat hebben ze een generale opschrijving van alle weerbare mannen gedaan en daaruit hun compagnieën geformeerd. Ze verzoeken bij publicatie te ordonneren dat een generale wapenschouwing zal worden gedaan. Het stadsbestuur besluit nog deze morgen een publicatie te doen en daarbij bekend te maken dat door de burgerofficieren in deze week een generale wapenschouwing zal worden gedaan voor alle huizen van de burgers en ingezetenen. Deze moeten 'zich van een behoorlijk zijd- en schietgeweer voorzien om alsoo in geval van nood van enig onverwacht en onverhoopt geval, zich wel gewapend, op het trommelslag vervoegen onder den officier van de compagnie, daar hij onder hoort. De burgers zullen, behalve door deze publicatie, daags voor dat deze wapenschouwing zal geschieden, nogmaals bij trommelslag daarvan worden geadverteerd'.

Extra-ordinaire compagnie

In 1711 schijnen enige bedienden van de extra-ordinaire compagnie van gedachte te zijn dat ze geen gehoorzaamheid verschuldigd zijn aan de baljuw. De captein van de compagnie 'met zijn onderhorige gasten' moeten bij het stadsbestuur komen. Daar krijgen ze de aanzegging dat ze de bevelen van de baljuw voortaan stipt moeten gehoorzamen.