Aanvulling? Meld het hier.
<<

Kerkelijke situatie (1714 - 1720)

Hervormde gemeente

In deze jaren doen zich scherpe meningsverschillen voor rondom de aanhangers van een zekere ds. Pontiaan van Hattem, eertijds verdacht van onrechtzinnigheid in de leer. De predikant van de Goese Hervormde gemeente ds. Hubertus Pieroom laat een boekje, getiteld 'Hervormde kerkentugt en deszelfs voorstanders, in de behandeling en afzetting van dhr. G. van Buitendijk etc.' drukken. Hij draagt dit op aan 'de edele, agtbare, wijse, voorzienige, zeer bescheidene heeren Bailjou, Borgemeesters, Schepenen en Secretarissen der Stad Goes'. Het stadsbestuur bedankt en complimenteert de predikant daarvoor en verzoekt hem 'dat zijn edele in sijnen ijver tot voorstand van de ware gereformeerde religie gelieve te volherden, waartoe verzocht en gecommitteerd is de secretaris mr. Adolf Westerwijk'. Er verschijnt begin 1714 ook een officiële bekendmaking van de Staten van Zeeland 'over het houden en bijwonen van ongeoorloofde conventiculen, het uitgeven van boeken handelende van zaken van den godsdienst, dewelke niet na gewonelijke kerkenordeninge wettelijk zijn geapprobeerd'.

Ook in februari 1718 sturen de Staten van Zeeland de stadsbesturen een gedrukt plakkaat toe 'over de schrikkelijke ende ketterse gevoelens van Pontiaan van Hattem, Gosinus van Buitendijk en anderen, op de 11 februari dezes jaars gearresteerd, met verzoek van publicatie ende affixie'. In 1718 komen het stadsbestuur 'dagelijks vele klachten ter ore over het houden van conventikels door doctor Gosinus van Buitendijk, voor desen hebbende geweest Bedienaar des Goddelijken Woords te Schore ende Vlake ende om deselfs valse en zielverdervende leere door eene synodale vergadering van sijn ambt als leraar gedeporteerd. Hebben haar agtbaren tot voorkoming van dien en verdere aanwas derselve valse en goddeloze leere goedgevonden de gemelde Van Buitendijk deze stad en jurisdictie te ontzeggen'. Hij krijgt bevel de stad direct te verlaten.

In de Goese Hervormde gemeente spitsen de meningsverschillen zich toe op de persoon van Cornelis Mispelblom. De kerkenraadnotulen van januari 1714 vermelden hierover: 'Cornelis Mispelblom, aangesproken zijnde, had over verscheidene stucken (van de godsdienst) met de wijkmeesters gesproken en eindelijk verzogt dat ze uit zijnen naam zouden zeggen dat hij Mispelblom een volmaakt geestelijk mensch was'. Een maand later blijkt dat Mispelblom zogenaamde conventikels (buitenkerkelijke godsdienstige bijeenkomsten) houdt. Namens de kerkenraad overleggen de predikanten Haayman en Ketelaar dit met de burgemeesters. Deze zeggen toe 'dat ze dezelve zoveel in hen was zouden weren en met name Mispelblom beletten dat hij voortaan geen conventikel meer zou houden'.

De kerkenraad waakt nauwgezet over de zondagsheiliging. Zo verzoekt ze het stadsbestuur in 1714 'goede orders te stellen tegen het spelen van de kinderen op straat op de Dag des Heeren en tegen dat ze in de weke niet mogen tuisschen (dobbelen) met geld'. De burgemeesters zeggen dit toe. Ook wordt het stadsbestuur verzocht 'tegen de aanstaande jaarmarkt te weren alle ijdelheden, spelen, etc. en niet toe te staan dat het ringsteken, de Antwerpse kermis etc., die op andere plaatsen geschieden, in onze stad mochten worden uitgeklonken'. Het stadsbestuur laat ook dit zich welgevallen.In 1715 speelt een kwestie over het wassen op zondag in het Oude Manhuis. De kerkenraadnotulen vermelden hierover: 'alzo onlangs in het Manhuis op de Dag des Heeren den gansen dag gewassen is en, behalve de meiden die geen lidmaten zijn, daar aan schuldig zijn de ziekenmoeder met haar dochter en de stiefster, die daarover aangesproken zijnde, wel enige verschoning gebruikten en beloofden dat werk op de Dag des Heeren niet meer te zullen doen. Zo wordt geoordeeld dat zij voor deze reise tot het Heilig Avondmaal niet komen zouden'. Ook besluit de kerkenraad lidmaten die 's zondags door het doen van nering ergernis geven, daarover aan te spreken.

In deze jaren vergadert de kerkenraad eens per twee maanden. Er passeren geen bijzondere zaken behoudens de rapportages van de wijkouderlingen over gevallen van afwijking in leer of leven. Daaruit blijkt dat de wijkpredikanten en - ouderlingen een nauwgezet toezicht houden op de lidmaten. Elke kerkenraadsvergadering komen vele gevallen van onmin, echtelijke ruzies, leergeschillen, etc. aan de orde, waarvoor de censuur wordt toegepast. De vier predikanten notuleren de vergaderingen bij toerbeurt. Zo notuleert ds. Haayman in een minutieus klein handschrift. Zijn collega ds. Andriessen doet dit zeer beknopt in een sierlijk maar bijna onleesbaar handschrift. Daarentegen schrijft ds. Van Rooijen in een bijzonder mooi en duidelijk handschrift. Soms is de notulering zo beknopt dat het verhandelde slechts enkele regels in het notulenboek beslaat. Zo luiden de notulen van de 3e april 1717 als volgt:

'Consistorie de 3 april 1717. Praesis ds. Joh. Andriessen.

  • De Name Gods is aangeroepen.
  • Jacobus Eliassen niet toegelaten, alzo niet onordentelijker bevonden is.
  • Welkom van ds. Leidecker als vooren.
  • De vergaderinge scheidt met dancksegging'.

De Hervormde gemeente wordt deze jaren als vanouds gediend door vier predikanten. In 1714 zijn dit de predikanten Johannes Andriessen (wonend in 'de Patiëntie', Keizerstraat nummer 1), Jacobus Haayman (wonend in 'het Sint Janshoofd', Lange Vorststraat nummer 94), Adolf Keetlaar (wonend vermoedelijk Lange Kerkstraat nummer 50) en Hubertus Pieroom (wonend Beestenmarkt nummer 18).

Op 6 november 1718 overlijdt de predikant ds. Haayman. De kerkenraadnotulen vermelden: 'Also onsen voormaels geliefden broeder de heer Jacobus Haiman op den 6e deser maends in den Heere ontslapen is, soo is besloten door onse praesis ds. Johannes Andriessen aanstaande dinsdag, zijnde de 11e deser, de hulp des eerwaarden classis te verzoeken opdat onse kerke op haar beurte bediend worde'. Naar het Collegium Qualificatum voor het beroepen van een nieuwe predikant vaardigt het stadsbestuur af burgemeester Adolf Westerwijk en de schepenen Johan van der Hille en Johan Leydekker. De keuze valt op 'de eerwaarde en godsalige en welgeleerde heer Martinus van Beijselaar, predikant te Vlissingen, met hope en verwagtinge van het beroep tot sijn gewenst effect door behoorlijke middelen te sullen brengen'. De vergadering komt overeen dat 'ds. Pieroom van den avond eenen brief aan den beroepene sal schrijven op het alderkragtigste als mogelijk is, met welke brief de koster morgen expres sal afgesonden worden'. De beroepen predikant meent voor het beroep te moeten bedanken. Hij schrijft dat hij 'zijn hart meest geneigd vindt om bij deze veel talrijker, vredelievende en ijverige gemeente van Vlissingen te blijven...wat blijkt uit de ongemeene toevloed van toehoorders tot mijne prediking en nu nog nader bij deze gelegenheid uit alle die tranen en smekingen der kerkleden gebleken is....'.

In 1719 beroept het Collegium Qualificatum eenparig ds. Petrus van Rooyen, sinds tien jaar predikant van de Nederduitse gemeente te Brouwershaven. Hij neemt dit beroep aan en wordt op 4 juni 1719 in de Goese Hervormde gemeente bevestigd. Uit zijn attestatie blijkt dat hij te Brouwershaven 'als een lieftallig en vriendelijk lid van onze kerkenraad onder ons verkeerd heeft met alle blijken van volle rechtzinnigheid omtrent de ware gereformeerde godsdienst en van vriendelijke en stichtelijke omgang'.

Elk jaar is de helft van de kerkenraad (vier ouderlingen en vier diakenen) aftredend. Zo worden in 1716 verkoren tot ouderlingen de oud-burgemeester Johan Westerwijk, de regerend burgemeester Adolf Westerwijk, de regerend schepen Dignus Keetlaar en de stadsdokter Johan Levendale en tot diakenen Jan Raphelse, Pieter Wauwelaar, Laurus Loenhout en Jan van Exem. Uit de jaarlijkse verkiezing blijkt telkens weer de grote invloed van het stadsbestuur op de kerkenraad. Opmerkelijk is het vermelde in de kerkenraadnotulen van 15 juni 1716: 'Onder de ouderlingen die twee jaren gerust hebben was ook de heer Machiel Boudens, die zeer aanhoudend heeft verzocht dat hij wegens zijn seer hoge jaren voortaan mogte worden verschoond van die bediening. De kerkenraad, in acht nemende de lange getrouwe diensten van dien heer en dat hij nu den ouderdom van over de twee en negentig jaren heeft bereikt, heeft ook, ten hoogsten voldaan zijnde van zijnen dienst tot stichting dezer gemeijnte, dat verzoek niet konnen weigeren'.

In november 1719 besluit de kerkenraad eenparig dat er tijdens de vier wintermaanden 'naar ouder gewoonte' diensten worden gehouden op dinsdagavond om vijf uur en op donderdagmorgen om 9 uur. De tot nu toe gebruikelijke vrijdagavondpreek van vijf uur wordt veranderd in een openbare catechisatie, waartoe de klok zal luiden om kwart voor vijf. De Hervormde gemeente ontvangt in 1720 een legaat uit het testament van de vermogende Margrieta Ruych, weduwe van Arend Ruych. Het legaat bestaat uit een hofstede bij Cruiningen en landerijen in verscheidene polders, samen 146 gemeten en 44 roeden, de meubelen van drie huizen en een huis op de Beestenmarkt. De afwikkeling heeft heel wat voeten in de aarde, vooral door de halsstarrige opstelling van de zoon Nicolaas Ruych. In deze jaren verkopen de kerkmeesters zekere 153 roeden zaailand in 's-Heer Abtskerke, eigendom van de kerk, voor £ 4.3.4 Vlaams de hoop. Dit stukje land is nu al enige jaren niet hoger verpacht als tien schellingen de hoop. In 1716 verkopen ze bovendien zekere 2 gemeten en 45 roeden zaailand onder de Heerlijkheid van Nisse in Sluishoek voor £ 2.2 de hoop.

 

Orgel Grote Kerk

Sinds de restauratie van het orgel in de Grote Kerk is 'den dienst als orgeltrapper waargenomen door een van de weesjongeren'. Degene die deze dienst waarnam heeft altijd enig traktement genoten. Het stadsbestuur besluit deze beloning te verhogen. De stadsrentmeester moet voortaan aan de ontvanger van de armengoederen ten bate van het weeshuis voor het orgeltrappen betalen drie ponden, zes schellingen en acht grooten Vlaams.

Klokkenspel

De beiaardier van het klokkenspel in de toren van de Grote Kerk is al vanaf 1702 Reyaard van Sagen. In verband met zijn benoeming in 1717 tot bode van het landrecht legt hij deze functie neer. In zijn plaats komt als klokspeelder de organist van de Grote Kerk, Pieter van Overstraten, op een traktement van 20 ponden Vlaams boven wat hij geniet 'voor het waarnemen van den orgel', zo samen £ 83.6.8 Vlaams. Bij deze gelegenheid besluit het stadsbestuur het onderhoud van het orgel weer ten laste van de stad te nemen. Het traktement voor de organist/klokspeelder wordt daardoor verlaagd met £ 8.6.8, zodat Van Overstraten voortaan jaarlijks aan traktement geniet van £ 75 Vlaams.

Waalse gemeente

In juli 1714 overlijdt de ouderling van de Waalse gemeente, de schepen en stadsdoctor David du Claux. In zijn plaats komt de schepen mr. Johan van der Lugt.

In 1716 geeft de Waalse predikant ds. Jean de Romieu, te kennen 'hoe hij zich tot zijn leedwezen genoodzaakt ziet door verscheidene toevallen tot betere onderhouding van zijn sware familie, van haar agtbaren gedienstelijk te verzoeken enige vermeerdering van tractement'. Hij erkent dat hij tegenwoordig 'wel iets meer geniet als waarop hij destijds beroepen is, echter deze beroeping was gedaan om de predikdienst gelijkelijk en pari passu met de heer De la Voûte waar te nemen, na wiens dood, die kort daarna was voorgevallen, de voorseide dienst alzo voor de helft verswaard zijnde, in het geheel zonder enige toezegging is aanvaard en volvoerd, met die hoope, dat daar de arbeid vermeerdert, ook het loon naar evenredigheid zou worden verhoogd'.

Ds. Jean de Romieu overlijdt in 1719. Inzijn leven ontving hij jaarlijks uit de stadskas een traktement van £ 16.13.4. Zijn weduwe, juffrouw Catharina Galand, verzoekt in 1719 'nu met seer veel respect ende ootmoed dat haar agtbaren in navolging van de staat deser provincie, die gewoon is aan de weduwen van de predikanten te doen betalen een half jaartractement na de drie maanden in dwelke hare mans sijn overleden, de goedheid geliefden te hebben van aan haar toe te leggen een half jaartractement na de drie maanden daar in haar man is overleden'. Het stadsbestuur gaat hiermee akkoord.

Onder voorzitterschap van de Franse predikant te Veere, ds. Soijer, die daartoe speciaal is uitgenodigd, brengt het Collegium Qualificatum in april 1719 een beroep uit. Na 'gedaan gebed en ordentelijke omvraag, is de beroeping van alle de leden gevallen op ds. Gabriël de Romieu, Frans predikant te Emmerik en eigen broeder van de overleden ds. Jean de Romieu'. Omdat hij juist in de stad vertoeft wordt hij in de vergadering van het Collegium Qualificatum ontboden. Hij verklaart bereid te zijn het beroep aan te nemen. De magistraat keurt de beroeping goed en feliciteert de gemeente hiermee. Voor het transport van zijn meubelen krijgt hij volgens oud gebruik £ 8.6.8 toegekend. Merkwaardig is een brief die het stadsbestuur in november 1719 van de kanselier van de geheime raad van de Koning van Pruisen ontvangt over een dagvaarding van de beroepen predikant in verband met zijn ontslag als Frans predikant binnen de stad Emmerik. Het stadsbestuur schrijft terug niet te willen treden in kerkelijke zaken; men moet zich maar tot de Waalse Synode richten.

De Waalse kerkenraad wijst het stadsbestuur er in september 1720 op 'dat hun diaconie-armen van tijd tot tijd aanmerkelijk komen achteruit te gaan. Een oorzaak hiervan is dat de vermogenden van hun gemeente in het land trouwen en daar hun milddadigheden komen te tonen, die zij, anderszins in de stad trouwende, aan hun diaconieën plegen te oefenen'. Ze verzoeken, evenals dit aan de Nederduitse kerkenraad is toegestaan, vrijheid om van ieder lidmaat van de Waalse gemeente, die elders dan in hun kerk komt te trouwen, af te vorderen een som van £ 4.3.4. Het stadsbestuur besluit om dezelfde richtlijn toe te passen als ten aanzien van de Nederduitse gemeente is gedaan. Dit is ook altijd de bedoeling geweest, maar per abuis heeft de Waalse gemeente kennelijk destijds hiervan geen bericht ontvangen.

Mennonieten gemeente

In augustus 1716 verzoekt 'de opsiender van de Mennonieten gemeente' de kerk te ontheffen van de jaarlijks aan de stad verschuldigde 100e penning en het kerkgebouw als kerk en niet als woonhuis aan te merken. De Mennonieten zijn als gevolg van de zware lasten en schaden die de gemeente heeft geleden niet meer in staat deze huisschatting of 100e penning op te brengen. Het stadsbestuur besluit het kerkgebouw in het kohier van de huisschatting te stellen op drie ponden Vlaams. De schatting op het huis bewoond door ds. Van Beusekom blijft echter bepaald op zijn gestelde taux.

Rooms-katholieke gemeente

Hoe de gezindheid is ten opzichte van de rooms-katholieken blijkt uit het volgende. In juni 1717 komt ter kennis van het stadsbestuur 'dat ene Theresia, professie doende van de Roomsche religie, ende getrouwd geweest met Cornelis Mogge, zijnde in zijn leven geweest van de Gereformeerde godsdienst, niettegenstaande de belofte die deselve bij houwelijkscontract met haar man heeft gedaan, van de kinderen, die zij tesamen zouden mogen verwekken, te zullen opvoeden in de Christelijke gereformeerde religie'. Tegen de plakkaten van den Lande heeft zij het bestaan 'eene dochter, bij hun beiden verwekt, ende dewelke albereids beneffens de andere kinderen in de publieke kerke het Heilig Doopsel heeft ontvangen, te zenden naar de Paapsche landen (ze is te Antwerpen voor vier jaar in de kost gedaan), met oogmerk en toeleg om deselve aldaar in de godsdienst te doen opvoeden'.

Het stadsbestuur besluit 'Theresia te gelasten haar dochter binnen de tijd van 14 dagen alhier binnen de stad weder te brengen en deselve voorts ingevolge hare solemnele en schriftelijk gedane gelofte in de Christelijke gereformeerde godsdienst te doen onderwijzen en opbrengen. Ende teneinde sulx hebbe zijn effect en zekere achtervolging, wordt deselve mede gelast ter eerste bekwame gelegenheid ende zo ras doenlijk zal zijn, alhier ter weeskamer te presenteren een voogd van 's vaders zijde over dewelke het opzicht zal staan over de opvoeding der wezen van voornoemde Cornelis Mogge ende wel specialijk ten regarde van de onderwijzing in de godsdienst'. Een extract hiervan wordt aan Theresia haar tegenwoordige man, Louis Rutz, ter hand gesteld om zich hiernaar te gedragen.

In juli 1717 lijkt het dat de weduwe Mogge tot nu toe niet voldoet aan het bevel van de magistraat om haar dochter uit 'de Paapse kwartieren' terug te laten komen. Ze zegt dat de aannemers van het in de kost nemen van haar dochter te Antwerpen weigeren haar voor het aflopen van de tijd van vier jaar te laten vertrekken. Het stadsbestuur besluit de weduwe Mogge door een van de stadsboden te laten aanzeggen dat 'sy hare wynkel sal hebben te sluiten ende er geene neringe te doen voor en aleer dat ze aan deselve resolutie sal hebben voldaan'. Op 19 juli 1717 komt Louis Rutz, getrouwd met de weduwe Mogge, ter vergadering. Hij heeft het dochtertje uit Antwerpen laten halen en toont het aan het stadsbestuur. Hij verzoekt toestemming 'om zijn winkel weer te mogen openen en nering te doen als voor desen'. Hij krijgt hiervoor toestemming mits het besluit van de magistraat ten aanzien van de godsdienst wordt nagekomen.

In december 1719 delen de burgemeesters Eversdijk en Westerwijk en de schepen Johan van der Hille het stadsbestuur mee 'dat zij op voorleden vrijdag bij hen in de schutterij van de edele Busse hebben ontboden soo de stads- als veldpaep, ende aan deselve, aldaer gekomen sijnde, genotificeerd de resolutie van haar edelmogenden van december van dit jaar, rakende het subject van de vervolgingen van de protestanten in de Palts'.