Aanvulling? Meld het hier.
<<

Gilden (1714 - 1720)

Arbeiders-, zakdragers- en bierdragersgilde

Begin 1714 komen er regelmatig klachten binnen over het slecht gedrag en de onwilligheid van arbeiders van het Sint Jansgilde, voornamelijk in het verwerken van de Friese turf en het zout aan de zoutketen. Velen willen zich niet gedragen overeenkomstig de ordonnantie op het gilde. Ook laten ze zich niets gelegen liggen aan de instructie van de dekens 'omme den teerling te roeren tot het verwerven van enig moeilijk werk, waardoor de burgerie geen kleine schade werd toegebragt'. Het stadsbestuur besluit de dekenen van het arbeidersgilde aan te zeggen dat 'ze hun gildebroeders zullen vermanen en scherpelijk aanzeggen de burgerie en ingezetenen van deze stad te houden buiten rechtveerdige klagten, den koopman en alle andere geen uitgezonderd, wel en getrouwelijk te dienen, niemand overloon af te vorderen, ten vermane van de dekens den teerling te roeren na alle soorten van werk, insonderheid in het bewerken van den turf en van het sout aan de keeten, wordende bij onwilligheid der arbeiders de vrijheid gelaten aan de respectieve keetbazen omme buiten het gilde zodanige vrijwilligers op te zoeken en tot het doen van haar werk aan te stellen, als haren goeden raad sal gedragen'.

Het stadsbestuur overweegt in 1715 dat sedert januari 1712 geen nieuwe leden in het arbeidersgilde noch in het bierdragersgilde zijn toegelaten 'als gildebroeders in het arbeidersgilde om den teerling te roeren of te smakken'. Bepaald werd dat niemand in een van beide gilden mocht worden toegelaten dan alleen bij het openvallen van twee plaatsen, waardoor het getal daadwerkelijk is verminderd. Het stadsbestuur vindt het bij nader inzien goed enige van de meest benodigde met toelating tot deze gilden te begunstigen. Tot het bierdragersgilde worden toegelaten: Cornelis de Wolf, Cornelis Leynse Dykwel en Hendrik de la Fontaine. In het arbeidersgilde worden toegelaten: Theunis Benjaminse, Jan Meertense, Marinus Blondeel, Pieter Boudewijnse, Frederik van Loo, Joos Willemse, Adriaan Claasse Walraven, Hubrecht Marinusse Visser, Jacob de Munnik, GijsbrechtLa Fontaine, Jan Ouwendijk, Jan Houtewagen, Anthony Crombou, Theunis Jobse, Jan Luykse, Willem Driesprong, Andries de Munnik en Jan Verheule.

In januari 1719 geven de dekenen van het arbeidersgilde het stadsbestuur te kennen dat sommige van hun gildebroeders er een gewoonte van maken 's avonds laat in het arbeidershuisje te blijven zitten. Ze geven voor dat ze daar zitten in afwachting van werk waarnaar zou moeten worden gesmakt. Bij die gelegenheid ontzien ze zich niet vele 'onordentelijkheden en moedwilligheden' te plegen. De dekenen proberen dit euvel dagelijks zoveel mogelijk tegen te gaan en daarin te voorzien. Het is hen evenwel onmogelijk dit geheel te voorkomen, zolang het aan de gildebroeders toegelaten blijft na zonsondergang naar enig werk te smakken. Om die reden alleen moet het huisje worden opengelaten. Ze verzoeken of het stadsbestuur daar op de een of andere manier in wil voorzien. Het stadsbestuur besluit aan alle en een ieder van de gildebroeders te verbieden de teerling te roeren en te smakken naar enig werk na zonsondergang. Ook mogen ze na die tijd onder geen enkel voorwendsel in het arbeidershuisje gaan zitten of aldaar verblijven. De gildebroeders moeten voortaan het huisje na zonsondergang sluiten en aan hun gildebroeders zo snel mogelijk van deze door het stadsbestuur genomen resolutie kennis te geven om zich daarnaar te reguleren.

Later in 1719 richten de dekenen van het arbeidersgilde zich opnieuw met een rekest tot het stadsbestuur. Tot nu toe is het onder hen een gebruik geweest 'dat alle ende soo vele gildebroeders als er bij het smakken naar enig dragen van hout, turf en maatwerk tegenwoordig zijn, stemmen hoeveel man tot enig werk sal moeten aansmakken en gebruikt worden'. Het gebeurt nogal eens dat daardoor 'zodanige onordentelijkheid en ongelijkheid wordt gehouden dat, daar 5 of 6 mensen behoorden aan te gaan, daartoe maar één werd benoemd, en daar maar één is benodigd, vier ja zes werden gesteld, waardoor vele kooplieden, schippers en anderen grote ongemakken en schaden kwamen te lijden en aan sommige der gildebroeders afbreuk wierde gedaan'. Door deze ongelijkheid zijn hen vele klachten ter ore gekomen en hebben ze veel moeite moeten doen om dit te verhinderen. Deze pogingen hebben geen resultaat opgeleverd. Dit is ook niet te verwachten zolang het recht van stemmen voor het aansmakken en het stellen van een getal van personen tot het aangaan van enig werk, aan alle daar tegenwoordig zijnde gildebroeders wordt gelaten. Het stadsbestuur besluit om die ongelijkheid tegen te gaan en het ongemak en de schade die de kooplieden, schippers en anderen daardoor lijden te voorkomen. Vanaf nu zullen 'geen gildebroeders, wanneer de dekenen of een van deselve daar tegenwoordig zijn, het recht hebben om te stemmen hoeveel man tot enig werk zal moeten smakken en aangaan, maar dat alle tselve privatieve ende afsonderlijk sal hangen aan het oordeel en de benoeming van de present zijnde dekenen'.

Vanaf augustus 1719 geldt de richtlijn dat die van het zakkedragersgilde voortaan niet meer dan twintig zakken graan op hun wagens mogen laden. Bovendien mogen de arbeiders met geen wagen of paarden in het gilde rijden binnen de tijd van zes weken. Het stadsbestuur ondervindt namelijk dagelijks dat de arbeiders van het Sint Jansgilde 'sulke grote kwantiteit sakken graan op hare wagens komen te laden, dat de straten van deze stad daardoor telkens worden geruïneerd en de huizen in deselve komen te schudden'.

Schoenmakers- en zadelmakersgilde

In 1714 ontvangt het stadsbestuur van het schoenmakers- en zadelmakersgilde een brief. Het gilde geeft te kennen dat het dagelijks ondervindt dat vele gemaakte goederen, tot beide neringen behorende zoals schoenen, muilen, blaken, etc., van buiten de stad en inzonderheid uit Holland en van Bergen op Zoom, hier en soms met gehele manden worden ingebracht en onder de burgerij verkocht. Daardoor lijden zij en hun gildebroeders aanzienlijke schade. Het stadsbestuur heeft hier begrip voor en overweegt dat het inbrengen en verkopen van schoenen en muilen strekt tot grote schade van de gildebroeders. Het stadsbestuur besluit 'dat naar het exempel van andere steden van nu voortaan geen gemaakte schoenen of muilen van buiten sullen mogen worden te koop gebracht of op voorgaande gemaakte koop geleverd te worden, op de verbeurte van alle sodanige schoenen of muilen, mitsgaders een boete van 20 schellingen voor degene die selve komen te gebruiken, alles ten voordele van het arm- en weeshuis'.

Poorterijgilde

In februari 1715 komt een bijna vergeten gilde voor de dag. Het zogenaamde poorterijgilde bestaat al zeer vele jaren uitsluitend uit de heren van de magistraat. Door het geringe inkomen van de weinige effecten van het gilde zijn deze gewoon nu en dan bij extra-ordinaire gelegenheden 'een vriendelijke bijeenkomst' te houden. Gelet op de slechte toestand van de middelen van het arm- en weeshuis en van de kerk besluit het stadsbestuur eenparig 'met een pieus oogmerk het gilde te houden als vernietigd ende niet meer in wezen'. Ze verdelen de baten of effecten van het gilde over het weeshuis voor £ 42.10 en voor de kerk het kapitaal van £ 400 met de onbetaalde interesten van dien, die de kerk aan het gilde schuldig is en waarvan wegens het onvermogen van de kerk geen interesten zijn betaald.

Schippersgilde

In 1716 ontbiedt het stadsbestuur de dekenen van het schippersgilde in haar vergadering vanwege de geschillen tussen de smalschip- en cromschuitvoerders in het bevaren van de jaarmarkten. Besloten wordt 'dat de cromstevenschuiten even zoveel portie voor haar deel zullen trekken als de smalschepen voor en in plaats van het bevaren van het Rotterdamse veer, blijvende evenwel de cortschuyten op haar vorig deel in cas van passinge'.

Het stadsbestuur besluit in 1717 'om goede redenen, dat in het toekomende de turf, die alhier wordt verkocht en geleverd, niet in het holle van de schepen, zoals dit lange tijd herwaarts is gepraktiseerd, maar op de voorplecht van de schepen voor de mast, moet worden getond, zullende de onkosten van de turf te bearbeiden uit de schepen op de plegt zijn ten laste van de schipper of verkoper'.

Er ontstaat in 1717 onenigheid tussen de dekenen van het schippersgilde en de beurtschipper van Rotterdam op Goes Pieter de Wind. Er zijn moeilijkheden ontstaan 'over de tijd en het uur waarop de Rotterdamse beurtman, des dinsdags van Rotterdam afgevaren, alhier binnen de haven ofte aan het hoofd moet aangekomen sijn'. Burgemeester Adolf Westerwijk bemiddelt in het geschil. Op 20 oktober 1717 doet burgemeester Westerwijk rapport van een zeker akkoord tussen het schippersgilde en beurtschipper De Wind voor het beurtveer op Rotterdam. Hij heeft met beide partijen gesproken. Ze zijn overeengekomen dat in het toekomende de beurtschippers, die dinsdagsavonds van Rotterdam afvaren, te Goes 's zaterdagsmorgens om 9 uur binnen de haven of aan het hoofd moeten zijn of dat aan de andere kant zal worden voortgegaan ingevolge andere artikelen van het akkoord. Beide partijen beloven en nemen aan zich voortaan 'sonder tegenzeggen ter wederzijden te zullen gedragen'.

In 1718 doen zich dagelijks 'disputen' voor tussen de schuitvoerders van deze stad en de poonschippers van Veere over het verdelen van de vrachtlonen. Op verzoek van de stadsregering van Veere treft het stadsbestuur een regeling tot het wegnemen van de dagelijkse disputen. Voortaan zullen 'de vrachtlonen, door de poonschepen van Veere ende de groote ende kofschuiten van deze stad, van de eene op de andere stad gewonnen ende verdiend wordende, tussen deselve egalijk ende op gelijke deelen moeten worden verdeeld zonder enig onderscheid tussen de ene of de andere, zodat de een niet meerder ofte minder dan de andere sullen trekken'. Het stadsbestuur van Veere is hiervoor erkentelijk. De 'heren van Veere' bedanken voor de resolutie dat Goes de grote en kleine schuitvoerders heeft gelast met de poonschippers van Veere een verdeling te maken van de vrachtlonen. Ze verzekeren niet alleen dat ze hun poonschippers van Veere op Goes varende hebben gelast daarnaar te handelen. Ook beloven ze zorg te zullen dragen dat de verdeling van de vrachtlonen tussen wederzijdse schippers zal worden gehouden en nagekomen.

Ook in 1720 beklagen de gildebroeders van het schippersgilde zich dat ze benadeeld worden. Door dagelijkse ondervinding - zo schrijven ze het stadsbestuur - worden ze gewaar dat vele kooplieden in bomen en vaamhout, wanneer zij die beide soorten in de stad laten brengen, deze naar believen in een schip komen af te laden en daartoe een schipper gebruiken die hen goeddunkt. De brief is ondertekend door de gildebroeders Cornelis Dijkwel, Jacob Janse, Jacobus de Ruijter, Jan Stoof, Jan Bosdijk, Jan Jacobusse, Jacob Huygens, Abraham Groenendijk, Adriaan Jasperse, Pieter Jasperse, Jan Hoogelande en Thomas Ouwendijk.

Er komt in 1720 nòg een brief van de dekenen van het schippersgilde bij het stadsbestuur binnen. Ze betogen dat ze dagelijks van hun gildebroeders, en vooral van degenen die de vaste jaarlijkse beurten van de stad bedienen, veel klachten krijgen. De grief is dat de zogenaamde potschippers, die binnen de stad hun waren veilen en verkopen, wanneer ze van Goes naar Holland vertrekken uit de stad veel vaatwerk uitvoeren. Daardoor brengen ze de beurtschippers veel schade en nadeel toe. Potschippers varen met hun scheepjes langs steden en dorpen om aardewerk, potten, pannen, e.d. te verkopen. Op hun verzoek besluit het stadsbestuur de potschippers, damlopers en dergelijke, die hun waren binnen de stad opveilen en verkopen, te verbieden voortaan enigerlei vaatwerk, hetzij groot of klein, vol of leeg, in hun schepen in te laden en uit de stad naar andere plaatsen te vervoeren.

Brandewijnverkopersgilde

In september 1717 stelt het stadsbestuur - naar aanleiding van het verzoek van de meeste brandewijnverkopers - een ordonnantie vast. Hierbij worden de brandewijnverkopers onder een gilde gebracht. Tot dekenen van het brandewijnverkopersgilde worden aangesteld Joos de la Sable, Jan Dirkse Kleijn en Jacobus Marinusse Bus.

Weversgilde

Ook het weversgilde laat in deze jaren van zich horen. In 1714 betogen de dekenen van het weversgilde hoe dat ze - evenals andere grote gilden - zijn aangeslagen om te betalen aan de rentmeester van de kerkemiddelen voor het onderhoud van de kerkramen een som van 16 ponden Vlaams per jaar. Het gilde is 'in vorige tijden ook groot en sterk geweest om voornoemde quote op te brengen. Doch van tijd tot tijd is het zodanig verminderd en verzwakt dat het tegenwoordig maar omtrent 10 bazen sterk is'. Door de veelheid van lijnwaden die van buiten komen, werkt de rest van de gildebroeders bij de bazen voor knecht. Het gilde is door het weinige inkomen niet meer in staat de quote langer op te brengen. Dit is meermalen aan het stadsbestuur geklaagd en te kennen gegeven. Ze hebben geen geld in kas om de rentmeester de som van 16 ponden te betalen en verzoeken ontheven te worden van deze quotisatie.

In november 1718 geven de dekenen van het gilde te kennen dat 'aan haar ten profijte van het gilde op 30 januari 1706 gunstelijk is toegestaan om van ieder stuk lijnwaad tgeen in deze stad daarin gebracht ende bij omlage verkocht, te doen vorderen en door de gildeknape ontvangen twee grooten Vlaams, om daarmee te kunnen voldoen de taux waarmee het gilde tot de jaarlijkse onderhouding van kerkeglazen van ouds en alsnog is aangeslagen en enige verdere geringe onkosten vallende jaarlijks op de comparitiën der dekenen. Doch dat het provenu daarvan jaarlijks niet meerder als 13 of 14 schellingen is belopende, geenszins toereikend was aan de voornoemde goede intentie van haar agtbaren'. Ze verzoeken daarvoor een gunstiger regeling vast te stellen.

Het stadsbestuur besluit 'dat in het toekomende van ieder stuk linwaet, boezels, teerlingen ende andere linnewaren, tgeen binnen dese stad zal worden gekocht ende ingebracht, hetzij bij omlage ofte uit de hand, indifferentelijk door de koper zal worden betaald aan den knape van het voorseide weversgilde, ten profijte van hetzelve, twee grooten Vlaams, aan dewelke de koper aanstonds na de verkrijging sijner gekogte stukken het getal derselve naar waarheid zal gehouden zijn aan te geven. Hiervan blijven uitgezonderd zodanige stukken linwaet, die bij particuliere ingezetenen, geen winkelier sijnde, voor eigen gebruik worden gekocht ende gesleten'.

Kramersgilde

Bij de dekenen van het kramersgilde komen in 1720 veel klachten binnen van winkeliers. Het blijkt dat verscheidene lieden van elders met winkelwaren in de stad komen en die aan hun logementen te koop aanbieden. Bovendien ontzien ze zich niet om die winkelwaren aan de huizen van de inwoners uit te venten. Hierdoor lijden de winkeliers in de stad groot nadeel en veel schade. Het stadsbestuur besluit dit met kracht tegen te gaan. Geen luiden van buiten mogen voortaan enige winkelwaren binnen de stad brengen om die, na gedane omlagen, aan hun logementen te verkopen of deze aan de huizen van particulieren uit te venten.