Aanvulling? Meld het hier.
<<

Orde en veiligheid (1714 - 1720)

Openbare orde

In juli 1714 heerst er een buitengewone droogte. Naar aanleiding van de klachten van verscheidene inwoners, die zich bezig houden met het houden en vetten van koeien en andere beesten, besluit het stadsbestuur een verbod te publiceren ‘tegen het paling steken in de dulven en watergangen onder deser stede jurisdictie gelegen met scharen, ellegaarden, kruys- en hoepnetten’.

In 1718 besluit het stadsbestuur ‘L. de Bree ende eene Pieter, door de wandelinge genaemd krullebolle, over ende ter oorzake van hare continuele insolentie ende straetschendenarijen, deze stad ende jurisdictie van dien te ontseggen, met order om die binnen 24 uur te ruimen’. Tevens om ‘een zekere Engelsman, op maandagnacht hebbende gepleegd vele moedwilligheden soo op de Kaaije, Grote Markt als bij de Gansepoort, te doen vatten ende bij provisie in het donker gat te setten’.

Ook wordt in 1718, na verhoor, besloten ‘seker vrouwspersoon, genaamd Cecilia, en geboortig uit Brugge, op voorleden maandagochtend tussen vijf en zes uur ten huize van Marinus Gerardse op de Molendijk hebbende gestolen twee paar zilveren broeksknopen ende gespen van schoenen, ende daarover sijnde geapprehendeerd, deselve, over ende ter oorsaak van voorseide diefte, nog op huiden met roeden te doen behangen ende voor het stadhuis alhier te pronken te setten’.

Justitie

Hierna volgen enkele uitspraken op het gebied van de rechtspleging.

In augustus 1714 procedeert de baljuw Willem Vogel, heer van Steenvliet, tegen een zekere Pieter Wolfaarts uit Cortrijk in Vlaardingen, die in hechtenis zit in de stadhuistoren. Hij werkte als weversknecht bij Jan de Wolf en heeft in het huis van zijn baas gestolen. Burgemeesters en schepenen veroordelen hem ‘om strengelijk met roeden gegeseld te worden en uit den lande te worden verbannen’.

In november 1715 heeft een zekere Jan Goossen, geboortig van Puppingen bij Halle in Brabant, oud omtrent 20 jaar, ‘door de heer Officier zijnde geapprehendeerd en alhier in hechtenis gebracht, coram het stadsbestuur bekend gemaakt dat hij in de maand september  ten huize van Pieter Paulusse in de Poel, met geweld de glazen vensters heeft opengebroken ende, daardoor in het huis geclommen zijnde, met een spade de kiste opengebroken ende daaruit genomen 22 Zeeuwsche rixdaalders en zes grooten Vlaams, alsmede een hemdrok met silveren cnoopen, met nog vier manshemden, alle hetwelk sijnde openbaar geweld, huysbraken, dieverye, ten hoogsten aan den lyve strafbaar, selfs met de dood’. Het stadsbestuur besluit, ‘uit consideratie van des delinquents jonge jaren, hem alleenlijk  binnenskamers met roeden te doen geeselen en daarna te ontseggen de stad en jurisdictie’.

In 1716 wordt besloten ‘een seker vrouwspersoon, genaamd Catharina Helmont, gecoomen van Montpellier, over begane diefte alsnu in hegtenis sittende, dry malen de marct om te leyden, met roeden gebonden en voorts omhangen met alderhande goederen en gebannen uit den lande’.

Ook blijkt in 1716 ‘dat twee vrouwspersonen, de ene uit Antwerpen en de andere uit Mechelen, zich hebben verstout om ten huize van Adriaan Voet onder pretext van eenige kanten te willen koopen, enige stukjes van deselve heymelijk weg te nemen en des voornoemdes huisvrouw te ontstelen alsmede een hemde van den waard, ten wiens huize zij logeerden’. Het vonnis luidt dat de twee vrouwspersonen op naastkomende dinsdag (dus de marktdag) ‘publykelijk met roeden behangen, eenige reyzen om de Groote Markt, ten afschrik van anderen, door ’s Heeren Dienaars zullen worden omgeleyd en voorts gehouden voor gebannen uit deze stad’.

In januari 1717 treedt de baljuw Van Steenvliet op tegen Stoffel Groenendaal en Jacoba Stoop. Groenendaal, ‘in de huwelijksband zijnde, heeft zich niet ontzien vleselijke conversatie te hebben met Jacoba Stoop, waardoor deze is geïmpregneerd en van een jonge dochter verlost’. Wegens overspel met een ongetrouwd vrouwmens wordt hij veroordeeld tot ‘een boete van 200 ponden Vlaams, corporele straffe en bannissement’.

De stadsregering verbant in 1717 een zeker persoon, geboortig uit het Land van Tholen, die gevangen genomen bekend heeft op het platteland een hemdsrok met zilveren knopen te hebben gestolen, uit de stad en jurisdictie.

In september 1717 komt de baljuw ter vergadering van het stadsbestuur. Hij voelt zich verplicht ‘eis te doen tegen eenen Cornelis van Ots, burger alhier. Deselve heeft niet alleen gedurende de voornoemde procedures sig niet ontsien op verscheidene plaatsen ten aanhoren van diverse personen veelmalen hem en de pachters uit te maken voor schelmen en schurken en sijn edele in het particulier voor een donder, een schelm die de galg waardig was, en daar in korte tijd aan soude hangen met bijvoeging van meer andere lasterlijke vloekwoorden en injuriën, maar nu laatstelijk enige weken geleden, ter gelegenheid der aan deselve sijnen eis en pretensie van schade aan zijn vaartuig ter oorzaak als voren geleden bij haar agtbaren vonnis was ontzegd, bestaan heeft de voorseide scheldwoorden met bedreigingen in het algemeen te vermeerderen van die of gene ongelukkig te maken, gebloede hemden te dragen en diergelijke, ja zelfs sig met euvelen moede te begeven aan het huis van Huibregt van den Vlasse, denselve aldaar dreigende de hals af te snijden en andere moedwilligheden meer bedrijvende tot dat hij door sijn vrouwe en broeder met vele moeiten daar is weggebracht. Alle welke saken, die onlijdelijk en ten hoogste strafbaar zijn’. Van Ots wordt gelast in stadsgijzeling te gaan in de herberg ‘de Gouden Leeuw’ aan de Grote Markt.

In juni 1718 komen dagelijks ‘vele en menigvuldige klachten ter ore van de magistraat over de grote insolentiën, scheldingen en bedreigingen, van tijd tot tijd begaan en gedaan wordende door Willem Franse, dan eens tegen den eenen dan eens tegen den anderen’. Franse wordt de stad en jurisdictie ontzegd met order om deze binnen tweemaal 24 uur te ruimen.

In deze zelfde maand wordt ‘seker landlooper, alomme binnen desen eilande onder teikenen van stom te wesen ende gebruik van een belle loopende bedelen, wesende gevat ende alhier in het gat geset, hebbende haar agtbaren, naer denselven in hare vergadering te hebben hooren spreken, goedgevonden, dat hij tersake van de voormelde valschheid ende goddeloosheid, op morgen ochtend tussen tien ende een uure door een executeur van de extra-ordinaire compagnie op de Grote Mart drymalen agter den anderen sal worden omgeleijd, omhangen met bellen ende roeden, ende sulks gedaan sijnde de stad en jurisdictie uitgedreven’.

In oktober 1719 treedt burgemeester mr. Johan Westerwijk, waarnemende de baljuwage, op tegen Claas Corstanje. Hij is destijds veroordeeld en verbannen, maar is nu weer te Cruiningen gesignaleerd, ‘bij zich hebbende een sack waarin was een tonneke, apparent opgevuld met sterke drank, waarmee hij is gaan zitten op de wagen van Jan Glerum’. Hij heeft zijn mes tegen de collecteur getrokken, dreigende hem daarmee te snijden. Corstanje wordt aan de scherprechter overgeleverd om met roeden gegeseld te worden en verder voor twaalf jaren uit de provincie verbannen.

Ook in januari 1720 treedt burgemeester Johan Westerwijk, waarnemende de baljuwage, op tegen de in hechtenis genomen Jacob Andriesse. De deurwaarder Willem Goeree heeft de verdachte in de herberg ‘de Houten Klompe’ te ‘s-Heer Hendrikskinderen onderzocht of hij geen sterke drank in huis had. Onder de planken van een bedstede zijn vier tonnekes met brandewijn gevonden en onder een wastobbe nog een met brandewijn, een met jenever en de drie andere met wijn. Hij krijgt een boete van 200 ponden Vlaams en wordt ‘aan den lijve gecorrigeerd’.

Veiligheid

Op 11 november 1715 ontvangt de baljuw een aanschrijving van de Staten van Zeeland met een daarbij gevoegde brief van de Staten-Generaal 'om voor de tijd van veertien dagen alle vreemde personen, zijnde van Brittische natie, aan te houden en te visiteren waar vandaan en naar welke plaats deselve willen vertrekken, tenzij deselve voorzien zijn met paspoort, geteykent van Sijn Brittannische Majesteits vertegenwoordiger, de heer Cadogam'.


Baljuw en 's Heeren dienaars

Op 30 januari 1715 doet zich een opmerkelijke situatie voor. De baljuw Adriaan Vogel, heer van Steenvliet, ziet zich genoodzaakt de heer Cornelis de Perponcher Sedlnitsky, heer van Wolphaartsdijk, mede op advies van rechtsgeleerden, te dagvaarden. De Perponcher wendt zich daarop tot de president en raden van de Hove Provinciaal over Holland, Zeeland en Westvriesland en beklaagt zich over deze zaak. Het hof stelt de baljuw als eiser in het gelijk. Daarop gaat De Perponcher in beroep bij de Hoge Raad. Het Stadsbestuur zegt de baljuw dank voor zijn gedane moeite en neemt hem in bescherming 'over alle inconveniënten ende verongelijkingen die hier om tegen hem zoude mogen worden opgevat en ondernomen'.

In 1716 komt het tot een confrontatie tussen het stadsbestuur en de baljuw Adriaan Vogel, heer van Steenvliet. Niettegenstaande 'enige voorgaande, haar agtbaren commissoriale en andere vriendelijke aanspraken, afradingen en waarschuwingen hij niet nalaat haar edelagtbaren in het generaal en sommige heren in het particulier, staande haar edelagtbaren vergadering, bij continuatie van tijd tot tijd te bejegenen op een disrespectueuze en injurieuse maniere, niet overeenkomende met de eer ende agting, die zijn weledele aan het college van burgemeesters en schepenen pligtshalven verschuldigd is, hetwelk haar agtbaren niet langer staande te lijden hebben, tot voorkoming van alle verdere vilipendie en gevolgen, die daar uit onvermijdelijk zouden moeten resulteren'. De baljuw krijgt de aanzegging dat hij zich 'in het toekomende van een diergelijke bejegening, die veeltijds zijn opgevat over rechtspleging in zaken zijn weledele's functie rakende, in het toekomende zal moeten wachten. Of dat haar agtbaren, na deze laatste waarschuwing, niet zullen kunnen afwezen haar regtveerdig ressentiment tegen zijn weledele's persoon en bediening zo verre te tonen en in het werk te stellen, als haar agtbaren tot maintenu van haar wettige autoriteit en gezag zullen oordelen bevoegd te zijn en te behoren'.

In 1718 heeft de baljuw en civiele schout van de stad, Adriaan Vogel, heer van Steenvliet, het verbruid. Op 20 mei 1718 besluiten de Staten van Zeeland 'naar aanleiding van het gepresenteerde van de Heren van Goes over de onordentelijkheden bij de baljuw van Goes voornamelijk op de 4e april 1718 in de volle vierschaar gepleegd, ter voorkoming van verdere moeilijkheden, de baljuw van Goes te gelasten tot nader order zich van de uitoefening van zijn functie te onthouden'. Uit de stadsnotulen van 30 mei 1718 blijken de achtergronden van dit ingrijpende besluit: 'De heer Adriaan Vogel, heer van Steenvliet, en civiele schout van de stad, haar edelagtbaren staande de vergadering niet alleen lange tijd achtereen op een veragtelijke en lasterlijke wijze, niet overeenkomende met de eer en achting door zijn weledele aan deselve, als rechters en regeerders van deze stad ambtshalve verschuldigd, hebbende bejegend en daarover door haar agtbaren verscheidene malen, zowel mondeling als schriftelijk, zijnde berispt, gewaarschuwd en aangezegd, dat zij zo in zijn voorseide disrespectueuze behandelingen tegen haar kwam voort te gaan, niet souden kunnen nalaten van daar over rechtveerdig ressentiment tegen deselve te tonen. Maar op de 2e en 4e van deze maand, ten aanhoore van de procureurs en andere suppoosten en present zijnde burgers, sig op een hooggaande wijze met schelden en bedreigingen tegen haar agtbaren in het algemeen en de presiderende burgemeester Westerwijk in het bijzonder en de anderen in de vierschaar zijnde vergaderd om justitie en recht te plegen, hebbende uitgelaten. Ziende dat alle voorgaande vermaningen tevergeefs zijn geweest en hetselve niet langer kunnende verdragen, is met eenparige stemmen tot voorkoming van verdere moeilijkheden besloten Adriaan Vogel te gelasten sig tot nader order van de uitoefening van zijn functie als civiele schout van de stad te onthouden'.

In december 1718 verzoekt burgemeester Adriaan Eversdijk, waarnemende de baljuwage sedert dat de heer Adriaan Vogel, heer van Steenvliet, door de Staten van Zeeland uit zijn ambt is ontzet, een ander lid van de regering aan te stellen die de baljuwage voorlopig kan bedienen. De magistraat wijst eenparig mr. Johan Westerwijk, oud-burgemeester en pensionaris-honorair van de stad, aan.

Brandweer

De gezamenlijke generale brandmeesters leggen het stadsbestuur voor dat het aantal schutters, nodig voor het assisteren van de brandspuiten, niet voldoende is. Ze krijgen toestemming om zo veel schutters tot assistenten te maken als zij nodig zullen oordelen.

Schutterijen

In 1720 benoemt het stadsbestuur tot hoofdman van de schutterij van de edele Handboog mr. Johan van der Hille en tot dekenen de secretaris Christoffel Annaart, Boudewijn Verselewel en doctor Johannes Levendale; tot hoofdman van de schutterij van de edele Cruisboog mr. Nicolaas Sommerzee en tot dekenen Johan van Ossewaarde, Mattheus Eversdijk en de dijkgraaf Johannis Landschot en tot hoofdman van de schutterij van de edele Busse burgemeester Adolf Westerwijk en tot dekenen mr. Pieter Lammens, Gerard Isebree en Pieter Hobius.

Extra-ordinaire compagnie

In 1718 overlijdt Laurens Vermole, de captein van de extra-ordinaire compagnie van Zuid-Beveland. De vier gecommitteerden van Zuid-Beveland komen in de vergadering van het stadsbestuur om de capteinsplaats van de compagnie te helpen vervullen. Ze verkiezen Steven Schoon tot nieuwe captein. Tegelijk besluit het stadsbestuur de resolutie van 19 januari 1717 te vernieuwen, waarbij onder anderen 'soo officieren als assistenten van de extra-ordinaire compagnie gehouden zijn jaarlijks op de 5e januari aan burgemeesters en schepenen mondeling en in persoon te verzoeken continuatie van hun respectieve diensten'. Opnieuw wordt besloten 'te verbieden aan alle bedienden van de extra-ordinaire compagnie, uitgenomen de captein nu ende in de tijd sijnde, wanneer ze in hun functie en bediening uitgaan, te rijden op enige paarden en honden mede te nemen'. Voor de overtreders volgt schorsing voor drie maanden; 'in desen zal de simpele en bloote aanklacht van de captein verstrekken voor volkomen bewijs'.

Een ernstige zaak doet zich voor in 1720. De luitenant van de compagnie, Hendrik van Swesering, 'de stoutheid en hebbelijkheid hebbende gehad van geld af te vorderen van ende te knevelen doodarme luiden, die het ongeluk hadden gehad van enig goed te worden ontnomen ende sijn hulp versogt om hetselve wederom te kunnen erlangen'. Het stadsbestuur besluit Van Swesering te schorsen voor zes weken. Enkele maanden later wordt de schorsing naar aanleiding van het ootmoedige verzoek van de luitenant weer ingetrokken.

Nachtwacht

In oktober 1715 meldt de stadsmajoor een gevecht tussen Marinus Christiaanse, één van de twaalf nachtwakers, en de knecht van de beurtschipper op Rotterdam, Claas Onderdijk. Hierover hoort het stadsbestuur de majoor en Claas Franse, die op die tijd de nachtwacht had. Ze doen omstandig verslag van het voorgevallene. Het stadsbestuur besluit Marinus Christiaanse vanwege zijn wangedrag te deporteren en in zijn plaats tot nachtwaker of klapperman aan te stellen Philip van der Markt, op hetzelfde tractement als van ouds.

Huizen

Uit het huizencohier geven we een bloemlezing van mutaties. In 1714 krijgt de stadssecretaris mr. Pieter Lammens vergunning om aan zijn huis 'het Wapen van Seelandt' aan de Klokstraat nummer 1 te timmeren een nieuw balkon. In september 1714 geeft burgemeester Johan Westerwijk te kennen dat hij het huis ''t Schaeck', Grote Markt nummer 9, van de erfgenamen van wijlen burgemeester Jacob Nollens heeft gekocht. Hij is niet genegen om nog langer dan mei 1715 het huis te bewonen dat eigendom is van het weeshuis aan de Nieuwe Noordstraat (nu Nieuwstraat nummer 1), dat nu enige jaren door hem gehuurd is. Hij heeft Pieter Hobius bereid gevonden de huur van dit huis over te nemen. Vanaf 1719 dient dit huis als pastorie voor de nieuwe predikant van de Hervormde gemeente, ds. Petrus van Rooyen. In november 1714 stemt het stadsbestuur in met de verkoop van een speelhof, staande buiten de Ganzepoort, aan de predikant ds. Adolf Keetlaar ten gunste van de wezen van de overleden procureur Johan de Wolf.

In december 1714 krijgt Cornelis de Munnik vergunning om, naast zijn huisje, genaamd 'de Schaapskooye', staande op de stadswal aan de oostzijde van de haven bij de olymolen, een nieuwe schuur te bouwen. In februari 1715 krijgt Everwijn Tekelenburg toestemming om zijn schuur, staande bij de Hoofdpoort en die daar sinds het afbreken van de schorsmolen geen dienst meer doet, te verplaatsen naar het stadsplein buiten de Ganzepoort om deze tegen zijn 'hovenieringe' daar te zetten. De nieuwe schuur mag niet verder uitspringen en moet parallel lopen met de daar staande schuur van de wagenmaker Hendrik Caree.

In 1715 blijkt uit inspectie dat 'op enige geplante bomen in de hof van Hubrecht van der Vlasse, strekkende tot een scherm en waardoor het licht, staande in het huis van Joos Pauwelse op de Beestenmarkt, t'eenemaal verduystert of benomen werd'. Hij krijgt opdracht deze bomen in te trekken tot op drie voet van de scheidsmuur. In 1716 krijgt de wijnhandelaar Everwijn Tekelenburg toestemming 'om te mogen stichten een speelhuysken annex zijn olymolen beoosten de haven op de punt boven de scheepstimmerwerf, ter breedte van omtrent anderhalve roede vierkant'. In mei 1718 krijgen Adriaan Minnaart en Jan Amper, voogden van de kinderen van de overleden Lambrecht Coopman, toestemming tot de verkoop van een speelhof, gelegen in de schipperswegeling, dat eigendom van Coopman was. In 1718 beklaagt Dirk Turk zich erover dat Jacobus Kogelenberg de van hem gehuurde stal of het pakhuis in het Ossenhoofdstraatje tussen zijn huis en dat van de dijkgraaf Johannes Landschot, door het inleggen en blussen van menigvuldige kalk zodanig devalueert en misbruikt dat het bij verdere voortgang zou omver vallen. Kogelenberg wordt gelast de kalk binnen 14 dagen uit de stal te verwijderen. In oktober 1718 moet Joos de Jonge de leuningen van zijn zitbanken op de stoep van zijn huis tussen dat van de weduwe Dieter Mesoek en Adriaan Bakker in de Magdalenastraat wegnemen vanwege het ongemak dat zijn buren hiervan hebben.