Aanvulling? Meld het hier.
<<

Stadsbestuur (1714 - 1720)

Stadsbestuur

Een vaste gewoonte is dat in de eerste raadsvergadering van het nieuwe jaar 'als van ouds wordt geprocedeerd tot het vermaken van de officieren en dekens van de gilden zoals de namen vermeld staan in het ordinaire register der gilden'. Ook wordt dan beslist op de verzoeken van de drie stadsboden, de drie gezworen lijkbidders en stadscrieerders, de drie deurwaarders van het landrecht en de herbergiers, bier- en sterke drankverkopers, schoolhouders, zoutverkopers bij de kleine maat, de bakker in de Voorstad en de coffyhuishouder om continuatie voor één jaar.

Begin 1714 treedt Boudewijn Verselewel als schepen toe tot het stadsbestuur. Van hem zullen we nog veel vernemen. Hij komt in de plaats van de als stadssecretaris benoemde doctor Christoffel Annaart. Verselewel doet door zijn benoeming tot schepen afstand van het commissarisschap van het landrecht. Zijn opvolger in deze functie is mr. Gillis Cornelisz. van der Nisse.

Stadssecretaris mr. Adolf Westerwijk Adolfzn volgt in 1714 de aftredende Adriaan Eversdijk als burgemeester op. Eversdijk krijgt naar goed gebruik de functie van pensionaris-honorair. De aftredende schepenen mr. Johan van der Hille, mr. Johan Leydekker, mr. Adriaan Ysebree en Pieter Hobius worden opgevolgd door Johan van der Lugt, doctor Cornelis van Zunder, mr. Dignus Keetlaar en Johan Rontvis. Door de promotie van Adolf Westerwijk tot burgemeester komt één van beide secretarisposten vacant. Met eenparige stemmen benoemt het stadsbestuur tot secretaris van de stad, klerk van de weeskamer en griffier van het landrecht mr. Nicolaas La Grappe, regerend schepen van de stad. De opvolger van La Grappe als schepen is mr. Gillis van der Nisse, tot nu toe commissaris van het landrecht. Deze functie krijgt nu mr. Adriaan Eversdijk Corneliszn. toebedeeld.

In juli 1714 overlijdt het lid van het stadsbestuur, de schepen doctor David du Cloux. Hij woonde in het pand 'Ceulen' aan de oostzijde van de Grote Markt nummer 24. In zijn plaats komt Gerard Ysebree. Mr. Adriaan Eversdijk volgt in 1715 de aftredende burgemeester mr. Johan Westerwijk op. Westerwijk wordt als naar oude gewoonte pensionaris-honorair van de stad. In de plaats van de afgaande schepenen mr. Nicolaas Zommerzee, Johan van der Lugt, Boudewijn Verselewel, mr. Gillis van der Nisse en Gerard Isebree treden aan mr. Johan van der Hille, mr. Johan Leydekker, mr. Adryaan Ysebree, Pieter Hobius en Marynus Drywegen.

Mr. Johan Westerwijk volgt in 1716 zijn broer, de afgaande burgemeester mr. Adolf Westerwijk op. In de plaats van de afgaande schepenen mr. Johan van der Lugt, doctor Cornelis van Zunder, mr. Dignus Keetlaar en Johan Rontvis komen mr. Nicolaas Sommerzee, Johan Verlugt, Boudewijn Verselewel en mr. Gillis Cornelis van der Nisse. In 1717 volgt mr. Adolf Westerwijk de afgaande burgemeester mr. Adriaan Eversdijk weer op. In de plaats van de aftredende schepenen Johan van der Hille, Johan Leydekker, Adriaan Ysebree, Pieter Hobius en Marinus Drywegen komen mr. Johan van der Lugt, mr. Dignus Keetlaar, Gerard Ysebree, mr. Nicolaas Eversdijk en mr. Mattheus Eversdijk Azoon.

In 1717 trekt de oudgediende, burgemeester Adriaan Eversdijk, zich langzamerhand terug uit het openbare leven. Hij verzoekt ontslagen te worden van zijn dienst als generale brandmeester; 'zijn jaren laten het niet toe, naar vereis van zaken, hetselve ambt te bedienen'. In zijn plaats komt mr. Nicolaas La grappe. Om dezelfde reden vraagt hij ontslag uit zijn functie als opziener van de Nederduitse scholen binnen de stad. Maar in 1718 volgt mr. Adriaan Eversdijk de afgaande burgemeester mr. Johan Westerwijk op. In de plaats van de aftredende schepenen mr. Nicolaas Zommersee, Johan Van der Lugt, Boudewijn Verselewel en mr. Gillis Cornelis van der Nisse worden verkoren mr. Johan van der Hille, mr. Johan Leydekker, Johan Rontvis en Marinus Drywegen. De schepen mr. Mattheus Eversdijk Adriaanzn vraagt in 1718 ontslag 'om redenen hem daartoe moverende'. Zijn opvolger als schepen is Mattheus van Oostee.

In 1719 volgt mr. Johan Westerwijk zijn broer Adolf Westerwijk op als burgemeester. Als schepenen treden aan mr. Adriaen Ysebree, mr. Nicolaas Zommersee, Johan Verlucht, Boudewijn Verselewel en Gillis Cornelisse van der Nisse in de plaats van mr. Johan van der Lugt, mr. Dignus Keetlaar, Gerard Ysebree, mr. Nicolaas Eversdijk en Mattheus van Oostee. De schepen tevens stadsdirecteur Johan Verlucht overlijdt in 1720. In zijn plaats als stadsdirecteur komt Pieter Hobius, oud-schepen en raad van de stad. In 1720 treedt mr. Adolf Westerwijk weer opnieuw aan als burgemeester. Hij volgt dan de afgaande burgemeester mr. Adriaan Eversdijk op. In de plaats van de afgaande schepenen mr. Johan van der Hille, mr. Johan Leijdekker, Johan Rontvis, heer van Wemeldinge, en Marinus Drywegen komen dokter Cornelis van Sunder, Pieter Hobius, mr. Mattheus Eversdijk Azn. en Mattheus van Oostee.

Op 5 januari 1717 overlijdt een bekende in het stadsbestuur, de stadssecretaris mr. Nicolaas La grappe. Hierdoor vaceert één van de beide secretarisambten. 'Ende den dienst van deselve niet konnende lijden dat die plaats langer onbekleed blijve', benoemt het stadsbestuur met eenparige stemmen tot secretaris van de stad, klerk van de weeskamer en griffier van het landrecht Adriaan van Oostee, fiscaal van het landrecht en klerk ter griffie van de stad. In de opengevallen plaats van klerk ter griffie komt doctor Johan Levendale en in die van fiscaal van het landrecht Johan Dankert Westhoek. Mr. Nicolaas Lagrappe was in zijn leven ook stadsdirecteur over de openbare werken, generale brandmeester en buitenregent van het oude mannen- en vrouwenhuis. Het stadsbestuur benoemt tot nieuwe stadsdirecteur Pieter Hobius, tot generale brandmeester uit de schutterij van de Busse eveneens Pieter Hobius en tot buitenregent van het proveneurshuis de schepen Marynus Drijwegen.

De stadsdirecteuren laten in 1720 door de vendumeester Gillis Faveur een aantal olmen- en essenbomen aan de oostschans verkopen. De verkoop brengt een bedrag op van £ 118.3.8. Het stadsbestuur overweegt 'de schaarsheid ende de weinige voorraad van penningen in stadskasse en de noodzakelijk moetende betaald wordende lasten' en besluit deze penningen aanstonds aan de administrerend rentmeester Francois de Keijser over te dragen. De vorige administrerend rentmeester van de stadsmiddelen, Adriaan van Oostee (hij diende van 1713 tot 1717), betoogt 'dat hij niet alleen gedurende de drie laatste van die vijf jaar door het verminderen van stadsinnekomens en het considerabel vermeerderen van jaarlijkse, sware reparatiën aan stadswerken, voor de stad uit zijn kasse hadde verstoken somtijds tot vier, vijf of zes honderd ponden Vlaams, ja somtijds tot over de duizend ponden, maar zelfs tot juli 1719 toe, sijnde anderhalf jaar nadat de heer Francois de Keijser in zijn plaats is gesuccedeerd, nog in verschot was van omtrent de zeshonderd ponden Vlaams, zonder dat nog over de eerst genoemde drie ofte laatstgenoemde, enige vergoeding daarvoor had genoten'. Het stadsbestuur had hem beloofd dat hij daarvoor een vergoeding zou krijgen. Het stadsbestuur besluit hem een vergoeding toe te kennen van £ 85.

In mei 1720 geeft de administrerend rentmeester Francois de Keijser te kennen 'dat stadskasse geene penningen in voorraad hadde om de dagelijkse tot laste van deselve geslagen werdende ordonnantiën te voldoen'. Hij verzoekt daarom in staat te worden gesteld om de nodige betalingen te doen. Het stadsbestuur besluit de secretarissen van de stad te machtigen om uit de penningen van de rekenmeester Pieter Bout beschikbaar te stellen een som van duizend ponden Vlaams.

Hogere overheden

In februari 1719 benoemen de Staten van Zeeland Caspar van Citters, tot nu toe hun secretaris, tot Raadpensionaris van Zeeland. Het stadsbestuur begunstigt de regerend schepen mr. Dignus Keetlaar met de Goese stem voor benoeming in de vacature van secretaris van de Zeeuwse Staten. In augustus 1719 licht burgemeester Johan Westerwijk toe dat mr. Dignus Keetlaar, 'tot het bekomen van de vacante secretarisplaats van de provincie met deses stadstem sijnde begunstigd, op Sint Jan laatstleden op zijn toerbeurt als schepen afgegaan en daardoor geen kwaliteit hebbende om vanwege deze stad ter vergadering van de edelmogende staten te komen compareren en sijn sollicitatiën tot het verkrijgen van de secretarisplaats soo nodig, aldaar als elders voort te zetten, sijn edele had aangeweest en verzocht, dat haar agtbaren de goedheid geliefden te hebben van hem voor en gedurende de tijd van de vacature van het voornoemde ambt tot pensionaris-honorair van de stad aan te stellen, teneinde hij door het bekomen van dien titel vanwege deze stad ter hoog gemelde vergadering moge verschijnen en zijn sollicitatie, buiten kosten en lasten van deze stad, te bevorderen'. Hiermee stemt het stadsbestuur in. En het lukt!

In december 1719 komt er een brief van Keetlaar met de mededeling dat hij door haar edelmogenden is aangesteld tot secretaris van de Zeeuwse Staten. Hij bedankt het stadsbestuur hartelijk 'dat deselve zijn edele daartoe met hare stadstem hadden begunstigd ende soo grootelijks gecoöporeerd tot voornoemde promotie, met seer beleefde aanbieding van dienst'. Tevens bedankt hij het stadsbestuur 'voor de eer en gunst die hij gedurende zijn aanwezen in de stad, over de tien jaren, aan elkander hebben genoten'.

In maart 1720 legt burgemeester Eversdijk het stadsbestuur een vanuit 's Hage geschreven brief voor van mr. Pieter Bout. Bout schrijft vernomen te hebben 'dat de rekenmeesterplaats ter Generaliteits Rekenkamer, door den opgang van de heer Noije uit de selve in de Generaliteit, vacant geworden, door haar Edel Mogenden, op nominatie en recommandatie van het stadsbestuur van Goes stonden vergeven te worden'. Hij verzoekt onderdanig of het stadsbestuur 'hem soo gelukkig geliefden te maken van hem, ter suppletie van hetselve ambt, aan deselve haar edelmogenden te recommanderen en favorabel voor te dragen'. Hij is bereid voor die gunst als een recognitie aan de stad te schenken een som van maar liefst vijftig duizend gulden. Bij de bespreking blijkt dat de schepenen Verselewel en Van der Nisse ook belangstelling hebben voor dit ambt. Beide heren wordt met grote nadruk verzocht 'dat dog in achting souden gelieven te nemen de hooge nood ende gewisse ondergang van stadskasse ende hoe merkelijk deselve voor het genieten van soo een aangeboden somme soude konnen worden hersteld'. Beiden weigeren echter van hun sollicitatie af te zien. Het stadsbestuur stelt de beslissing enkele dagen uit 'met uitdrukkelijk verzoek aan de twee heren van ondertussen die cordate resolutie te nemen van, uit aanmerking van de conveniëntie van deze stad, van hun sollicitatie te desisteren'. Als er niets verandert besluit het stadsbestuur de kwestie te laten afhandelen door beide regerende burgemeesters, de twee oudste schepenen en een van de secretarissen en met de heer Bout te onderhandelen en een accoord te treffen.

In deze conferentie bereikt de commissie een accoord met mr. Pieter Bout. Overeengekomen is dat Bout, voordat het stadsbestuur hem aan haar edelmogenden tot rekenmeester ter generaliteitsrekenkamer voordraagt, aan de stad als recognitie zal geven een som van 50.000 gulden en aan het gecombineerde arm- en weeshuis een som van 1.000 ducatons. Hij zal direct een bankbriefje geven voor de Bank van Amsterdam voor een bedrag van 25.000 gulden en de resterende som binnen twee maanden betalen. Het stadsbestuur stemt in met het overeengekomen en getekende accoord. De Goese vertegenwoordigers zullen alle pogingen aanwenden om mr. Bout 'voor aangenaam' te verklaren. De stadsrekening van 1720 laat een betaling door mr. Pieter Bout zien van een recognitie van £ 8858.6.8 Vlaams. Opmerkelijk is dat mr. Pieter Bout gelijk daarna wordt verkoren tot pensionaris-honorair van de stad en in de plaats van de overleden mr. Adriaan Eversdijk tot schutter in de handboog!

Functies en bedieningen

In juli 1714 overlijdt de heer Johan Eversdijk, ontvanger van de ordinaire en extra-ordinaire schattingen op de landen over een gedeelte van het eiland Zuid-Beveland en van het recht der collaterale successiën over deze stad en jurisdictie. Het stadsbestuur besluit, 'gelet op de importantie van dat rentambt en de baten en emolumenten daaraan verbonden, dit ambt te splitsen in twee egale portiën en alzo in twee onderscheidene rentambten, ieder van hetzelve door een bijzonder persoon te bedienen'. De Goese stem voor deze functies krijgen Ysebree en Rontvis. In oktober 1714 verkiezen de Staten van Zeeland mr. Adriaan Ysebree en Johan Rontvis ieder voor de helft tot ontvangers van de dubbele 100epenning op de landen over het westkwartier van Zuid-Beveland.

In april 1715 krijgt het stadsbestuur een uitvoerig verslag onder ogen van de kwestie tussen de baljuw en de heer De Perponcher Sedlnitsky, ambachtsheer van Wolphaartsdijk. De affaire met De Perponcher Sedlnitsky komt in 1715 tot een ontknoping. Het notulenboek vermeldt: 'De magistraat is nu overtuigd van de schuldigheid van hem en de regtveerdigheid van de voorseide sententie, behelzende verscheidene veragterde perioden, vuyle onwaarheden, aanstootlijke illusiën, quaadaardige expressen, hatelyke injuriën en toepassingen, schendende en lasterende, voor haar edelmogenden hoge vergadering de eer ende geheele order van de regters ende regeering der stad Goes in het gemeen en particuliere leden van dien in hare functiën op zoo een hooggaande wijze, dat daarvan nauwelijks de weerga te vinden is. Zaken die in een land daar justitie en politie geoefend werden, niet ongestraft kunnen worden gelaten zonder de publieke autorisatie onder den voet te werpen en te vertreden'. Na rijp beraad ontslaat het stadsbestuur de heer Cornelis de Perponcher Sedlnitsky, heer van Wolphaartsdijk, 'als een onweerdige ter voorseide oorsaak, bij polityque correctie, uitdrukkelijk te ontschutteren, te ontborgeren, te ontseggen en te verbieden de frequentatie der Stad Goes en het gehele district van haar agtbarens jurisdictie'. Als hij zich weer op het grondgebied van Goes vertoont, zal hij in een besloten gevangenis worden gezet. In de stadsnotulen is een uittreksel opgenomen van alle zaken waarom de magistraat De Perponcher met dit zware vonnis treft. Daaruit is onder meer af te leiden dat De Perponcher de beide regenten Adolf en Johan Westerwijk van vriendjespolitiek beschuldigt. In november 1716 verzoekt De Perponcher, heer van Wolphaartsdijk, hem toe te staan weer in de stad verblijf te houden. Hij heeft het ongeluk gehad, zo betoogt hij, bij resolutie van 10 september 1715 te zijn ontzegd en verboden zijn geboorteplaats en woning. Daardoor is hij genoodzaakt geweest over de veertien maanden in zijn hoge en toenemende jaren, tot ruïne van zijn domestieke bestieringen, zich buiten de stad Goes te onthouden. Het is nimmer zijn intentie geweest de regenten, rechters en regering van de stad te betichten. Hij verklaart dat dit hem leed doet en verzoekt om binnen de stad Goes vrij en ongemolesteerd als voorheen zijn woning en verblijf te mogen hebben.

Er overlijden in deze periode enkele bekende notabelen van de stad. Zo overlijdt in juli 1715 Dominicus Keetlaar, dijkgraaf van de Goese Polder en de Jan Piers- en Pinkspolder. Uit een door het polderbestuur ingediende nominatie benoemt het stadsbestuur tot nieuwe dijkgraaf Johannes Landschot. In 1716 overlijdt de stadsdrukker Johannes Meijer. In zijn plaats komt Melchior Vogelaar. Wegens gebrek aan geschikte instrumenten kan Vogelaar deze functie niet uitoefenen. Zijn aanstelling wordt in 1718 ingetrokken en gehouden 'of het niet in wesen ware geweest'. In zijn plaats komt als stadsdrukker Nicolaas Lonis. Ook overlijdt in 1717 Nicolaas van de Leene, ontvanger van de 100e penning op de huizen en gebouwen van de stad. Zijn opvolger is mr. Johan van der Hille.

Opmerkelijk is dat in 1719 en 1720 verscheidene voormalige leden van de magistraat en notabelen overlijden. In 1719 Joos de la Sable, Robbert van Schilperoort, mr. Jan van der Lugt, mr. Nicolaas Eversdijk, Cornelis van Geel, heer van Spaubroek, Nicolaas van de Leene, mr. Adolf Westerwijk, Adriaan Oyee en de procureur Pieter Vink. In 1720 Everwijn Tekelenburg, mr. Adriaan Eversdijk, Mattheus Oyee, de schout Joos van Houte, de schepen en stadsdirecteur Johan Verlugt, Gillis Faveur en de stadsmajoor Cornelis Verthoorn.

Deze jaren zijn er ook wijzigingen in de procureurs en notarissen van de stad. In 1715 overlijden twee van de vier procureurs bij de vierschaar en het landrecht, namelijk Johan de Wolf en Pieter Verijser. In hun plaats komen Pieter Telle en Pieter Vinck. De beide nieuwe procureurs mogen ook het ambt van notaris uitoefenen. In 1717 wordt ook Hubertus Craan toegelaten als notaris. In april 1717 is hij van Sint Maartensdijk gekomen. Daar heeft hij enige tijd de functie van procureur en notaris uitgeoefend. In juni 1718 bedankt Johan van Ossewaarde als procureur voor de vierschaar en het landrecht. Lange en vele jaren trad hij op als procureur. En 'vermits zijn ouderdom en swakheden gevoelende, dat hij dat ambt niet zoals tot nu toe kan waarnemen, bedankt hij voor de gunst en eer die hij in het bedienen van haar agtbaren heeft genoten en verklaart niet meer te zullen occuperen'. Hij krijgt toestemming te mogen optreden als er zaken van particuliere aard zijn. Er komt nòg een nieuwe notaris in de stad. In oktober 1718 schrijft Boudewijn Landschot dat hij omtrent drie jaren werkzaam is geweest op het kantoor van de notaris Adriaan van Oostee en gedurende die tijd is onderwezen omtrent het notarisambt. Hij meent hierin nu zover te zijn gevorderd dat hij in staat is examen te doen. Landschot wordt tot notaris toegelaten, terwijl hij tevens mag optreden als (vijfde) procureur voor de vierschaar en het landrecht. In 1720 mag ook de Goessenaar Jacobus Keetlaar Adolfzoon het notarisambt in de stad uitoefenen.

In maart 1718 geeft Cornelis Bosman, koopmansbode van Goes op Middelburg, te kennen 'in verband met zijn hoge jaren, niet in staat te zijn om het bodeschap op alle tijden des jaars naar vereis waar te nemen'. Op zijn verzoek krijgt hij toestemming om z'n schoonzoon Pieter Coomans hem als adjunct toe te voegen en, wanneer hij zijn functie op ongelegen tijden niet kan waarnemen, deze daarmee te belasten.

Een bekend persoon in de Goese samenleving, de koopman en meekrap- en oliereder, Marinus Smytegelt, verhuist in januari 1718 met vrouw en kinderen en al zijn huisraad uit de stad naar Middelburg, na aldaar de eed als poorter te hebben afgelegd. Hij bekleedde vanaf 1716 de functie van weesmeester.

Bloemlezing uit de stadsrekeningen van 1714 - 1720

1714

Vaste aannemers van het onderhoudswerk zijn de timmermansbaas Matthijs de Koe, de metselaarsbaas Anthony den Ouden, de smid Jacob Slootmaker, de dakdekkers Pieter Wauwelaar en Hendrik Mulder voor het repareren van de stadsschaliedaken, de schildersbaas Willem van de Krieken voor het schilderwerk en het leveren van verf en Jacob en Pieter Tavenier voor het straatmakerwerk. Dit jaar worden bestraat de Grote Markt, Lange Kerkstraat, Nieuwstraat, Kaai en Klokstraat. Verder worden betalingen gedaan aan onder andere de scheepstimmerman Andries Welle voor arbeid aan de stadsslijkboot en geleverde touwen £ 17.0.0; Jan Oudendijk voor het leggen, aanvullen en bekrammen van de havendijk over een lengte van 93 roeden £ 38.0.0; Logier Fortse voor het bekrammen en volaarden van 51 roeden dijk aan de westzijde van het hoofd voor £ 29.0.0.

1715

Betaald is aan Jacob en Pieter Tavenier voor straatwerk bij de watermolen aan de Kleine Kade, in de Lange Vorst, op de Molendijk, etc. £ 6; Pieter Gevaert voor het afsteken en effenen van de stadswallen £ 4.10; voor het krammen en matten van de havendijk van het pesthuis tot de oostschans £ 76; Nicolaas Hanke te Middelburg voor de koop van 438 voetscheepsplanken voor £ 18.11.0; de stadskarreman Jan Cruse voor de levering van 400 karren zand voor £ 16.9.12; Francois Moreau voor het verstellen van het orgel in de Grote kerk £ 21.13.4; Guiljaam de La Touwer voor 10000 Lessinese straatstenen £ 30.4.0; Machiel Maat voor de levering van 29750 Doornikse straatstenen £ 119.0.0; de weduwe van Huibert Janse Rijke voor levering van 6650 rijsstaken, 1791 bussegaarden en 6300 staken £ 53.18.6.

1716

Betaald is aan Jacob en Pieter Tavenier voor straatwerk aan de Grote Markt, stadsganck, straat bij de brug, breedje, Nieuwstraat, 's-Heer Hendrikskinderenstraat, Beestenmarkt, vaete, etc. £ 23; voor levering van 420 olmen plantbomen £ 25.4; Pieter Cornelisse voor zijn reis naar de Lek om teen te halen £ 1.13.10; de smid Frederik Cats voor het maken van koper- en blikwerk aan de lantaarns, balans en Franse kerk £ 12.9; Laurus Welle voor het calefaten van de achterhaven en watermolen £ 1.15; Adriaan Murre voor het bekrammen van 93 roeden havendijk £ 10.17; Frans Spelting voor het bematten en bekrammen van 50 roeden stadsdijk bewesten het hoofd £ 7.11; Pieter Matthijssen voor het uitzetten en bekrammen van de havendijk £ 16.3; Logier Gerardse voor het arbeiden aan de stadsdijk £ 58; Adriaan Murre voor het vlakken, krammen en matten van 57 roeden einde dijk £ 17.5 en 'voor het slaan van een rijsen tuyn van de boom tot halfwege de havendijk' £ 2.6.8; Logier Gerardse voor het krammen van 107 roeden matten aan de havendijk £ 9.17; Pieter de Bruine voor het matten en krammen van 50 roeden dijk bewesten het hoofd £ 2.5; Janus Joosse voor het matten en krammen van 37 roeden stadsdijk tussen de oude haven £ 3.14; Hubert van Rosendale voor het matten en krammen van 114 roeden havendijk £ 9.19; Jan van Liere voor het krammen en matten van 47 roeden stadsdijk £ 4.7; Pieter de Bruijne voor het krammen en matten van 20 roeden stadsdijk beoosten de nieuwe haven £ 2.6.

1717

Betaald is aan Jacques den Exter voor aan de sluis bij de zoutketen gedane werken £ 18; Jan Herrebout voor het lossen van 27700 straatstenen £ 2.6.8; Cornelis Welle voor arbeid als scheepstimmerman en geleverde touwen £ 5.10; Isak de Waal voor leverantie van 18000 moppen £ 21; Claas Franse voor het leveren van 26400 stenen in het steenkot £ 1.3.4; Pieter de Meij voor levering van 222 zakken Doornikse kalk £ 26.16.6 en 13200 Doornikse stenen £ 52.16; Lambrecht Koopman voor levering van wijn voor de stadsofficieren £ 0.16.7; Jacob Tavenier voor het repareren van de straten op het kleijn weijken, bij de Bleek aan de Ganzepoort, bij de hoge bomen etc. £ 26; voor levering van hout £ 325; Logier Gerardse voor het leggen van 114 roeden matten aan stadshavendijk van de boom af en voor het matten en krammen van 106 roeden aan de westzijde van de haven £ 20; Adriaan Merison voor het krammen met matten van 59 roeden matten aan de oostzijde van de haven £ 9.16.8; Jan Kruse voor levering van 257 karren zand £ 10; Pieter Moncy voor het afschepen van bedelaars £ 2.4.3; de stadsmetselaar Anthony den Ouden voor reparaties aan de 's-Heer Hendrikskinderenpoort, Oostpoort, bank van lening, stadsmuren, muren van de veste, stadhuis, Engelenburg (ook wel genoemd 'het kasteel bij de Oostpoort'), stenen beer bij Hoofdpoort, Donkere Poort, stadschuur, stadsriolen bij de Latijnse school, Ganzepoort en Koepoort £ 135; Jacob Tavenier voor straatwerk aan de Lange Vorst, Beestenmarkt en Kreukelmarkt, Grote Markt, draaibrug, Hoofdpoort en watermolen £ 21.

1718

Betaald is aan Nicolaas Lonis voor het drukken van 150 exemplaren van het reglement op de scholen £ 1.6.8; Jan Weits voor het te pronk zetten van zeker vrouwspersoon voor het stadhuis £ 0.10; scheepstimmerman Cornelis Welle voor aan de boomsluiter- en slikboot gedane reparaties £ 34; Frederik Catz voor levering van koperwerk aan het orgel in de Grote Kerk en 'de sluitinge van den appel aan den toren' £ 2.12.0; Aarnout van den Berge voor het repareren van het schippersklokje van de Sint Maartenspoort en de 's-Heer Hendrikskinderenpoort £ 3.3; Balthasar van den Antonissen voor het schilderen en vergulden van de vier wijzers van de toren van de Grote Kerk £ 45.16.8; Jan Snoep en Pieter Wauwelaar voor levering van twee nieuwe pompen, loot en soldeer aan de toren van de Grote kerk, de Kleine kerk en het stadhuis £ 29.7; Claas Ouwendijk voor vracht en verschot van 27000 Lekse klinkers op de Lek gehaald £ 8.0.0; scheepstimmerman Cornelis Welle voor vernieuwing van de slikboten £ 18.16.7; Jan Snoep en Marynis Wauwelaar voor levering van een nieuwe pomp op het Breedje ('het breetie'), loot aan de brugge, Kleene kerke, stadhuis en toren £ 32; schilder Balthasar van den Anthonysse voor levering van olie en verf en daggelden voor het schilderen van de pompen op het breetie, stadhuis, draaibrug, bank van lening, Grote kerk en Kleine kerk £ 63.5.0; Cornelis Bosman voor levering van 21800 dubbele Platton steen £ 87.4; voor levering van 14000 moppestenen £ 72.16; voor levering van 15450 bossen rijs en 6175 staken en gaarden £ 82.15.

1719

Betaald is aan Tavenier voor het maken en repareren van de straten bij de Ganzepoort, Gasthuiskerk, Blaauwe Steen en in de Armenhoek £ 10 en voor het leggen van nieuwe straten bij de brugge en het Ossenhoofdstraatje £ 6.15 en nieuw straatwerk tussen de twee poorten en in de armenhoek, het hooftpattie, Rijffelstraat en de Grote Markt £ 29.9; de smid Krijn Mus voor levering van nieuw pompwerk, tangen, grendels en sloten £ 19 en voor het vermaken van de kamer van de grote klok £ 5.2; Elisabeth Crabbendijke voor het tweemaal wieden van de stadsmarkten en het schoonmaken van de poorten £ 10; de smid Anthony Slootmaker voor levering van ijzerwerk voor het schavot, de hoofdpoort en nieuwe toognagels £ 2.16; de scheepstimmerman Cornelis Welle voor twee tonnen teer en een tonne pik £ 7.5; monseigneur Jan Amper voor levering van Spaanse wijn voor het Heilig Nagtmaal £ 4.18; Dirk van den Berge voor het repareren van het schaaljedek op het stadhuis, de Franse kerk, beurs, kruittoren, watermolen, het hoofd en de donkere poort, Latijnse school, Koepoort en Ganzepoort £ 22; de beeldsnijder Jannis Hardewel 'voor het snijden van het loofwerk, capitelen, vaarsen etc. tot de Hoofdpoorte' £ 32; voor leverantie van 675 olmen plantbomen £ 28; Cornelis Welle voor arbeid en levering van hout, spijkers, pik en werk tot het repareren van stads slikboten £ 13.7.11; Tavenier voor het leggen van een nieuwe straat aan de Beestenmarkt £ 7; voor levering van 27000 klinkers, moppen en stenen £ 45; schildersbaas Balthazar van den Anthonisse voor levering van olij en verf en daggelden voor het schilderen van de Hoofdpoort, de pomp aan de kerk en het huis van de predikant Van Rooyen, de watermolen, de kerk, de pomp, etc. £ 43; Krijn Mus voor het schilderen van twee nieuwe uurwijzers aan 'het schipperstoorntie' £ 5.

1720

Betaald is aan de stadsmid Crijn Mus voor het boren van een gat in de speelklok, het vermaken van de klepel, hamers, vleugels aan het orlogie en speelwerk £ 7.11.2; de smid Anthony Slootmaker voor loon en geleverd ijzerwerk aan de Hoofdpoort, de heule bij de paardenstal, de brugge van de Ganzepoort en twee nieuwe brandijzers, het beslaan van de korenmaat en het maken van 25 nieuwe ringen £ 4.7.8; Claas Ouwendijk wegens het halen van 20000 stenen van de Lek £ 5.13.4; Jacob Tavenier voor het repareren en leggen van nieuwe straten op de Beestenmarkt, kaaij en armenhoek £ 2.12.5; Claas Ouwendijk de vracht van 25000 stenen gehaald te Tienhoven £ 6.11; de kopersmid Frederik Catz voor het maken van een koperen bak voor de watermolen, twee nieuwe koperen bekkens aan de stads ijck, vijf koperen snuivers, lampen en lantaarnen £ 6.3; voor levering van 250 olmen plantbomen £ 10.15; Huibregt Rijkes weduwe voor levering van 12400 bossen rijs, 11000 staken en 1975 bossen gaarden £ 80; Johan van Bommel en Johan de Waal voor levering van 10000 klinkers en 35000 grauwe stenen £ 69.