Aanvulling? Meld het hier.
<<

Economische bedrijvigheid (1714 - 1720)

Brouwerijen

De vaste knecht van de brouwerij 'de Gans', Adriaan van den Brande, maakt het in 1714 wel erg bont. Vanwege de vele klachten over wangedrag, gepleegde moedwilligheden en straatschenderij wordt hij voor 24 uur de stad ontzegd. Enige weken geleden heeft hij bij het dorp Heinkenszand Gabriël Leendertse, burger en inwoner van Goes, 'geattaqueerd, schandelijk in het gezicht geslagen, met voeten getrapt en in het voorbij rijden in gevaar gebracht om met zijn wagen en paard in de sloot te vallen'.

Het stadsbestuur beraadt zich in 1717 over de zeer vele klachten van de brouwers in de stad. Ze beklagen zich dat ze door de kuipers niet behoorlijk worden voorzien van vaatwerk (tonnen en vaten). De op het stadhuis ontboden kuipers verklaren het vaatwerk voor de brouwers overeenkomstig de ordonnantie te zullen maken en 'te dien einde altoos een last vaten in bereidschap te houden'. Voortaan zal al het vaatwerk, dat de brouwers nodig hebben, gemaakt moeten worden door de gildebroeders van het kuipersgilde Benjamin Matthijsse, Cornelis van de Woestijne, Cornelis Wagenaar en Jan Janse van Borkot. De gildebroeders Thomas Mispelblomme, Hubertus Bosdijk, Willem Goeree, Cornelis Verijser en Anthony van Wieringen zijn daarvan op hun verzoek vrijgesteld.

Graanhandel

Op 26 december 1719 geven de gezamenlijke kooplieden het stadsbestuur te kennen dat 'alle drie de vaste beurtschippers van deze stad op Gouda, Haarlem, Serdam en Amsterdam met hun ingeladen granen, van hier derwaarts sijnde vertrokken, ende, voor de eerstvolgende dinsdag na het vertrek van laatste, geen van deselve van daar geretireerd, het tot nog toe aan hen, koopluiden, is verhinderd en niet toegelaten geweest een ander schipper met zijn schip voor dienselven dinsdag aan te laten smakken. Waardoor het kwam te gebeuren dat zij dienselven dinsdag granen op de markt als elders hebbende gekocht, en deselve sonder op solder te doen brengen, willende laten 't scheepvoeren, het de meesten tijd voor haar onmogelijk is om hetselve te kunnen doen, vermits dan dien op dinsdag aan te smakken schipper, niet wetende dat het sijn beurt, bij loting of smakking, sal zijn, met zijn schip in het midden van de kaai als elders van kant legt en niet in staat is om daar aan te geraken voor en aleer dat het hoog water of zijn schip vlot is, ende zij vervolgens genoodzaakt werden hare gekochte granen voor een dag of nacht op solder te laten draagen en dan des anderen daags weer van solder te scheep te brengen. Daardoor niet alleen grote moeilijkheden en onkosten kwamen te lijden, maar ook haar granen, een dag later vertrekkende, dikwijls nadeel aan het verkopen van de voornoemde granen betekenen. Dewijl een dag vroeger of later in de voornoemde steden te arriveren merkelijke verandering in het bedingen van de prijs kan teweeg brengen'.

Daarom verzoeken ze het stadsbestuur 'de goedheid te hebben haar toe te staan en de vrijheid te geven om, wanneer geen van de drie vaste beurtschippers voor de eerstvolgende maandagmorgen na het vertrek van de laatste derwaarts, alhier mochten wesen gearriveerd, een andere schipper op den selven maandag aan te laten smakken, om dan vervolgens hare op den dinsdag te kopen goederen en de andere te kunnen laten inschepen'. Het stadsbestuur besluit op grond van de aangevoerde redenen 'en om de commercie soo veel doenlijk te favoriseren'  het verzoek van de koopluiden in te willigen.

In 1720 richten de kooplieden Nicolaas Noutzen, Cornelis Remsté, Maarten Wauwelaar, Willem Zijwertse, Jan van Pappelen, Francois Breekpot, Adolf Soetebier en Francois Oversluijs zich tot het stadsbestuur. Ze vrezen dat de graannegotie in groot verval is. De vaste beurtschippers die naar Dordrecht, Rotterdam, Gouda, Haarlem, Amsterdam en Serdam afvaren en goederen van de kooplieden in hun schepen inladen, onderwinden zich om of voor zichzelf graan te kopen en die ook in hun schepen laden om te verkopen of graan in commissie kopen en dan weer in commissie verkopen. Zulke handelingen zijn hier nooit in gebruik geweest. Ze verzoeken het stadsbestuur te besluiten dat geen schippers, vaste beurtluiden zijnde, graan op of naar genoemde steden mogen kopen en die in hun schepen inladen voor zichzelf, in commissie of wel in compagnie. Het stadsbestuur laat deze kwestie onderzoeken door de twee regerende burgemeesters Westerwijk, de raden Mattheus Eversdijk en Pieter Lammens en de twee secretarissen om hierover te adviseren.

Er doet zich in 1720 nòg een kwestie voor die de gezamenlijke graankopers binnen de stad bezig houdt. Namens de kooplieden deelt Johannes van Rentergem het stadsbestuur mee dat er drie beurtschippers op de stad Amsterdam zijn aangesteld om hun goederen, koopmanschappen en wat dies meer zij wekelijks daar heen te zenden. De dinsdag is moeilijk omdat het dan ook marktdag is. Ze verzoeken tot voortzetting van de commercie 'als de voornaamste zenuwe van den lande' hen te toe te staan en vrijheid te geven om, wanneer geen beurtschipper zich op maandagmorgen aan de kaai bevindt, inplaats van op dinsdag op maandag een andere schipper naar Amsterdam te doen aansmakken.

Wijnnering

De voormalige wijnkoper Jan van Wiskerke, die enige tijd terug vanwege zijn gedrag ontslagen is van zijn wijnkopersnering, krijgt in 1714 weer vergunning voor het uitoefenen van de vrije wijnkopersnering. Anders zou zijn gezin tot armoede vervallen. Ook in 1714 krijgt Cornelis van de Woestijne vergunning voor de wijnkopersnering. Hij mag in zijn huis 'Noorweghe', Beestenmarkt nummer 14, brandewijn verkopen met de kleine maat. Jan Lalleman mag vanaf 1715 in het huis van Jacob Hoogenhoed, dat hij sinds enige jaren heeft gehuurd en waarin lange tijd de wijnnering is gedaan, de wijnkopersnering doen. Wel moet hij vooraf betalen de gewone recognitie van 50 gulden en voorlopig inslaan één vat wijn, 'blijvende inmiddels gehouden met de aankomst van de nieuwe wijn daar en boven nog in te slaan drie vaten wijn, ter suppletie van de kwantiteit in de ordonnantie op het wijnsteken gerequireerd'.

Nòg een vrije wijnkoper vestigt zich in1715 inde stad. Het is Willem Nolet uit Middelburg. Hij krijgt vergunning om binnen de stad te verkopen wijnen, brandewijnen en gedestilleerde wateren bij de grote maat en als vrij wijnkoper te fungeren. Voorlopig moet hij één vat wijn inslaan en bij de aankomst van de nieuwe wijnen nog drie vaten.

Marinus Smytegelt krijgt in 1716 vergunning 'tot de vrije wijnkooperij' binnen de stad. Vooraf moet hij betalen aan de stadsrentmeester de gewone belasting van £ 8.6.8 en 'voor de vaste reyze' tegelijk inslaan ten minste negen vaten wijn. Bij deze gelegenheid besluit het stadsbestuur op verzoek van verscheidene wijnverkopers dat in het toekomende niemand zal worden vrijgesteld van de hoeveelheid wijn, die hij als nieuw toegelaten wijnverkoper voor de eerste keer moet inslaan en te persisteren bij de resolutie, waarbij de eerste inslag van een vrij wijnverkoper wordt bepaald op vier vaten wijn.

In april 1716 krijgt Jan Jorisse Duiveland, gildebroeder van het schippersgilde, vergunning om een bierstal van Rotterdamse bieren te houden in het huis genaamd 'de Keersboom', staande aan de Lange Vorststraat nummer 1. Hierin is lange tijd deze nering gedaan. Tevens krijgt hij toestemming om brandewijn en gedestilleerde wateren bij de kleine maat te verkopen.

In oktober 1717 ontvangt het stadsbestuur vele klachten dat de vrije wijnkoper Marynus Smytegelt 'sig niet tevreden hield met desselfs wijnen aan sijn huis of gehuurde hal te verkopen en uit te leveren, maar dat hij die zelfs liet brengen ten huize van ene Benjamin Matthijsse, geen vrij wijnsteker zijnde, om aldaar door denselve verkocht en uitgeleverd te worden'. Het stadsbestuur overweegt 'dat, schoon Smytegelt door haar agtbaren als wijnverkoper binnen de stad is toegelaten, het echter niet geoorloofd maar tegen het recht van deze stad en derselver financiën nadeel, mitsgaders tegen de regeling voor de wijnstekers strijdende, dat andere burgers, geen wijnsteker zijnde, aan haar huizen van deszelfs Smytegelts wijn zouden mogen ontvangen, die verkopen en uitleveren'. Het stadsbestuur besluit Smytegelt te verbieden enige wijnen ten huize van Benjamin Matthijsse of anderen, zijnde geen wijnstekers, te brengen of te doen brengen.

Het stadsbestuur besluit in 1717 'om goede redenen' dat in het toekomende niemand tot het doen van de wijnverkopers- of wijnstekersnering binnen de stad zal worden toegelaten, als nadat telkens van de reeds toegelatenen twee zullen gestorven zijn of wanneer deze twee vacante plaatsen met één nieuw persoon zullen worden vervuld.

In 1719 laat het stadsbestuur Cornelis Wagenaar de jonge toe tot vrije wijnsteker en brandewijnverkoper. Het overweegt daarbij dat geen nieuwe 'wijnstekers' zouden worden toegelaten voor en aleer er twee zijn overleden. Er zijn nu twee plaatsen vacant gekomen: Jan Adriaansz. van Wiskerke is van hier vertrokken en Lambrecht Koopman is overleden. Voorwaarde is dat Wagenaar een recognitie moet betalen van £ 8.6.8 en voor de eerste maal moet inslaan vier vaten wijn. Hij krijgt vergunning om als brandewijnverkoper op te treden. Ook Jakobus van Rentergem, inwoner van de stad, krijgt in 1719 vergunning om als vrij wijnverkoper te fungeren in de plaats van zijn schoonvader Adriaan Oyee. Deze heeft hiervan ten gunste van Van Rentergem afstand gedaan in het pand 'de Pellicaen', Grote Markt nummer 18. Eerder was bepaald dat geen nieuwe wijnstekers meer zouden worden toegelaten voor en aleer er twee wijnstekersplaatsen vaceren. Van Rentergem krijgt echter vergunning omdat ook de wijnsteker Paulus de Vriese uit de stad is verhuisd. Vanaf 1720 mag ook Francois Wagenaar als vrij wijnkoper optreden in het pand Grote Kade nummer 8.

Zoutnering

In april 1716 gaat het gerucht dat binnen de provincie Schots zout wordt ingebracht onder voorwendsel dat dit uit Frankrijk komt. De dekenen van het panneluidengilde verzoeken het stadsbestuur dit nader te onderzoeken. Ook richten de dekenen van het panneluidengilde zich in 1716 tot het stadsbestuur over het verbruik van kolen. Ze geven te kennen 'hoe dat door de vrogten (knechts), werkende in hare keeten, dagelyks veel koolen worden verkogt en in de stad gebracht, selfs aan menschen die deselve wederom vercoopen bij de kleyne mate, soodat desulke als grossiers in deselve werden gehouden en door de pannebasen niet kan werden verhinderd'. Ze vrezen voor het ontstaan van brand in de stad, 'gelijk reeds daarvan een geval is geweest en te duchten staat nog meermalen mogt gebeuren'. Het stadsbestuur besluit 'de vrogten, in de keeten werkende, door één van de stadsboden aan te seggen en te verbieden voortaan geen meer kolen te meugen copen of in de stad te brengen, hetzij door haar selven, vrouwen, kinderen ofte door ymant anders wien het ook wezen mogt, op pene, dat soo ymant bevonden werd sodanige koolen, niet alleen de koolen per sak of sakken, daar die in mogten sijn, sullen sijn verbeurd, maar dat daarenboven sodanige vrogten als vercoper sal vervallen in een boete van tien schellingen'.

In 1717 betogen de dekenen van het panneluidengilde 'hoe dat nu enige jaren achter den anderen het groffe zout, komende van Amsterdam en alhier wordende overgeslagen ofte hermeten, telkens wordt bevonden dat op de zoutmate alhier veel te cort is comende, twelk is tot merkelijke schade der pannebazen die niet kunnen weten waar het hapert, tsij aan de mate op andere plaatsen of aan sommige schippers'. Daardoor zijn de meeste pannebazen genegen om hun grof zout dat uit andere plaatsen komt te hermeten 'indien het loon gesteld op het witte en groffe zout, nu voortaan op het groffe zout wierde verminderd en gesteld op vier schellingen het 100 vat, doch indien alle meeste groffe zout wierde hermeten zou twel dienstig wezen om vier groffe meters aan te stellen'. Ze verzoeken vier beëdigde grofzoutmeters aan te stellen onder het genot van vier schellingen per 100 vat dat gemeten zal worden.

De dekenen van het panneluidengilde richten zich in oktober 1718 opnieuw tot het stadsbestuur. Ze ondervinden 'dat de soutneringe van jaar tot jaar komt af te nemen, tgeen veroorzaakt wierd doordat geen vaste tijd was bepaald, voor welke met het raffineren van zout jaarlijks niet mogte worden begonnen, waardoor veeltijds soo vroeg in het voorjaar daarmede een aanvang wierde gemaakt, dat niet alleenlijk bij velen in het bekwaamste en voordeligste van het seizoen moest worden stil gestaan, maar soo groote kwantiteit van geraffineerd sout wierd bereid, dat de meeste van de eigenaars der pannen genoodzaakt waren of hetselve tot hun nadeel des winters over te houden ofte beneden den cours der ordinaire gelding te verkopen'. De dekenen hebben hierover de gezamenlijke geïnteresseerden in de pannering geraadpleegd. De eigenaars van twintig zoutpannen hebben reeds 'onder den anderen sig verbonden voor den tijd van drie jaren met raffineren van sout jaarlijks niet vroeger te beginnen dan met de eerste april, op pene van £ 3.6.8 voor iedere pan'. Ze wijzen er echter op dat 'de weinige resterende pannebazen, besittende alleenlijk zes pannen', weigeren zich daarnaar te gedragen en verzoeken het stadsbestuur dat dezelve door haar stedelijke autoriteit het voornoemde accoord niet alleen geliefde te bekrachtigen, maar de weigerachtige zoutzieders mede tot het nakomen van dien te constringeren of anderszins te ordonneren, zoals dezelve mede nodig zullen oordelen'. Het stadsbestuur neemt het verdrag van de eigenaars van de twintig zoutpannen serieus. Tot bevordering van de welstand en aangroei van de zoutnering zal een proef worden genomen dat binnen de drie eerstvolgende jaren, ingaande 1719, niemand zout zal mogen zieden of bereiden in de zoutpannen, staande op grondgebied van deze stad of die daarin binnen drie jaar zal worden gebouwd, voor de 1e april en dus in het geheel niet in de maanden januari, februari en maart. Hieruit blijkt dat er omstreeks deze tijd zout wordt geraffineerd in 26 zoutpannen.

Meekrapnering

In juni 1717 verzoeken Martinus Oyee, Marinus Smytegelt en Everwijn Tekelenburg, eigenaren van de meestoof 'de Fortuin' (doorgaans genoemd de Fortuinstove) vrijdom voor tweemaal zeven jaar van het recht van de stadsbalans, de 100e penning en de jaarlijkse ceins op de meestoof, 'om daardoor de voornoemde stove, die enige tijd herwaarts heeft stil gelegen, wederom aan het gaan te brengen'. Dit verzoek wordt voor advies in handen gesteld van de heren mr. Johan van der Lugt en Boudewijn Verselewel, keurmeesters van de meede, om de inhoud daarvan te onderzoeken. Naar aanleiding van hun positief advies krijgen de eigenaren van de meestoven vrijstelling van betaling van de 100e penning en van de ceins die op de meestoof staat, maar geen vrijstelling van de stadsbalans.

Marynus Smytegelt 'den ouden' en z'n zoons Josias en Marynus kregen op 2 ecember 1699 van het stadsbestuur toestemming op stadsgrond zes à zeven roeden benoorden de meestoof 'de Hoop' (doorgaans genoemd de Hopestove), een meestoof te bouwen en daarvoor vrijdom van de 100e penning voor zeven jaren. De familie Smytegelt vestigde daar de meestoof 'de Liefde' (doorgaans genoemd de Liefdestove).

Molenarij

Oliemolens

In augustus 1714 schrijft de vroegere eigenaar van de oliemolen op het Ravelijn de Groene Jager, Marynis Smytegelt, het stadsbestuur 'hoe hij in de harde winter van het jaar 1709 veel schade heeft geleden aan de fruitbomen en aardvruchten op het west Ravelijn van deze stad, achter de Latijnse school, alsmede in het begin van dit jaar aan de huizinge daarop staande, door verscheidene zware stormwinden'. Om deze reden verzoekt hij vermindering van de jaarlijkse belasting van acht ponden Vlaams tot anderhalf pond Vlaams. Het stadsbestuur besluit de cijns te verminderen tot vier ponden Vlaams voor veertien achtereenvolgende jaren.

Er zijn nòg drie oliemolens in de stad, namelijk de van 1610 daterende oliemolen 'de Catte' op de kop van de Westwal, de van 1692 daterende oliemolen 'de Dubbele Arent' op het noordoostelijke bolwerk ten noorden van de Bleekveldse Poort en de oliemolen 'de Windhond' op het westcourtin nabij de westerschans. De ondernemer Everwijn Tekelenburg schrijft het stadsbestuur in 1714 'dat hij genegen is te timmeren, even buiten de Bleijkveldse poort, tussen het prevaat en de stadsschuur, een schuur en wagenhuis voor zijn gebruik en gerief van de oliemolen'. Daarvoor krijgt hij vergunning.

Maerten Janse van Strien, molenaar op de oliemolen 'de Catte' bij de 's-Heer Hendrikskinderenpoort, wijst het stadsbestuur er in april 1720 op dat zijn voortdurende ziekte hem verhindert om zijn molen gaande te houden. Hij heeft tevergeefs geprobeerd de molen aan inwoners van de stad te verkopen. Nu heeft hij de molen kunnen verkopen aan Paulus Brugmans uit Lier in Brabant. Om de molen te kunnen leveren zou deze afgebroken moeten worden. Hij verzoekt vergunning voor de afbraak van de oliemolen. Het stadsbestuur wil echter niet in zijn verzoek treden voor en aleer hij de molen binnen de tijd van zes weken 'in publieke uitroepe te koop gepresenteerd heeft omme te zien of er geen koper sig sal opdoen om deselve gaande te houden'.

Chocolademolen

Jacobus van Nispen, in 1711 gekomen van Vlissingen, vraagt in 1714 vergunning om een chocolademolen op te richten. Hij heeft zich al 'sedert enige tijd herwaarts gegeneerd om met de handmolen chocolade te prepareren met redelijke vertiering van die specie en deselve nu trachtende meer en meer voort te zetten'. Om een grotere kwantiteit als met de handmolen te bereiden, is hij voornemens om (net zoals in andere Zeeuwse steden gebeurt) op te richten een ros- of paardemolen om de chocolade daarmee te prepareren. En 'beducht zijnde dat na toestemming van het stadsbestuur en de bij hem geleden kosten andere personen zijn voetstappen tot zijn schade zouden komen na te volgen, keert hij zich tot haar agtbaren met het ootmoedig verzoek hem te vergunnen een ros- of paardenmolen op te richten en daartoe voor 20 jaar octrooi te verlenen'. Hij verzoekt ook toestemming om zijn daarvoor nodige cacao, dat met vaartuigen in Goes wordt aangevoerd en door de arbeiders voor een matig loon op de wal gebracht, door hemzelf of zijn bediende te laten vervoeren, alsook voor het toekomende vrijdom van het kaaigeld te verlenen. En verder, daar het zijn voornemen is om deze rosmolen in zijn speelhof aan het einde van de Voorstad op te richten, dat de portier van de Ganzepoort gelast wordt voor een redelijke prijs met hem te accorderen voor de uit- en ingang door de poort.

Het stadsbestuur besluit hem vergunning te verlenen om alleen, met uitsluiting van anderen die hierna een paarden- of windmolen zouden willen ondernemen te stichten, in zijn speelhof buiten de Voorstad of elders binnen het grondgebied van de stad, op te richten en te laten bouwen een ros- of paardenmolen om daarmee chocolade te prepareren voor 14 jaar. Hij krijgt vrijdom van kaaigeld voor zijn in te voeren cacao, mits hij jaarlijks aan de stad betaalt een recognitie van tien schellingen Vlaams. De poortwachter van de Ganzepoort krijgt opdracht voor de uit- en ingang een redelijke prijs met hem te accorderen.

Boekweit-, gerst- en gortmolens

Ook de boekweitmolenaars Levinus van Noord en Pieter de Fries in het pand 'de Hazaert' in de Sint Jacobstraat nummer 52 beklagen zich in een zeer uitvoerig rekest opnieuw over Janus Marinusse Blommaart, die tot hun groot nadeel het hun verleende octrooi komt te ontduiken en in de stad boekweit verkoopt.

In mei 1718 beklaagt Jan Amper, de eigenaar van de gepelde gerst- en gortmolen op het stadsravelijn de Grenadier, zich er over dat de Hollandse schippers, de zogenaamde 'damloopers', en ook anderen 'tot merkelijk nadeel van hem seer veel gebroken gerst of gort van buiten binnen deze stad brengen en hetselve, veeltijds en ten meeste deele van slechter allooy sijnde dan hetgeen op zijn molen wordt gemaakt, ten minderen prijze komen te debiteren en verkopen dan hij wel het sijne kan doen'. Hij verzoekt om in navolging van bijna alle steden in Holland en Zeeland waar zulke molens staan, de invoer van gebroken gerst of gort te Goes van buiten te verbieden. Het stadsbestuur is hier gevoelig voor en besluit te verbieden 'aan ieder wie hij ook zij, de invoer van buiten van enige gebroken gerst of gort soo die bij hem wordt gemaakt, op de verbeurte van hetselve goed ten profijte van het gecombineerde arm- en weeshuis'. Dit besluit zal geen uitwerking hebben 'op en ten aanzien van luiden, die in sodanige steden daar alsulke garst- ofte gortmolens staan ende den invoer van hetselve uit deze stad in de hare niet is verboden'. Jan Amper is verplicht 'om de goede ingesetenen van deze stad van de gemelde gebroken gerst of gort genoegzaam ende ten redelijken prijse te voorsien ende versorgen als die anders van buiten soude worden ingebracht'.

Korenmolens

De pachter van de waterkorenmolen aan de Kleine Kade nummer 43 beklaagt zich in 1720 dat hij door de verbouw van de 's-Heer Hendrikskinderenpoort in 1719 weinig meel heeft kunnen malen. Daardoor heeft hij veel schade geleden. Op zijn verzoek om schadevergoeding krijgt hij verminderintg van de pacht.

Beurtschippers

In 1714 geeft beurtschipper Daniël Duynkerke, die nu al 24 jaar gildebroeder van het schippersgilde is, het stadsbestuur te kennen 'hoe hij zijn kromstevenschuyt heeft vermangeld (zo hij voorgaf) tegen een smalschip van 4½ jaar oud, in de verwachting om daarmee tot het waarnemen van openvallende vrachten, jaarlijkse veren, wekelijkse beurten en andere voordelen nevens zijn gildebroeders, smalschepen voerende, te worden toegelaten'. Hij is nu door de dekenen van het schippersgilde verboden naar enige veren te smakken of vrachten in te nemen waarvoor smalschepen moeten worden gebruikt. Het advies hierover van het schippersgilde is ondertekend door de dekenen Krijn Lindertse, Abraham Crijnse Potter en Leijn Dijkwel en de gildebroeders Adriaan Jasperse, Frederik Everse, Aarnout Bosman, Jacob Beddenoot, Jacob Minnaert, Pieter Jasperse, Cornelis Dijkwel, Iman Boutens en Jan Duyvelant. Het stadsbestuur wijst z'n verzoek af. In de ordonnantie staat duidelijk 'dat er geene schuiten, hetzij van wat grootte of lastvoering dezelve zouden mogen zijn, maar alleenlijk smalschepen, tot de grote beurten mogen worden toegelaten'.

Schipper Frans Duynkerke, ook gildebroeder van het schippersgilde, betoogt in 1714 dat de stad Zierikzee drie beurtschippers op Goes heeft, waarvan er iedere week een heen en weer vaart, terwijl er van de Goese kant op Zierikzee geen beurtman is aangesteld. Ter ondersteuning 'van zijn dagelijks verzwarende familie en de slechte vaart' verzoekt hij aangesteld te worden als vaste beurtschipper van Goes op Zierikzee. Het stadsbestuur besluit een jaarlijks veer op te richten van Goes op Zierikzee, dat door een vaste beurtman wordt bediend.

Ook op Middelburg loopt het beurtveer in 1714 niet naar wens. De koopluiden van de stad dienen een rekest in, ondertekend 'door verre het meerder gedeelte derselve'. Dit zijn Pieter Wauwelaar, Johannes Lantschot, Marinus Davidse, Jan de Reuse, Adolf Soetebier, Marynis Soetebier, Johannis van Rentergem, Adriaan Minnaert, Johannes Pieroom, Francois Oversluijs, Jan Davidse, Jacobus Duynkerke en Lieven Joossen. Ze geven te kennen dat de wekelijkse toerbeurten van marktschepen van Goes op Middelburg en vice versa zodanig zijn geschikt en tot op heden waargenomen, 'dat nooit ofte immers zeer zelden op de wekelijkse marktdag te Middelburg, zijnde des donderdags, een beurtman aan de kant of wal aanligt, en alzo hetselve was strekkende tot merkelijk ongerief en nadeel van de coopluiden op voorseide stad commerciërende'. Ze verzoeken de toerbeurten voor het toekomende zodanig te regelen dat elke week de Goese beurtman van deze stad op Middelburg zal afvaren op woensdag en de Middelburgse beurtman op donderdag. Het stadsbestuur willigt het verzoek in op voorwaarde dat ook Middelburg hiermee akkoord gaat.

Op hun verzoek krijgen de dekenen van het schippersgilde in 1715 toestemming om hun gildebroeders naar de beurtveren voor de smalschepen op Dordrecht, Rotterdam, Gouda, Haarlem en Amsterdam te laten smakken. Ditzelfde jaar voeren de veertien smalschipvoerders van de stad een gezamenlijke actie. Ze schrijven een brief aan het stadsbestuur, die wordt ondertekend door Pieter Jasperse, Cornelis Dijkwel, Yman Boutens, Cornelis Boutens, Jacob Noels, Adriaan Jasperse, Pieter Bosdijk, Claas Ouwendijk, Jan Duyveland, Jacob Minnaart, Daniël Duinkerke, Leijn Dijkwel, Jacob Beddenoot en Aernout Bosman. Daarin verzoeken ze te ordonneren dat in de toekomst voor het beurtveer van Goes op Rotterdam twee smalschepen van Goes worden ingezet, opdat deze mogen varen in de plaats van de schuiten die thans bij beuren dit veer waarnemen. Dit op dezelfde wijze als het veer van Goes op Antwerpen door de smalschepen wordt bevaren en bediend. Ze vragen het stadsbestuur 'in acht te nemen de veelheid der schepen alhier van Goes varende, ten getale van seventien, en de weinig voorvallende vrachten, waardoor zij genoodzaakt zijn zich van hun schepen te ontdoen, dewijl zij vanwege de weinige vaart hun schepen niet kunnen blijven behouden, daar ter contrarie de schuiten de veren van Vlissingen en Bergen op Zoom alle weinig waarnemen'.

Ook de afvaarten van het beurtveer op Dordrecht worden geregeld. De nieuwe beurtschipper van Dordrecht op Goes zal vanaf 1715 naar Dordrecht afvaren op elke maandagmorgen. De ene beurtschipper van Goes zal wekelijks afvaren op woensdag van Goes op Dordrecht en op zaterdag weer van Dordrecht op deze stad. De andere beurtschipper zal op woensdag van Dordrecht op deze stad en op zaterdag van deze stad weer op Dordrecht varen.

In 1716 krijgt Marinus de Boot, gehuwd met de dochter van de beurtschipper Jan van Pappelen, vergunning om veerschipper te worden op het beurtveer op Delft, Leiden en 's-Gravenhage.

Vanaf maart 1719 is Jacques Pieterse Vermaire vaste beurtschipper van Goes op Zierikzee. Hij zal elke week op donderdag van Goes naar Zierikzee varen en op zaterdag vandaar weer naar Goes terugkeren. Nadrukkelijk besluit het stadsbestuur dat het aan niemand is toegestaan op andere dagen als op donderdag met zijn schuit naar Zierikzee af te varen of passagiers of goederen in te nemen en 'dat Vermaire alleen het verdiende zal profiteren zonder daarvan aan iemand wie het ook zij enige uitdeling te moeten doen'. Het vrachtloon van passagiers en ingescheepte goederen en waren van Goes op Zierikzee zal hetzelfde zijn als dat van Zierikzee op Goes. Tegelijk worden ook de vrachtlonen vastgesteld, bijvoorbeeld voor het voeren van een paard £ 0.5; voor iedere last graan £ 0.5; voor iedere os of koe £ 0.3.4; voor ieder volwassen varken £ 0.1; voor een mande keersen £ 0.0.2; voor een benne peen £ 0.0.2; voor ieder steenwolle £ 0.0.6.

Herbergen en tapperijen

In 1714 krijgt Laurus van der Heest, herbergier in de Westschans bij het Hoofd, vergunning om de tappersnering te doen. Evenals Jan Cornelisse, die het huis Bekhof staande even buiten de Koepoort, heeft gekocht. Hij krijgt vergunning voor het tappen van bier, brandewijn en andere gedestilleerde wateren bij de kleine maat, 'mits sig wagtende hetselve te doen op sondagen'. Anthony Craaye mag in 1715 in zijn huis aan de westzijde van de kaay, genaamd 'de Roode Leeuw', Grote Kade nummer 10, klein bier tappen en gedestilleerde wateren schenken bij de kleine maat. In dit pand is al vele jaren de tappersnering gedaan. Ook in 1715 koopt Leendert Strijker het huis naast de Ganzepoort, waar lange tijd de brandewijn- en tappersnering is gedaan. Hij krijgt vergunning om daar brandewijn en gedestilleerde wateren bij de kleine maat uit te schenken en bier bij de kleine maat te tappen. Hetzelfde mag ook Maarten Lammers doen. Hij koopt in 1715 'een huisken buiten de 's-Heer Hendrikskinderenpoort, staande aldaar aan den dijk omtrent de boomgaard bij de Weel, alwaar over jaren brandewijn en kleinbier bij de kleine mate uitgeschonken is'.

Vanaf 1716 mogen de herbergiers Joos van Rentergem in 'De Dry Meebalen' en Bastiaan Cruyt in ''t Schippershuys', Grote Kade nummer 34, bier en wijn tappen. Ook Jan de Wolf krijgt in 1716 vergunning om te verkopen bier, brandewijn, tabak en genever bij de kleine maat in het huis van Lowijs Ruth, staande in de Voorstad en genaamd 'de Laatste Stuyver'. Vanaf 1718 mag Pieter Bosdijk in de herberg 'De Meerminne' bier, brandewijn, jenever en andere gedestilleerde wateren schenken. In 1719 koopt Huibrecht de Boe een zeker huis in de Voorstad, het derde huis naast de smidse aldaar. Hij krijgt vergunning brandewijn en andere sterke drank mitsgaders klein bier bij de kleine maat te verkopen. Jaarlijks dient hij aan het nieuw opgerichte brandewijnverkopersgilde twee schellingen te betalen. Ook Cornelis Spelle krijgt in 1719 vergunning om in het door hem gekochte woonhuis, laatst eigendom van de weduwe van Leendert Huige en staande in de Ganzepoortstraat nummer 1 (ten zuiden van het schuttershof van de Handboog), brandewijn en andere gedestilleerde wateren bij de grote en kleine maat te verkopen. Dit is hier al sinds vele jaren achtereen zonder onderbrerking gebeurd.

Het aantal herbergiers en tappers neemt deze jaren geleidelijk aan steeds meer toe. In maart 1716 richten de tappers en herbergiers zich gezamenlijk tot het stadsbestuur. Ze klagen erover 'hoe dat deselve stijl en nering van tijd tot tijd kwam te vervallen en bijna te niet te lopen, door het menigvuldig uitschenken van wijn bij de kleine maat en het zetten en houden van gelagen door de vrije wijnkopers in hun huizen, pakhuizen, kelders, speelhoven en andere plaatsen, bij hen te dien einde principalijk gebruikt'. Ze vragen het stadsbestuur met klem daar tegen maatregelen te treffen. Het stadsbestuur belegt hierover een vergadering met de pachters van de stedelijke impost op de wijnen en bieren en met een afvaardiging van de herbergiers en tappers. Aan de ene kant overweegt de vergadering 'dat hierdoor niet alleen de grote tappersimpost op de twee voornoemde middelen ten enemaal wordt geruïneerd, in zoverre dat de pachters in het inpachten op het provenu van dien geen regard of rekening maken dat ook bij verdere voortgang de vertoonders buiten staat zouden worden gebracht om de reizende luiden en andere ingezetenen naar behoren te kunnen gerieven'. Maar anderzijds 'wordt tegemoet gezien dat door herstel en aangroei van voornoemde neringen de impost op de bieren merkelijk zoude worden geredresseerd en daardoor de financiën van de stad ten dien regarde gebeneficieerd'. Het overleg leidt tot de volgende maatregelen. Voor de tijd van één jaar, ingaande 1 april, krijgen de herbergiers ontheffing van betaling van de impost op de wijnen; van de impost als burgers zullen ze alleen moeten betalen 1¼ groot Vlaams in plaats van 2½ groot Vlaams. Verder mag vanaf 1716 geen herbergier of tapper enige wijn of sterke drank bij de grote of kleine maat uitleveren of verkopen als die niet binnen zijn herberg of tapperij wordt geconsumeerd. De stadsboden maken dit besluit aan iedere tapper en herbergier binnen de stad met het oplezen daarvan bekend en gelasten hen zich daarnaar te reguleren.

Het stadsbestuur besluit in maart 1719 bovendien dat 'in het toekomende niemand tot het verkopen van sterke drank en andere gedestilleerde wateren binnen deze stad en jurisdictie zal worden toegelaten als nadat telkens twee plaatsen van de reeds toegelatenen zullen zijn vacant geworden, mitsgaders dat de bereids verleende en nog deswege verleend sullende worden concessiën aangemerkt ende gehouden sullen worden aan de huizen van de geadmitteerde verleend te zijn en niet aan deselve persoonlijk'.

In 1716 krijgt Leendert Eyermeet samen met Cornelis Huysdijk vergunning om een openbaar coffyhuis te houden in het pand Grote Markt nummer 22. Ze mogen evenwel geen gelagen zetten. Eyermeet heeft dit verzoek gedaan vanwege 'de neringloosheid van zijn stijl en de beswaardheid sijner familie tot onderstand van deselve'. De koffiehuishouder Cornelis Huysdijk overlijdt in maart 1720. Zijn weduwe Petronella de Mol krijgt verguning het openbaar koffyhuis voort te zetten.

Andere bedrijvigheid

Pieter van der Bilt mag vanaf 1714 in zijn huis 'het Witte Paard' in de Lange Kerkstraat nummer 32 'beneffens de tabaksnering mede brandewijn en andere gedestilleerde wateren bij de kleine mate verkopen'. De smid Jonas Bakker krijgt in 1714 vergunning om op de voorvloer van z'n woonhuis, staande op de hoek van de Sint Jacobstraat, een smidsoven te zetten. Hij moet de schoorsteen optrekken tot boven het dak en verder alle middelen tot voorkoming van brand gebruiken. Ook Jacobus La Maire, gildebroeder in het smedengilde, krijgt in 1716 vergunning om in het huis aan de westzijde van de Lange Kerkstraat op de voorvloer een smidsoven met schoorsteen te zetten.

Ook is er in 1717 sprake van de oprichting van een graanwasserij en mouterij door Marinus Smytegelt. Betoogd wordt dat 'het pand tegenwoordig seer vervallen is in zijn negotie, echter zeer bekwaam en nodig voor de gaande negotie in de stad en het eiland en om te emploieren tot een inlandse brandewijn- en asijnstokerij, welk pand in orde sijnde zoude verstrekken tot een sieraet voor de stad, voordeel voor de kooplui en landzaten, alzo vele van hare lichte en slechte waren daar in tot geld zouden gemaakt worden en merkelijk voordeel aanbrengen zouden de gilden en goede borgerie, edog tot de verdere bouw en aanleg van dit pand vrij wat benodigd zoude zijn'. Vermoedelijk is dit initiatief niet van de grond gekomen. Smytegelt vertrekt in 1719 metterwoon naar Middelburg. Zijn broer, de vroegere Goese predikant ds. Bernardus Smytegelt, is daar al jaren één van de twaalf predikanten.

In juli 1718 vertrekt de zilversmid Abraham van Dueren, wonende in 'de Groene Hoed' aan de Opril Grote Markt nummer 9, 'met deselfs wijnkel en meestepart van de meubelen bij nacht uit de stad, achterlatende verscheidene schulden en gevolgelijk geabandonneerd hebbende zijn boedel'. Z'n panden en meubilair worden publiek verkocht.

De in de stad gevestigde pottenbakker Marinus Davidse heeft het moeilijk. Hij geeft in 1718 te kennen dat hij weinig of niets te doen heeft om zijn ambacht of stijl gaande te houden en niet meer in staat is om zijn huishouden gaande te houden. Daarom verzoekt hij toelating tot het zakkedragersgilde.

Cornelis Steijn deelt in 1719 mee 'dat hij in zijn jonge en aankomende oude jaren voor hem en zijn familie (alsoo hij geen ambacht konde) de kost heeft moeten winnen met arbeiden, dog alsnu, vermits zijnen hoogen ouderdom ende swakheid, niet meer in staat was om hetselve te doen. Dat hij in denselven sijnen ouden dag wel hadde getragt sijn leeftogt met het opkoopen van oude vodden ofte oud doek bij de ponde te winnen, maar daar in was verhinderd geworden doordat er meer sijn ende vele van buiten komen die hetselve doen'. Daarom verzoekt hij vergunning om alleen en met uitsluiting van alle anderen te handelen in oude lorren of oud doek. Het stadsbestuur besluit hem toe te staan 'om binnen deze stad en jurisdictie oude vodden en oude doeken bij de ponde te mogen opkopen, mits aan de verkopers derselve daarvoren gevende deselfde prijs die tot nog toe heeft gedaan, verbiedende allen en een iegelijk wie het ook zoude mogen wezen enige oude vodden of doeken bij de ponde binnen deze stad en jurisdictie te kopen'.

Ook de pruikmakers binnen de stad laten in 1720 van zich horen. Paulus Lastebene, Joël Boullez en de weduwe van Jacobus Bussenett, alle pruikmakers, geven te kennen dat enige vreemdelingen, zelfs van buiten deze provincie, met hun pruiken leuren en venten en deze binnen de stad verkopen. Daardoor worden ze zulke neringloosheid toegebracht dat ze door het weinige vertier nauwelijks voor een sober huishouden kunnen zorgen. Ze verzoeken vreemdelingen te verbieden met pruiken in de stad te leuren, veel min te venten of te verkopen.

Bakkerijen

In 1715 krijgt Francois van Amstein, afkomstig uit Dordrecht, vergunning 'voor het zetten van een bakkersoven in de achterkeuken, komende uit in den Hof van het huis van de heer mr. Pieter J. van Campen, staande in de Lange Vorst'. Dit is het pand 'het Sint Janshooft', Lange Vorststraat 102. Nog een andere bakker vestigt zich in 1715 in de stad. Het is Willem Bik. Na gehouden inspectie van het pand mag hij een bakkersoven zetten in het huis van Margarita Verstrate, weduwe Van de Plas, staande in de Lange Kerkstraat, 'mits noyt te meugen eenig hout te setten agter op het kerkhoff'. Dit is de bakkerij met winkel Lange Kerkstraat nummer 19. Er vestigt zich in 1716 ook een pasteibakker of kok in de stad. Het is Pieter Absalomse. Hij mag een oventje zetten in zijn woonhuis in de Sint Adriaanstraat (thans Sint Adriaanstraat nummer 3). Ook mag Pieter Beysselaar in1716 in zijn huis op de opril van de Beestenmarkt een bakkersoven zetten.

Jan Brouwer, gildebroeder in het bakkersgilde en bakker in de 's-Heer Hendrikskinderenstraat, vraagt in 1717 toestemming om naast zijn broodbakkersnering ook peperbollen en knippeltjes te mogen bakken en verkopen 'ofte wel aan de andere kant dat hij mocht worden geadmitteerd tot het doen van de proeve van een peperkoekbakker en vervolgens tot de vrije exercitie van die nering'. Omdat dit in strijd is met de Ordonnantie op het bakkersgilde slaat het stadsbestuur dit verzoek af. In juli 1717 vertrekt Brouwer 'bij nacht met al zijn meubelen uit de stad, achterlatende vele schulden en vervolgens geabandonneerd hebbende zijn boedel'.

Ook speelt er in 1717 een controverse tussen de broodbakkers en de peperkoekbakkers. De dekenen van het bakkersgilde, Francois Franse, Johannes van Rentergem, Joos Pauwelse de Jonge, Huibregt van Loo, Marinus Jacobse Gorsse en Willem Beijaard, geven het stadsbestuur te kennen dat hen verscheidene klachten zijn voorgekomen 'dat enige gildebroeders tot drukking van de andere neringen zich bemoeien niet alleen met het bakken van nieuw geïnvesteerde kleinigheden, maar ook dat enige broodbakkers zich sorteren op het backen van peperbollen en ander goed, twelk alleen tot de peperkoekbackerie behoort en andere onordentelijkheden die in het gilde beginnen in zwang te gaan'. Ze verzoeken te ordonneren 'dat voortaan geen broodbakker zich zal hebben te bemoeien met het bakken van goed dat tot de peperkoekbackerie behoort en geen peperkoekbacker met iets dat tot de broodbackerie behoort'.

Verder pleiten ze er voor dat voortaan een proeve wordt gedaan als iemand zich tot het peperkoeckbacken wil begeven, 'namelijk een lage fijne knippeltjes, een lage fijne peperkoeck, een lage grove of ponde koeck, mitsgaders harde knippeltjes. Vervolgens dat geen broodbakker enig nieuw geïnvesteerd klein goed zal vermogen te backen, zoals dit nu begint in zwang te gaan, maar dat geen ander klein goed of koekjes zullen mogen gebakken worden als vanouds is in gebruik geweest als namelijk koekjes van twee duiten 't stuk, bischuit van twee duiten, mostellen, krauwelingen en krakelingen'. Verder betogen de dekenen van het bakkersgilde 'dat de bakkerswinkels in de stad zodanig vermeerderd zijn dat door de veelheid verscheidene bijna worden buiten staat gesteld om haar familie te mainteneren en dat dewijl nog gedurig nieuwe aankomen, de panden zodanig worden in waarde verminderd dat hetselve strekt tot drukking van de overblijvende bakkersweduwen en wezen'. Ze verzoeken geen vergunning te verlenen voor het stichten van nieuwe ovens of nieuwe bakkerijen toe te laten.

In december 1718 verkrijgen de wezen Jacobus en Martina van Damme ieder voor de helft in eigendom een woonhuis, bakkerij en schuur in de Lange Kerkstraat ('de Blauwe Hand', nummer 38). Hun voogden willen ten behoeve van Jacobus van Damme, die zijn bakkersproef inmiddels heeft gedaan als bakker, de helft van het huis, de bakkerij en de schuur en het daartoe behorende bakkersgereedschap, winkel, turf, mutsaards, etc. van zijn zuster kopen voor £ 250, zodat hij eigenaar van het gehele huis kan worden om daarin het bakkersambacht voort te zetten. Het stadsbestuur gaat daarmee akkoord.

In november 1719 koopt de peperkoekbakker Marinus Arendse van Quirijn Mus een woonhuis, staande aan de oostzijde van de Lange Kerkstraat (nummer 24), naast de boekwinkel van Leendert Bakker. Hij krijgt vergunning om in dit huis te zetten een oven 'aan of tegen de muur van sijn agterhuijsje komende aan de sijde van de Korte Vorst'. Hij mag daarin alleen peperkoek en wat tot die nering behoort, met uitsluiting 'van alle tgene tot de broodbakkersnering behoort', bakken.

Blekerij

Al geruime tijd heeft de bleker Jan Trimpe klachten over zijn buurman. In 1714 uit hij opnieuw klachten 'over het ongemak en nadeel dat hem wordt toegebracht aan het water en de vijvers van zijn bleykerije door het houden van verkens bij zijn naaste buurman Leendert Laurusse, in een kot bij denselve opgeregt tussen zijn en des buurmans woningen, beide staande in de Nieuwe Noordstraat'. Laurusse wordt gelast z'n varkenskot aan de Nieuwstraat af te breken en geen varkens meer te houden.

Markten

Het stadsbestuur beraadt zich in 1717 over het aanvangstijdstip van de jaarmarkt of Goese kermis. Sommige almanakken geven aan dat de jaarmarkt begint op de 24e augustus, terwijl andere hiervoor de 31e augustus aanhouden. 'Ende tegemoet siende dat vele kramers door de almanakken zouden kunnen worden geamuseerd en schade ontvangen', besluit het stadsbestuur dat 'aan de gewone couranten zal worden kennis gegeven, dat de aanstaande jaarmarkt zal beginnen de 24e augustus opdat de kramers en alle anderen daarvan bij de publieke couranten zouden kunnen worden onderricht'. Voortaan zal de jaarmarkt beginnen op de eerste dinsdag na de 23e augustus.

De vismarkt heeft soms te maken met kijvende viswijven. Cornelia, de huisvrouw van Marinus Gerardse, 'tot nu toe geweest hebbende een van de ordinaire en onder het getal der vaste viswijven', krijgt in januari 1720 een verbod om in het toekomende als viswijf in het visperk aan de Turfkade te verschijnen, maar zich van het perk te onthouden en af te blijven. In mei verzoekt Cornelia vanwege de armoede van haar gezin weer toegelaten te mogen worden. Het stadsbestuur betoont haar meedogen en besluit 'haar toe te staan als een vast en ordinaris viswijf in het perk alhier te komen en de vis te mogen kopen en verkopen zo en in dier voege als andere viswijfs'.

Lijnbaan

In 1720 komt een verzoek bij het stadsbestuur binnen van Reijn Claessen Hoondert. Hij schrijft 'dat hij van Matthijs Ratel, als geautoriseerde van Laurus Marcusse van der Baen, heeft gekocht een seker lijndraaiershuisje, met het gereedschap daartoe behorende, staande op de oostzijde van de stadswalle aan de Lijnbaan'. Het stadsbestuur besluit zijn verzoek in te willigen en hem toe te staan in dit huisje en op de lijnbaan zodanig touwwerk te maken als hem goeddunken zal.