Aanvulling? Meld het hier.
<<

Zorg (1714 - 1720)

Gezondheidszorg

De pestziekte dreigt in 1715! De uitvoer van magere koebeesten is verboden. Ook in oktober 1718 dreigt een besmettelijke ziekte. De Staten van Zeeland kondigen een verbod af 'aan allen ende een ieder van enige runderbeesten in het Markiezaat van Bergen op den Zoom te brengen tensij certificatie hebbend van soo van de buren als van de magistraat der plaatsen daar die vandaan komen, dat deselve beesten gezond zijn ende van gezonde plaatsen en in gezonde stallen op weiden komen, op pene dat degenen die dit verbod overtreden hun beesten zullen verbeuren en verder aan lijf en goed zullen gestraft worden'. Enkele weken later publiceert het stadsbestuur een verbod tegen de verdere voortgang van de besmettelijke ziekte onder het rundvee, 'twelk in het Swart Odonnantieboek zal worden ingeschreven'. Deze jaren fungeren als stadsdokters Christoffel Annaart en Andreas Sommerzee. Vroedvrouwen zijn Maria Burggraaf en Petronella Davids.

Apothekers

Nicolaas Ratel en Pieter de Vroe dienen in 1714 als dekenen van het pharmacijnsgilde een rekest in. Ze hebben nu tot twee maal toe zich tot het stadsbestuur gewend over het nu al geruime tijd voorkomen van wanorde in het uitoefenen van de pharmacie en de levering van medicamenten. Verder hebben enige chirurgijns, onder voorgeven van drogist te zijn, het bestaan 'nu al sedert een jaar niet alleen allerlei simpliciën, maar ook geprepareerde middelen te verkopen, die bij hen niet kunnen worden bereid, maar van tevoren bij andere apothekers moesten worden ingekocht, dezelve niet alleen aan ieder debiterende, maar die ook preparerende en mengende voor hun patiënten in de vorm van recepten uit- en inwendig, op dezelfde wijze als bij hen als apothekers wordt gedaan'. Ze verzoeken dit misbruik tegen te gaan. Het stadsbestuur besluit deze rekesten 'in handen te stellen van de geïnteresseerden om ter bekwamer gelegenheid en in presentie van twee commissarissen uit hun midden en de twee stadsdoctoren hierover te beramen zodanige vaste voet en order als alsdan zal bevonden worden te behoren'. Het blijkt weinig effect te hebben. Want in 1716 dringen de dekenen en gildebroeders van het pharmacijnsgilde aan op naleving van de resolutie van de magistraat van juli 1714.

In 1716 verzoekt de chirurgijn Jacobus Coomans ontslag van het 4e artikel van de Ordonnantie op het pharmacijnsgilde, waarin staat dat niemand in het gilde mag inkomen tenzij vooraf twee jaren bij een vrij meester in die kunst als leerling te hebben gewoond. Alvorens hierover te besluiten raadpleegt het stadsbestuur de dekenen van het pharmacijnsgilde. De dekenen adviseren dat niemand die niet aan dat artikel in de Ordonnantie heeft voldaan toegelaten mag worden tot de pharmacijnsproef. Wel mag in 1716 doctor Samuël du Boisson de apothekersproef afleggen ten overstaan van de gecommitteerden van het stadsbestuur.

Ook in 1717 ageert Pieter de Vroe, als gildebroeder en tevens als deken van het pharmacijnsgilde, tegen ontduiking van de Ordonnantie op het gilde. Daarin is nadrukkelijk bepaald dat niemand de pharmacie binnen de stad mag uitoefenen voordat hij is geëxamineerd en de proeve heeft afgelegd. Hij betoogt dat de chirurgijn Jacobus Coomans en ook anderen die geen proeve op het uitoefenen van de pharmacie hebben gedaan 'de stoutheid hebben van dagelijks de pharmacie te oefenen, niet alleen op een bedekte of heimelijke wijze, maar zelfs de medicamenten voor zieken op hun winkels klaar maken en openbaarlijk voor de ogen van een ijder thuis brengen'. Hij meent dat de overtreders gestraft dienen te worden.

Gasthuis

In 1715 verkopen de buitenregenten van het Gasthuis aan Johan van der Lugt een wei, gelegen onder de heerlijkheid van Schore, groot 2 gemeten en 9 roeden, eigendom van het Gasthuis, voor £ 22. Ook in 1718 krijgen de buitenregenten toestemming om aan een zekere Pieter Goeman te Driewegen te verkopen 5 gemeten en 189 roeden zaailand, gelegen in Ellewoutsdijk in Oosterhoek en in Claasjeshoek voor een bedrag van £ 3 Vlaams de hoop. De reden is dat door de lage verpachting deze landen niets opbrengen.

Oude mannen- en vrouwenhuis

In 1715 verklaren de buitenregenten van het oude mannen- en vrouwenhuis 'dat door verscheidene domestieken een geruime tijd herwaarts omtrent het doen van den morgenontbijt waren gepleegd vele excessen en onordentelijkheden die nog dagelijks meer en meer toenemen'. De regenten hebben 'hier wel behoorlijke orders tegen gedaan, maar ze vertrouwen er op dat deze uit naam en autoriteit van haar edelagtbaren meerder uitwerking en vrucht zullen hebben'. Een aangepast reglement wordt vastgesteld. Hieruit blijken de volgende 'grove en onverdragelijke excessen tijdens het ontbijt: het nemen van brood en boter in soo groote quantiteit als haar goeddunkt en hetselve niet in de gemeene eetplaats consumerende, maar brengende na hare particuliere vertrekken, waardoor niet alleenlijk gelegenheid werd gegeven om die onmatiglijk te verquisten, maar aan baatsuchtigen om die aan hare kinderen, vrienden ofte andere persoonen, buiten 't voornoemde huis wonende, over te geven'. De buitenregenten oordelen 'dat het voorseide misbruik, tgeen bij verdere voortgang tot merkelijk nadeel van het inkomen en welvaart van het huis zoude strekken, willende tegengaan, dat in huizen van zo grote samenwoning niets heilzamer is als dat alles geschiede volgens een geschikte en eenparige order'.

Daarom besluit het stadsbestuur dat 'in het toekomende den ontbijt zal worden gehouden des morgens op de gewone ure in de gemeene eetkamer ende met gesloten deuren, evenals des middags en des avonds, alwaar ieder als dan toegang ende vrijheid zal hebben om zig van de voorgestelde spijze na zijn genoegen te bedienen ende in alle matigheid te verzadigen, verbiedende wel expressievelijk dat niemand zig met de voornoemde spijse uit de kamer zal begeven, veel minder denselve na zijn vertrek brengen ofte door den bediende laten brengen, op pene van ontzetting van den tafel voor den tijd van zes weken'.

De echtgenote van mr. Adolf Westerwijk, Maria Boone, verzoekt in 1716 ontslag van haar bediening als buitenmoeder van het oude mannen- en vrouwenhuis. Ze legt de sleutel van 'de kasse der buitenmoeders' over. Met haar ontslag gaat men node akkoord. Op voorstel van de buitenregenten benoemt men uit een nominatie tot buitenmoeders van het proveniershuis in de vacature van de overleden Johanna van Oostee, echtgenote van Marynis Drywegen, Elisabeth Eversdijk, weduwe van oud-burgemeester Johan van Dorth. In de vacature, ontstaan door het bedanken van Maria Boone, echtgenote van burgemeester mr. Adolf Westerwijk, benoemt men Catharina Verstrate, weduwe van Nicolaas van der Plas.

In juni 1717 stellen de buitenregenten van het oude mannen- en vrouwenhuis (ook wel genoemd het proveneurshuis) voor dat 'den dienst van hetselve huis vereist een spoedige vervulling van de plaats van buitenmoeder, opengevallen door het overlijden van Juffrouw Blazina van Laken, weduwe van de heer Michiel Boydens'. Uit de nominatie van drie personen verkiest de magistraat tot buitenmoeder van het proveneurshuis Maria Eversdijk, weduwe van doctor Dignus Nollens, in leven namens de stad Goes gecommitteerde ter Rekenkamer van Zeeland. Ook valt door het overlijden van Vrouwe Elisabeth Eversdijk, weduwe van de vroegere burgemeester Johan van Dorth, een buitenmoedersplaats in het proveneurshuis open. In haar plaats komt Catharina Eversdijk, weduwe van de secretaris mr. Nicolaas la Grappe.

Arm- en weeshuis

De buitenregenten van het arm- en weeshuis verkopen in 1714 met instemming van het stadsbestuur aan Pieter Hobius een zeker stuk wei van het huis, gelegen onder 's-Heer Abtskerke, groot 1 gemet en 25 roeden.

Vanaf 1714 begint het arm- en weeshuis in een toestand van verval te verkeren. Uit naam van de regenten van het gecombineerde arm- en weeshuis verklaart burgemeester Adolf Westerwijk 'hoe zij een geruymen tijd serieuslijk hare gedagten hebbende laten gaan over den bekommerlijke en vervallen toestand der financiën van het huys, waar het jaarlijks inkomen, door het verkoopen van verscheyden partyen lands tot verval van de ordinaire en extra-ordinaire schattingen, met kennis en consent van haar agtbaren gedaan, merkelijk synde verminderd, ende de lasten integendeel, nu een goed getal van jaren achtereen, door het inkomen van vele kinderen aangegroeyd, ende, indien niet vermeerderende, immer als nog in denselven staat van beswaarnis blijvende, na onderling overleg geen ander middel hadde kunnen excogiteren tot soulagement van dien, als dat een algemene collecte aan de huizen van ieder borger en ingesetene dezer stad mogte worden gedaan'. Ze verzoeken met alle ernst en nadruk hiervoor toestemming. Het stadsbestuur, overtuigd van de ernst van het betoog van de burgemeester, zowel door eigen ondervinding als blijkend uit de jaarrekeningen, besluit eenparig het verzoek toe te staan en de regenten te machtigen tot het doen van een collecte door de wijken en straten van de stad.

In 1715 verkopen de buitenregenten opnieuw verscheidene eigendommen van het weeshuis, namelijk een gemet en zestien roeden land gelegen in Noordermerke in Baarsdorp, aan Cornelis Boonman voor £18. In1716 verkopen ze zekere twee gemeten land en nog een gemet en 150 roeden, samen drie gemeten en 150 roeden, gelegen in het Oostambacht van Kapelle in Cloosterhoek, aan Cornelis Hooywagen voor £ 11 per gemet.

De buitenregenten van het arm- en weeshuis leggen in 1716 de miserabele toestand van de financiën van het huis voor. Ze hebben moeite om het huis in stand te houden. Diverse maatregelen zijn genomen om wat meer geldmiddelen te verkrijgen. Van alle biljetten, die voortaan aangeplakt worden, gedrukt of geschreven, aan publieke plaatsen zoals het visperk, de Grote Markt, de stadspoorten of enige andere daar men gewoon is enige affaire te doen, worden per biljet drie schellingen geheven. Tevens zal een collecte worden gehouden aan de huizen. Omdat alle middelen nog niet voldoende zijn om zich van de lasten te zuiveren, zo van de kwade sloten van de rekening als nog onbetaalde waterpenningen, wordt bovendien een lening gesloten van £ 500 voor het voldoen van de lopende schulden. In maart 1717 tonen de buitenregenten van het huis aan dat noch het geleende kapitaal van £ 500 noch de £ 200.6.8, bedongen van de heer Cornelis Rijmeland, genoeg zijn om de achterstallige lasten van het huis te voldoen. De regenten krijgen toestemming om nog eens een bedrag van £ 500 op lijfrente te lenen.