Aanvulling? Meld het hier.
<<

Economische bedrijvigheid (1721 - 1726)

Hoekerschepen

Een aantal vooraanstaande burgers richt zich in augustus 1721 met een rekest tot het stadsbestuur. Het is ondertekend door de regerend burgemeester mr. Adolf Westerwijk, oud-burgemeester Johan Westerwijk, secretaris Adriaan van Oostee, Petrus de Meijer, Jakobus de Brawanter, Francois de Keijser, Yman Boutens, Pieter Wauwelaar, Cornelis Rimsté, Christiaan van der Stelle, Johan Oostdijk, Cornelis Wagenaar, Thomas van Wijnckel, Petronella de Coning en Johanna de Rose. Ze geven te kennen dat 'aen de eene kant siende de geringe ende dagelijks afnemende negotie alhier ende aen de andere kant hoe dat de ingesetenen van vele andere steden die geringe en afnemende negotie, door het aanbouwen en uitreeden van zeeschepen niet alleen trachten tegen te gaan maar ook veelsins in dat goed oogmerk, tot welstand van die steden in het bijzonder ende derselver ingesetenen in het algemeen, merkelijk komen te reuisseren. Derhalve, in navolging van desulke, en in hope van daardoor dezes stads en derselver ingesetenen welwezen, met het aankweken van negotie - zoveel doenlijk - te betrachten. Hebben ondernomen te Vlissingen te laten aanbouwen twee sufficiënte hoekerschepen, het ene genaamd het schip 'Goes' en het andere 'Suid Beveland', welke bereids soo verre souden sijn opgetimmerd ende toegetakeld, dat ze eerstdaags staen af te loopen ende vervolgens met bekwame gelegendheid see te kiesen.

Dat sij, hoorende dat andere steden, siende het voordeel dat soodanige reeders van schepen aen haer komen toe te brengen tot het encourageren van de aldaer bereids sijnde en de nog te komen reeders, aen deselve te vergunnen considerabele vrijdommen van stadsimposten op waren ter slete ende van andere lasten meer, daerom hadden dienstig geoordeeld haar tot uw edel achtbaren te keeren ende met alle respekt te verzoeken dat deselve de goedheid gelieven te hebben van hen, zolang de voornoemde hoeckers in wesen zijn ende van dese stad afvaren, te vergunnen vrijdom van het hoofdgeld, havengeld, kaaigeld, lastgeld, losgeld ende voorts van allerhande stadsimposten op de waren, 't scheep moetende geconsumeerd ofte door deselve vervoerd worden, alsmede om alle waren alhier gelost wordende, publiek te mogen verkopen, zonder daar af enig recht aan de stadsvendumeester of roeper te moeten betalen en eindelijk van alle stadsimposten die op waren of zaken in het generaal mochten worden gesteld of die enigszins tot de hoekers in het particulier zouden kunnen worden getrokken'.

Het stadsbestuur overweegt 'hoe noodzakelijk het is de negotie aan te kweken, zonder welke steden en landen te gronde gaan'. Het besluit 'de verzoekers te vergunnen voor veertien jaar, voor zover de eigenaars van hoekers meest Goesenaars zullen wezen en deselve van deze stad afvaren, vrijdom van het hoofdgeld, havengeld, kaaigeld, lastgeld en losgeld, gelijk mede van allerhande stadsimposten op waren, t scheep moetende geconsumeerd ofte door deselve vervoerd worden. Ook om alle deselve, alhier gelost wordende, publiek te verkopen zonder daarover enig stads vendumeester ofte roeper te moeten moeijen ofte daer af eenig recht aan deselve te betalen. En eindelijk van alle stadsimposten, die zouden kunnen worden gesteld op waren en zaken, die enigszins tot de hoekers zouden kunnen worden betrokken'.

In december 1723 komt er een rekest binnen van Francois de Keijser, Cornelis de Winter, Jakob Outdorp, Thomas van Wijnckel, Jakobus de Brawanter, Johannes Snoep en Christiaen van der Stelle, allen portionarissen in de twee hoekerschepen genaamd 'Goes' en 'Zuid-Beveland'. Ze verzoeken 'om tot verdere aanwas en aankweking van de negotie, buiten de Bleijkveldse poort aan de oostzijde van de kaije bij de lindebomen niet verre van de daar staande dobbelde olymolen, op zodanige plaatse als haar edelachtbaren dienstig zullen oordelen, te mogen bouwen en stichten een pakhuis van vijftig voeten lang en zestig voeten breed'. Tevens verzoeken ze om:

  • vrijdom van de 100e penning en ceins, zolang het pakhuis daar zal staan;
  • ontheffing van het onderhoud van de kaai tegenover het pakhuis, 'dewijl hetselve zoude worden gebouwd 24 voeten van deselve kaije';
  • vrijdom van het kaaigeld van alle de te lossen en te laden koopwaren;
  • aan het te zetten pakhuis geen meerder arbeidsloon van waren of koopmanschappen te moeten betalen als aan de pakhuizen staande binnen de stad wordt gedaan;
  • om de waren en koopmanschappen, bij de koopmans of eigenaars verkocht zijnde, door al zulke arbeiders te mogen opslaan en wederom uit te lossen als deselve daartoe zullen gelieven.

Het stadsbestuur ziet het initiatief als een veelbelovende kans voor de stad en is zeer ruimhartig in het toekennen van faciliteiten. Het besluit de portionarissen in deze hoekerschepen, 'zo ze van dit octrooi en deze concessie willen jouisseren, tot verdere aanwas en aankweking van de negotie binnen deze stad, tot welwezen van derselver inwoonders zo dienstig en noodzakelijk, toe te staan alle de verzoeken, in hun rekwest vermeld, om een pakhuis te stichten en te zetten en te begunstigen met de vrijdom van de 100e penning en ceins, zolang het pakhuis zal staan, met het niet moeten onderhouden van de kaai tegenover hetselve, met de vrijdom van kaaigeld van alle te lossen en te laden koopwaren, met aan hetselve pakhuis geen meerder arbeidsloon van deselve waren of koopmanschappen te moeten betalen als aan pakhuizen binnen de stad werd gedaan en gegeven, en tenslotte met dat zij of andere koopmans en eigenaars omme derselve waren en koopmanschappen, niet verkocht zijnde, in het pakhuis op te slaan en wederom uit te lossen, zullen mogen nemen en gebruiken zodanige arbeiders als deselve zullen kunnen goeddunken en willen nemen'.

Brouwerijen

In 1721 richten de vier brouwers binnen de stad en de drie beëdigde stadsijkers zich tot het stadsbestuur over het zogenaamde ijkloon van de gebruikte vaten en tonnen in de brouwerijen en over de juiste grootte van het vaatwerk in het algemeen voor burgers, tappers en herbergiers. Ze betogen dat het stadsbestuur al in 1683 de brouwerijen heeft belast met een bedrag van £ 4.3.4 voor het ijken van het vaatwerk ten behoeve van de ijkmeesters. Sindsdien hebben steeds meer inwoners zich van eigen vaatwerk bediend. Hun 'halve vaten worden meestentijd tot de veertig stoopen en daarover gemaakt'. Ze willen dat ieder vat niet meer zal mogen inhouden als 36 stoopen en dat - ter voorkoming van fraude - geen kuiper enig gemaakt vaatwerk uit zijn winkel zal mogen verkopen voordat dit door de ijkmeesters is geijkt. De ijkmeesters beklagen zich anderzijds erover dat de brouwers weigeren hun jaarlijks ijkloon te betalen.

Het stadsbestuur besluit te blijven bij de resoluties van 28 april 1683, 7 mei 1691 en 4 februari 1693. Deze behelzen de volgende bepalingen:

  • Een tonne voor de burgers en ingezetenen voor eigen consumptie zal niet hoger worden gemaakt en geijkt als tot 80 stopen, doch bij de kleine maat door de herbergiers en klein bierverkopers wordende uitgestoken als tot 72 stopen.
  • Geen brouwer zal zijn bieren anders mogen tonnen, veel min leveren, dan in vaatwerk (uitgezonderd alleen oxhoofden) dat door een van de beëdigde ijkmeesters zal zijn geijkt en gebrand.
  • De ijkmeesters zullen voor deze toeleg gehouden zijn al het vaatwerk van de brouwers in eigen persoon te ijken en te branden met alle bereidwilligheid en gedienstigheid, zo menigmaal als zij daartoe verzocht en ontboden worden, zonder enig tegenzeggen of vertoeven.
  • De ijkmeesters zijn stipt gehouden al het vaatwerk van de vier brouwerijen jaarlijks, zonder enige intermissie, te peilen, te verijken en opnieuw te branden, alsmede zo wanneer het zelve verkuipt of verkast wordt.

De bierbrouwer Paulus Verschuijl van de brouwerij 'het Witte Claverblad' aan de Beestenmarkt richt zich in 1721 tot het stadsbestuur. Hij betoogt 'dat de pachters van de bieraccijns hem niet willen toestaan enige bieren in het land of aan de landluiden weg te leveren, zonder dat hij alvorens daar van zelf de accijns betale, hem dienvolgende, zonder dat de gewoonlijke accijnsbiljetten en enig landman opgegeven zijn, als schuldenaar aannemende. Dat hetzelve bijzonder in zodanige deplorabele tijd als heden, in dewelke het soo slecht met de landluiden is gesteld, de totale ruine van hem met sig zoude slepen, te meer omdat sulks tegen niemand der andere brouwers, maar alleen tegen hem wordt ondernomen'. Hij verzoekt daarom te besluiten 'dat hij van de pachters niet wordt onderdrukt, maar gelijk als alle de andere brouwers van hen behandeld'. De pachters van de bieraccijns krijgen opdracht brouwersbaas Verschuijl op een gelijke manier en wijze als de andere brouwers te behandelen.

Ongenoegen is er in 1723 bij de schrijvers op het bierkantoor binnen de stad, Frederik Cats, Nicolaas Paret en Adolf Soetebier. Ze betogen dat zij met de brouwers een meningsverschil hebben gehad 'over het afhalen van briefkens ofwel het overleveren der lijsten van haar tot het bekomen van briefkens ter verimposting van de uit sullende gesteken wordende bieren'. Dit geschil is uit de hand gelopen. De brouwers willen dat ze hen in het afhalen van briefjes te allen tijde moeten ten dienste staan. Ze willen zich naar de uitspraak van het stadsbestuur gedragen, maar verklaren wel dat in andere steden van Zeeland niet wordt gehandeld zoals de brouwers binnen Goes willen.

Graanhandel

Jan van Ekeren, Pieter Ferdinandusse en Johannes de Winter, allen landluiden en wonende op hoeven onder de jurisdictie van de stad, richten zich in 1721 tot het stadsbestuur. Ze betogen 'hoe dat ze, gelijk ook diegenen die voor hen op deze hoeven gewoond hebben, wanneer ze enige goederen, die buiten deze stadsjurisdictie mochten worden geleverd, hebben verkocht, dan van het recht van de lepel, zijnde een impost die alle jaren door haar achtbaren werd verpacht, aan geen pachter hebben betaald of voldaan, als alleen over twee jaren aan Joannes van Rentergem, toentertijd pachter van het voorseide middel, gelijk mede over het nu te expireren jaar. Hetwelk zij zeggen alleen door diens dreigementen van tegen haar te procederen te zijn veroorzaakt en te vrezen dat die kwade inbreuk aan toekomende pachters gelegenheid zou verschaffen om haar tot diergelijke te zullen willen constringeren. Hetwelk niet anders als tegen het van ouds zijnde gebruik en tot groot nadeel van hen zou strekken'. Ze verzoeken daarom hen het verkopen en afschepen van hun granen, wanneer deze buiten deze stadsjurisdictie moeten worden geleverd en ontvangen, toe te laten en te vergunnen, zonder daarvan aan enig pachter van deze impost het recht van de lepel te moeten voldoen. Het stadsbestuur besluit dat de landluiden, als ze enige granen verkopen die buiten de jurisdictie van de stad moeten worden afgescheept, vrij zullen zijn van daarvan enig recht van de lepel te betalen.

Wijnnering

Francois Wagenaar geeft in 1721 te kennen dat hij is aangesteld tot een van de vrije wijnstekers binnen de stad. Ook is hij toegelaten tot het verkopen en schenken van brandewijn en andere sterke drank. Hij verzoekt ontheven te worden van betaling van de op het verkopen van brandewijn staande lasten.

Jan Haagman krijgt in 1722 vergunning om vrij wijnkoper te zijn binnen de stad, niettegenstaande er geen van de andere wijnstekers is overleden. Het stadsbestuur besluit opnieuw dat in de toekomst geen nieuwe wijnstekers zullen worden toegelaten voor en aleer twee van de reeds toegelatenen zullen zijn overleden. Ook Willem Hoogenhoed en Coenraad Tekelenburg mogen vanaf 1723 optreden als vrije wijnkopers binnen de stad. Ze moeten betalen het gewone recht van £ 8.6.8 aan de stad en voor de eerste maal vier vaten wijn inslaan. Hetzelfde krijgt doctor Johan Levendale in 1725 op zijn verzoek. Hij wordt aangesteld tot vrije wijnsteker binnen de stad in de plaats van de overleden Jacobus van Rentergem. In 1725 krijgt ook Johannes Luijte vergunning om in de plaats van de vroegere wijnstekers Jan Amper en Jacob Ovae de wijnstekersnering te doen. Elisabeth van Duuren, weduwe van Cornelis van de Woestijne, is destijds tot wijnsteker en het schenken van brandewijn en sterke drank bij de kleine maat toegelaten. Ze heeft na het overlijden van haar man deze nering aan de hand gehouden. In 1726 hertrouwt ze met een zekere Jan Murre. Bij wijze van uitzondering wordt deze toegelaten tot de wijnstekersnering.

Zoutnering

Het stadsbestuur is zeer gebrand op het bevorderen van de aloude zoutnering. Zo hebben Johannes Oostdijk en Cornelis Coutsijn met elkaar in compagnie een zoutkeet aan de oostzijde van de haven. In 1721 zijn ze voornemens om 'nevens ofte aan hun voorseide keet nog een soutpan ofte halve keete te stichten en te volbouwen'. Ze beseffen wel dat dit op stadsgrond zal moeten gebeuren en vragen hiervoor toestemming. Het stadsbestuur willigt 'tot aankweek van de zoutnering binnen deze stad' hun verzoek in en stelt hen de daarvoor nodige stadsgrond beschikbaar.

In 1722 laat het stadsbestuur op kosten van de stad en ten behoeve van het panneluidengilde boven de al bij hun gebruikte koperen zoutmaten, nog een andere koperen zoutmaat maken, 'om daardoor spoediger in het opdoen en afschepen van zout te kunnen worden bediend'.    Jacobus Drabbe voor 3/8 gedeelte en z'n zwager Adriaan Gort voor 5/8 gedeelte zijn tot 1723 eigenaar van een zoutkeet met twee pannen aan de oostzijde van de havendijk. Na hun overlijden wordt de zoutkeet aan de meestbiedende verkocht. In de zoutkeet van de weduwe van Nicolaas van der Plas werkt in 1724 Dignus Ribbe, 'dienende nevens zijn moeder als wrogte'. Hij is van oordeel 'in staat te zijn het werk, in het sackedragersgilde voorkomende, genoegzaam in achting te wezen, gelijk hij diverse reizen tselve so in het sout als turf dragen voor andere getoond heeft'. Hij verzoekt hem tot arbeider in het gilde aan te nemen.

Het stadsbestuur ontvangt in 1726 een afschrift van een uitvoerige brief van deken en beleders van de pannering binnen het eiland Walcheren onder de steden Middelburg en Arnemuiden. De brief is ondertekend door R. Diers Deras, Marynis van Holmen, Pieter Paays en B. van Pantegem namens ongeveer drie vierde van de panneluiden en die van de nering van het zoutzieden op Walcheren. Het blijkt uit de brief dat er veel te veel zout wordt geraffineerd in Zeeland. De keetbazen van 34 van de 47 pannen op Walcheren hebben in 1726 nog onverkocht liggen ongeveer vijf duizend vaten of twaalfduizend Middelburgse zakken geraffineerd zout. Was al vanaf begin de 17e eeuw de productietijd bepaald op acht maanden per jaar, in 1724 is door de gezamenlijke pannelieden overeengekomen dat in iedere zoutpan niet langer mag worden gewerkt dan zes maanden en vijf dagen.

Meekrapnering

In augustus 1724 dient boekhouder Zywert van der Bilt Wzn namens 'de gemene portionarissen van de Manestove, staande op de weije bewesten de haven van de stad' een rekest in. Ze betogen 'dat de meestoof, door het verval van de negotie sedert het jaar 1719 buiten de gang gebleven sijnde tot merkelijk nadeel van de geinteresseerden die echter genoodzaakt zijn geweest die, met zware en kostbare reparaties, zonder daartegen ietwets te hebben geprofiteerd, in stand te houden. Soo dat ze daardoor, bij het doen van de laatste rekening, hebben ten haren laste gekregen een kwaad slot van een honderd zeven ponden en zes schellingen en negen grooten Vlaams, zonder dat zij tegemoet zagen hetselve te kunnen verminderen, maar eer te vergroten'.

Voor de wei, waarop de meestoof 'de Mane' staat, moeten ze boven een jaarlijkse ceins van £ 1.5 ten behoeve van de stad en de jaarlijkse staten- en waterpenningen ten behoeve van het land en de dijkage, nog betalen de jaarlijkse 100e penning van £ 4.13.9 aan de stad. Dit zijn lasten die voor hen, in een tijd dat hun meestoof buiten werking is, niet meer op te brengen zijn. Ze verzoeken de meestoof te ontlasten van de voldoening van de jaarlijkse 100e penning en van de aan de stad verschuldigde cijns. Ze wijzen er op dat het stadsbestuur enkele jaren geleden om dezelfde reden ook vrijdom heeft verleend aan 'de Fortuyn stove'. Het stadsbestuur besluit de Manestove voor de tijd van zeven jaar vrijdom van de jaarlijkse 100e penning te verlenen.

Molenarij

Boekweit-, gort- en gerstmolens

Met ingang van 1723 krijgen de boekweitmalers Levinus van Noord en Pieter de Fries weer voor zeven jaar octrooi om, met uitsluiting van alle anderen binnen de stad en jurisdictie, hun boekweit- en gortmalerij voort te zetten. Dit echter zonder nadeel toe te brengen aan hetgeen aan Pieter Amper 'aangaande de gerst-gortmalerije is geconsenteerd'. Het stadsbestuur behoudt evenwel 'de macht en vrijheid om ten einde en na het expireren van hun nog durend oud octrooi, een derde boekweit- en gortmaalder met en benevens hen binnen deze stad en jurisdictie toe te laten'. De Ampers drijven de gort- en gerstmolenarij op het Ravelijn de Grenadier. In 1695 kreeg molenaar Pieter Amper vergunning om op het Ravelijn bewesten de Koepoort 'een nieuwe gepelde gerst- en gortmolen met een huizinge' te zetten. In 1708 verwierf Pieter Amper van zijn medevennoot diens aandeel in de molen en werd zodoende alleen eigenaar. Na het overlijden van Pieter Amper kocht zijn broer Jan Amper de molen. Vanaf 1721 krijgt hij opnieuw octrooi voor de gepelde gerst en gortmaalderij voor zeven jaar.

In juli 1722 richt Joannes van Rentergem als nieuwe eigenaar van de gepelde gerst- en gortmolen (Jan Amper is inmiddels overleden) zich tot het stadsbestuur. Hij ondervindt tot zijn grote schade dat, niettegenstaande binnen de stad wordt gebracht en aan de winkeliers verkocht het zogenaamde alk, mais, gort, gepelde gerst, gerstemeel en parelgerst, enkel en alleen onder voorgeven dat bij die resolutie de invoer van die waren niet specifiek of nominatief zou zijn verboden. Hij verzoekt deze resolutie zodanig te vernieuwen dat de invoer daarvan verboden wordt. Het stadsbestuur besluit de invoer van het zogenaamde alk, mais, gort, gepelde gerst, gerstemeel en parelgerst binnen de stad van buiten te verbieden.

In 1725 is Steven Poelman eigenaar van de pel- en gortmolen op het Ravelijn de Grenadier. Hij beklaagt zich er over dat de winkeliers alle soorten gerst en gort van buiten de stad laten komen. Dit niettegenstaande de resolutie van het stadsbestuur van juli 1722, waarbij deze invoer is verboden. Hij vreest dat z'n pel- en gortmolen hierdoor te gronde gaat, tenzij hem wordt toegestaan 'om aan alle en een ieder, wie hij ook zij, hetzij winkelier of ander binnen deze stad en ten plattelande, zijn gort met de grote en kleine maat, soo best sal konnen, te mogen verkopen'. Het stadsbestuur besluit de molenaar alsnog toestemming te geven zijn gerstegort aan alle en een ieder, zonder onderscheid, zowel binnen als buiten de stad en ten plattelande, met de grote en kleine maat te verkopen.

 

Korenmolens

In 1726 rapporteren de dekenen van het bakkersgilde en de molenaars van de beide water- en windkorenmolens 'over de dispariteit (ongelijkheid) in het scherpen van de stenen van de molens en van het loon dat deselve voor het malen van iedere zak trekken'. Het stadsbestuur besluit dat beide molenaars hun stenen zullen mogen scherpen naar hun eigen oordeel 'om best bekwaam tot het malen te wezen'. Voor het malen zal de ene molenaar niet meer mogen verdienen per zak als de andere. De molenaar van de windmolen zal in plaats van de vanouds gebruikelijke vier stuivers per zak voortaan niet meer mogen trekken dan drie stuivers per zak. Die van de watermolen aan de Kleine Kade zal inplaats van de gewone twee stuivers per zak voortaan drie stuivers ontvangen.

Oliemolens

In het begin van de 18e eeuw had de familie Smytegelt een oliemolen op het Ravelijn de Groene Jager. Deze is in 1703 omgewaaid en sindsdien niet meer opgebouwd. Marinus Smytegelt werd bij resolutie van 8 augustus 1714 voor veertien jaar het gebruik van het west ravelijn voor een jaarlijkse cijns van vier ponden Vlaams toegestaan. In 1726 is doctor Joannes Levendale daarvan gebruiker. Levendale krijgt in 1726 voor nog eens veertien jaar het gebruik van het ravelijn.

Beurtschippers

Er ontstaat in 1721 ook een beurtveer tussen Goes en Utrecht. Dirk Visser is door het stadsbestuur van Utrecht aangesteld als marktschipper op de steden Zierikzee en Goes.

In 1721 richten Gerard Hageman, Johannes van Rentergem, Francois Oversluis en Marinus Soetebier zich mede namens de voornaamste koopluiden van de stad tot het stadsbestuur. Ze betogen dat het van onheuglijke tijden af is gepraktiseerd dat de schippers van Goes, die met koopmansgoederen op Amsterdam varen, als ze daar komen verplicht zijn met deze ingeladen goederen drie volle marktdagen, namelijk van maandag tot maandag of van vrijdag tot vrijdag, en deze goederen op de laatste marktdag verkocht wordende, nog zo veel langer als de koopluiden te Amsterdam tijd hebben om hun gekochte goederen te ontvangen, te blijven liggen, zonder aanspraak te kunnen maken op een penning van extra-ordinaire legdagen. Niettegenstaande deze oude costume hebben de tegenwoordige beurtlieden op Amsterdam, Abraham Groenendijk, Jacob Noels en Jacob Huyge, kunnen goedvinden, tegen deselve oude en altijd in gebruik geweest zijnde gewoonte, een gans tegenstijdig en voor de kooplieden van de stad zeer nadelige handel aan te vangen.

Dit is aanleiding voor het stadsbestuur te bepalen 'dat alle beurtschippers of afgehuurde schippers, met ingeladen granen en goederen van deze stad op Amsterdam varende, aldaar op een maandag of vrijdag voor twaalf uur aankomende en de granen en goederen niet eerder wordende verkocht, zullen moeten verblijven drie volle marktdagen, namelijk van die maandag of die vrijdag tot de volgende maandag of vrijdag inclusief. Sullende vervolgens, zoo deselve op een maandag of vrijdag, na twaalf uur mochten aankomen, dien dag voor geen marktdag worden gerekend en zij derhalve drie volle marktdagen daarna (de woensdag daar niet onder gerekend) aldaar moeten blijven liggen. Gelijk mede dat alle deselve beurtschippers of ook afgehuurde schippers, na het eindigen van die dag waarop ingeladen goederen zullen wezen verkocht, mede aldaar, zo die niet eerder worden gelost, om die te kunnen lossen, zullen moeten verblijven de tijd van tweemaal 24 uur zonder in enige van de voornoemde gevallen enige extra-ordinaire beloning of legdagen te kunnen pretenderen'.

In 1723 toont de uit Zaamslag afkomstige Boudewijn den Hollander, gildebroeder van het schippersgilde, het stadsbestuur open brieven van de magistraat van Vlissingen, waarbij hij is aangesteld tot beurtman van Vlissingen op Goes. Het stadsbestuur is hierover verbolgen. Zonder voorafgaand overleg heeft hij zich in Vlissingen weten te voorzien van brieven van voorschrijving. Hij is er kennelijk heimelijk van uitgegaan dat Goes hem zou begunstigen om beurtman van Goes op Vlissingen te worden. Dit terwijl het hem bekend is dat op dit beurtveer geen twee beurtlieden een bestaan kunnen hebben. Het stadsbestuur voelt zich hierdoor min of meer voor een voldongen feit gezet. Er is nooit een beurtman van Vlissingen op Goes geweest. De winsten op het bedienen van dat veer kwamen ten goede aan schippers en inwoners van Goes. Deze dreigen nu door de handelwijze van Den Hollander deze inkomsten te moeten missen. Voorlopig krijgt hij geen vergunning om beurtman van Goes op Vlissingen te zijn. Hij mag in Goes dan ook geen goederen inladen.

Adriaan Weije, de Goese beurtschipper op Vlissingen, krijgt in 1723 toestemming om zijn beurtveer te bedienen met een poonschuit. Begin 1724 krijgt hij ook toestemming om met z'n poonschuit, ook buiten de beurtdagen van Goes op Vlissingen, op Veere te varen. Hij mag op de andere plaatsen passagiers innemen en goederen inladen, evenals andere schuitvoerders en poonvaarders die geen vaste beurt hebben. Wel is hij gehouden 'om op woensdagen goedtijds met zijn schuit of poon te Goes te wezen, teneinde op die dag de goederen en waren, moetende vervoerd worden naar Vlissingen, te kunnen laden en innemen en op donderdagen met deselve naar Vlissingen te vertrekken, op vrijdagen aldaar te verblijven en op zaterdagen van daar te retourneren'.

In 1724 wordt Nicolaas Ouwendijk, één van de drie vaste beurtschippers van Goes op Amsterdam, op z'n verzoek van de bediening van dat beurtveer ontheven. De dekenen van het schippersgilde krijgen toestemming opnieuw 'een andere vaste beurtman in zijn plaats te laten aansmakken om dit veer te bedienen'. Ouwendijk krijgt de vrijheid met zijn schip op andere plaatsen te varen, evenals alle anderen die tot nu toe nog geen vaste beurtschipper zijn. Om in zijn kostwinning te voorzien mag Ouwendijk nu brandewijn, genever, allerhande sterke wateren en klein bier verkopen.

In 1725 richten de beurtschippers, varende met kromstevenschuiten van deze stad, Francois Duinkerke, Pieter van der Maire, Daniël Duinkerke en Antonie Weije, zich tot het stadsbestuur. Ze betogen 'dat ze met gunstige concessie van het stadsbestuur nu vele jaren achtereen met hun schuiten en met uitsluiting van andere soort van vaartuigen, hebben gevaren van Goes op Bergen op den Zoom en daarom met de anderen wekelijks geloot, in die vaart zodanig verval zou zijn gekomen dat somtijds om de drie à vier weken niet eens zoude worden gevaren'. De oorzaak hiervan is volgens hen 'de wekelijkse loting, gedurig als een nieuwe beurtman op Bergen wordt aangesteld, die beurtman en zijn opvolgers, als maar voor een reis vast en verzekerd wezende, die reis, bij kleinheid van vracht, tot groot ongemak van de burgerij die in de vaart enig belang heeft, laten glippen en aan deze kant blijven leggen, waardoor de burgerij genoodzaakt wordt zoveel doenlijk hun zaken op een andere wijze derwaarts te schikken'. Het stadsbestuur kan dit naar hun mening herstellen wanneer het hen en andere kromstevenschuitvoerders toestaat om onder elkaar te loten wie die beurt voor drie á vier jaren alleen zou waarnemen. Het stadsbestuur besluit het verzoek van de schippers toe te staan. Alle kromstevenschuitvoerders binnen de stad mogen voortaan onder elkaar loten en smakken wie van hier op Bergen op Zoom alleen voor drie jaren achtereen de beurt zal waarnemen. En als die drie jaren verstreken zijn, zal opnieuw een loting voor drie jaren plaats vinden.

In oktober 1725 maakt de beurtschipper op Rotterdam, Abraham Vleeshouwer, bezwaar om naar Rotterdam af te varen. De beurtman van Gouda op Goes heeft hem verteld dat met ingang van november aan gene zijde van Zijpe geen Zeeuwse of uit Zeeland komende schepen worden doorgelaten, maar aldaar zullen worden opgehouden. Het stadsbestuur gelast hem als officieel aangestelde beurtman op Rotterdam af te varen. Mocht men hem tegen houden of overlast aan doen, dan moet hij hiervan rapport uitbrengen aan het stadsbestuur.

Ook is er deze jaren een beurtveer op Breda. In 1726 is Adriaan Nelst beurtman van Breda op Goes. Hij krijgt toestemming 'zijn aldaar ingeladen goederen alhier te ontladen en andere in te nemen en derwaarts te vervoeren'. Er is in 1726 ook sprake van een beurtveer op Tholen. In juni toont Bastiaan Jansen het stadsbestuur een uittreksel uit het register van de stadsresoluties van de magistraat van Tholen. Daaruit blijkt dat deze hem heeft aangesteld tot beurtman van Tholen op Zierikzee en hem ook heeft opgedragen eens in de veertien dagen op Goes te varen 'ofte ten ware dat aan haar kwam te blijken, dat hij, naar dat op de laatstgenoemde stad had laten roepen, geen daalder aan vragt konde maken'. Hij verzoekt hem daarom ook als beurtman van Tholen op Goes te erkennen. Hiermee gaat het Goese stadsbestuur akkoord.

Herbergen en tapperijen

De vrije wijnstekers binnen de stad protesteren in februari 1721. Ze betogen dat Cornelis Rijmstee, Andries Carelse en meer andere herbergiers 'zich niet ontzien om tegen de resolutie van 13 april 1716 tot groot nadeel van hen wijn bij de grote of kleine mate aan allen en een iegelijk uit te leveren om buiten hun herbergen door deselve geconsumeerd te worden'. Het stadsbestuur besluit de inhoud van de eerdere resolutie te handhaven. Elke herbergier of tapper 'die enige wijn of sterke drank bij de grote of kleine mate zal komen uit te leveren of te verkopen, zal dit enkel mogen doen als die effectievelijk binnen zijn huis werd geconsumeerd'.

In 1721 krijgt Jan Soncke uit Heinkenszand vergunning om in het huis 'de Laatste Stuiver' op het einde van de Voorstad, door hem gekocht van Louis Ruth, de tappersnering te doen. Cornelis van den Berge mag in 1722 (opnieuw) brandewijn schenken en verkopen allerhande gedestilleerde wateren in het huis, staande buiten de Koepoort, 'omtrent ofte aan het Bekhof'. Ook Jan Spelle krijgt in 1722 vergunning om in zijn huis, daar hij tegenwoordig in woont, te verkopen en te schenken brandewijn en andere sterke drank bij de kleine maat. Jakob den Engelsman mag vanaf 1723 bier, brandewijn en jenever met de kleine maat schenken in zijn huis 'Boomsté', staande buiten de Ganzepoort. Dit jaar krijgt Philippus Levin, die gehuurd heeft de herberg 'het Gesaegde Wagenschot' aan de Opril van de Vlasmarkt (Vlasmarkt nummer 14), vergunning om daarin de tappersnering te doen. Ook Pieter Opheijst mag de tappersnering doen in het pand 'de Gekroonde Meebalen', waar de tapnering sinds lange jaren is gedaan.

Leendert Eyermeet, één van de koffyhuishouders binnen de stad, krijgt in juli 1722 vergunning 'om in het huis daar hij tegenwoordig in woont of koffy schenkt of nadien zal wonen ofte koffy schenken, te mogen setten een billiarttafel ende daarmede te laten spelen alle en een yder, die hetselve te doen sal begeren'. Het betreft hier 'het Royale Coffyhuis', Grote Markt nummer 22. In 1723 ontvangt Huibrecht Huijsman vergunning om herberg te houden in de herberg 'de Gouden Leeuw' op de Grote Markt nummer 21, waarin zijn huidige echtgenote Adriana Matthijsse dit tot nu toe heeft gedaan. Maarten Kooijman koopt dit jaar de herberg 'de Schanse' aan het hoofd en krijgt toestemming daarin herberg te houden. In 1724 krijgt Janus Terwoerd vergunning voor het verkopen en schenken van klein bier, brandewijn, jenever en andere gedestilleerde wateren in zijn huis in de Wijngaardstraat 'nevens 'de Vergulde Bolle' (Wijngaardstraat nummer 41), welke neering lange jaren aldaar is gedaan'. Eveneens mag Dirk van Steken de tappersnering uitoefenen in zijn huis 'de Weijman' in de Voorstad. Jan Jansz. de Fouw uit 's-Heer Arendskerke mag dit doen in zijn huis in de 's-Heer Hendrikskinderenstraat en Pieter de Jong in zijn huis 'de Roode Leeuw', Grote Kade nummer 10.

Ook Jakobus Paret krijgt vergunning voor het houden van herberg in de schutterij van de edele Busse aan de Wijngaardstraat nummer 29 noord. Hij 'is in de schutterij van de colevenieringe komen wonen als conciërge, alwaar gedaan werd neringe van bier, wijn, brandewijn en andere gedestilleerde wateren'. Verder krijgt Antony van den Bos in 1724 vergunning om in het huis, daar hij tegenwoordig in woont en staande naast de brouwerij 'de Wereld', de tappersnering uit te oefenen. In dat huis 'is voormaals die nering lange gedaan om zo voor de gaande en komende man een weinig out bier of jenever te schenken'. Ook mag Frederik van Loo in zijn huis aan de Oude Vismarkt verkopen en schenken brandewijn, jenever, anijs en andere sterke drank bij de kleine maat. In 1724 krijgt Philip Levin vergunning om in het huis 'den Walendans' in de Nieuwstraat te schenken en verkopen klein bier, jenever, brandewijn en andere sterke wateren. Dit jaar krijgt ook Cornelis Costen vergunning om in het door hem gekochte huis 'het Gesaagde Wagenschot' op de Vlasmarkt nummer 14 herberg te houden en de tappersnering te doen, zoals ook voorgaande eigenaars dit hebben gedaan.

Pieter Opheist, herbergier in 'de Drij Meebalen', wordt in 1724 tot nader order in verband met onordentelijkheden in zijn herberg gepleegd, verboden de tappersnering uit te oefenen. Hij belooft zich beter te zullen gedragen, waarna hij weer toestemming krijgt om de tappersnering te doen. Het blijkt echter 'dat hij zonder onderscheid te maken tussen zondagse en wekelijkse dagen, van erger tot erger voortgaande, tot zo verre dat zware woorden en voorvallen mitsgaders ongelukken daardoor aan en buiten zijn huis zijn begonnen en geschied'. Dit komt hem te staan op een verbod voor drie maanden 'enige de minste tappersnering of enige handschenking te doen'. In 1725 krijgt Jan Bosdijk vergunning tot het uitoefenen van de tappersnering in het door hem gekochte huis 'de Meerminne' op de Grote Kade nummer32. In dit huis is vele jaren achtereen de tappersnering gedaan.

Abraham Vleijschhouwer, wonend in het door hem gekochte huis van Cornelis van Savoyen in de Wijngaardstraat, krijgt vergunning voor het verkopen en schenken van brandewijn, genever en andere sterke drank bij de kleine maat. Ook mag Dirk Swaev in 1725 de tappersnering doen in het logement en afspanning 'het Soutens Huys' in de 's-Heer Hendrikskinderenstraat nummer 28, waarin al vanaf 1694 door zijn ouders deze nering is gedaan.

In 1725 ontvangt het stadsbestuur dagelijks vele klachten 'dat de geoctroieerde koffyschenkers binnen de stad zich niet ontzien om op zondagen aan alle en een ieder, die dit begeren, koffy ende sterken drank te schenken ofte verkopen even en al eens of hetselve in genen dele ware verboden maar ter contrarie geoorloofd'. Het stadsbestuur overweegt 'dat dit alles is strekkende tot ontheiliging en verachting van de Dag des Heeren en strijdende tegen haar resolutie en voor deze gehouden goede orders'. Het besluit de koffyschenkers te verbieden aan iemand, wie het ook zou mogen zijn, niemand uitgezonderd, enige koffy of sterke drank te schenken of te verkopen.

Huibregt de Boe verzoekt in 1726 om verlenging van het mogen schenken van klein bier, brandewijn, jenever en andere sterke wateren. Aanvankelijk weigert het stadsbestuur hem dit vanwege klachten 'over het leggen van allerhande soort van slapers ten sijnen huise als anderszins'. Maar 'op zijn gedurige sollicitatiën' wordt later goedgevonden hem alsnog continuatie te verlenen 'met interdictie van enige slapers ten zijnen huijse te leggen'.

Adriaan Huijser en Hendrik van Sundert krijgen in 1726 alsnog toestemming 'om bij gelegenheid van het houden van braetschotel te mogen schenken sterke drank en bier, uit consideratie van dat het houden van braetschotel sonder schenken van bier niet wel kan worden gepleegd en bestaan'. Ze krijgen vergunning bier te schenken met verbod nochtans van enige sterke drank te leveren en te verkopen.

In juli 1726 vraagt Jan van den Berge vergunning om in het door hem gekochte huis aan de Lange Kerkstraat (nummer 31) te verkopen, zowel bij de grote als de kleine maat, brandewijn en andere gedestilleerde wateren. Het stadsbestuur wijst dit verzoek af 'soo om reden van dat hetselve huijs is digt aan de kerke, ende dat haar edelagtbaren hebben vernomen dat deze wateren daer inne selvs souden moeten gedestilleerd ende gestookt, waer door niet anders als ontstigting voor de voorbijgangers na de kerk ende gevaer van brand voor de kerke selvs staet te geschieden ende te verwagten, als om reden dat in het selve huijs die neringe van te voren niet is gedaan '.

Andere bedrijvigheid

Vóór 1721 is er ook een klompenmakerij in de stad. Jan van Tartwijk is 'geoctrooieerd blookmaker' binnen de stad. Als zijn weduwe in 1721 overlijdt, krijgen de voogden van de nagelaten wezen op hun verzoek toestemming 'al het hout, bij de voornoemde weduwe tot het maken van klompen in voorraad gekocht, ten profijte van de wezen te doen verwerken'. De klompenmakerij wordt voortgezet door Gillis Stijlaerts. Hij krijgt toestemming om, nadat het hout door de weduwe van Jan van Tartwijk voor het maken van bloken en klompen in voorraad gekocht, van tevoren ten profijte van de weduwe zal zijn verwerkt, alleen en met uitsluiting van alle anderen binnen de stad klompen en bloken te maken. Echter zijn verzoek dat er geen gemaakte klompen en bloken van buiten Goes zouden mogen worden ingevoerd om verkocht te worden, wordt afgewezen.

In 1720 is aan Reijn Claaszn Hoondert het lijndraaien en maken van touwwerk in het huisje, door hem gekocht van Laurus Marcusse van der Baen, staande op de oostzijde van de stadswallen, toegestaan. Hoondert doet hier in 1724 afstand van. Op zijn verzoek krijgt Pieter Puit toestemming tot 'het lijndraaien en maken van touwwerk op de lijnbaan, bij zijn voorganger gebruikt en gestaan aan de oostzijde van dezes stads wallen'.

Nicolaas Loonis, stadsdrukker, betoogt in 1721 dat hij zich ook met die stijl zowel te Zierikzee als te Rotterdam gegeneerd heeft. Maar door schaarsheid van werk en bijzondere schade die hij door het drukken van enige werken heeft opgelopen, is hij in zodanig verloop van schulden geraakt dat hij niet in staat is al zijn crediteuren te voldoen. Hij is daardoor genoodzaakt afstand te doen van zijn goederen. In februari 1725 overlijdt de stadsdrukker Loonis. Zijn weduwe Sara de Vos geeft te kennen dat ze de drukkerij wil voortzetten. Ze is voldoende in staat en bekwaam en ook genegen hiertoe. Het stadsbestuur besluit haar toe te staan 'het drukken bij de hand te houden'. Ze mag het drukken voortzetten ten dienste van de inwoners, met uitsluiting van alle anderen binnen de stad, op het jaarlijks traktement dat haar overleden man genoot.

In 1723 heerst er onvrede bij de tabakverkopers Jan Kleijn, Laurens van Loenhout, Antony de Lasable en Matthijs de Wolf. Ze betogen dat ze ongeveer zes jaar geleden door de pachter van de stadsbalans David Bal zijn aangemaand om van iedere honderd ponden tabak drie stuivers aan waaggeld te betalen. Met wijlen burgemeester Adolf Westerwijk en met de pachter van de stadsbalans kwamen ze destijds overeen om inplaats van drie stuivers van iedere honderd ponden tabak jaarlijks een vaste som aan waaggeld te betalen. Ze hebben nu 'met de uiterste smerte' ondervonden dat monseigneur Pieter Hallewaard, de huidige pachter van de stadsbalans, weer drie stuivers van iedere honderd ponden tabak aan waaggeld invordert.

Bakkerijen

In 1724 krijgt Willem Kooper uit Zierikzee vergunning voor het maken en zetten van een bakkersoven in het huis van zijn moeder Agatha van de Laerse, staande op de hoek van de Sint Jacobstraat, daar hij tegenwoordig woont. Dit is het vroegere 'Speelhuis', Sint Jacobstraat nummer 54. Ook in 1724 ontvangt het stadsbestuur een rekest van nagenoeg alle brood- en koekebakkers binnen de stad. Het is ondertekend door Gillis de Breu, Marinus Gorsse, Joos Pouwelse de Jonge, Teodorus Turck, Pieter van de Laerse, Jan Verron, Willem Baroen, Jan Caardeman, Willem Meijaard, Jan Trimpe, Cornelis Oversluijs, Willem Kooper, Adam Kolve, Jasper Fasee, David Bal, Matijs Ratel, Cornelis Drabbe, Jan Braat, de weduwe Born, Cornelis van Loenhout, Nicolaas Molenaar, Marinus Alvares, Jan Adriaan Jansen, Jacobus Gorsse en Nicolaas van Ontenisse. De bakkers betogen 'dat door het gestadig aangroeien van het getal der bakkerijen en het zetten van nieuwe bakovens de ervarenheid niet alleen bereids heeft geleerd, dat verscheidene zich met het bakken niet hebbende kunnen generen, hun bakkerijen hebben moeten verlaten en bankroet spelen, maar dat zij ook vastelijk tegemoet zagen, dat diegenen, dewelke van lange tijd herwaarts die nering hebben gedaan en zich daar mede onderhouden, buiten staat gesteld zullen worden om hetzelve langer te kunnen doen en vervolgens tot een ongelukkig uiterste gebracht. Dat bovendien, zij komende te sterven, hun na te laten weduwen die nering niet alleen niet aan de hand zouden kunnen houden, maar hun bakkerijen willende verkopen, op deselve considerabele sommen, alzo door de meeste van hun zijn gekocht in een tijd dat op verre na soo vele bakkers in deze stad niet waren en gevolgelijk veel meerderwaardig als nu zijn, zouden moeten verliesen, hetwelk aan sommige een onbetwist groot nadeel en aan andere een totale ruïne en ondergang zou toebrengen'. Ze verzoeken het stadsbestuur te besluiten dat buiten de bakkerijen en ovens, die tegenwoordig binnen de stad zijn gesticht, geen andere mogen worden opgericht. Tevens dat in de plaats van de bakkerijen, die worden afgebroken, geen nieuwe of andere worden gebouwd. Aldus wordt besloten.

In januari 1726 beklagen de bakkers Willem Baroen, Cornelis van Loenhout, Willem Kooper, Cornelis Drabbe en Matthijs Ratel zich over de behandeling van de dekenen van het bakkersgilde. Deze eisen hen boeten af 'om hun brood soo mooij ende fraaij te mogen bakken als ze sullen kunnen goedvinden'. Na het inwinnen van advies van de vier keurmeesters van het brood besluit het stadsbestuur 'dat alle de bakkers van en onder de stad zal worden aangezegd dat zij in het toekomende zich in het bakken van brood stiptelijk zullen hebben te reguleren en te gedragen conform de teneur van de ordonnantie'.

Jan de Lamair verzoekt in juli 1726 'voor zijn zoon in zijn huis of kelder op of aan de Grote Markt te mogen zetten een bakkersoven en die nering te doen'. Het stadsbestuur wijst dit verzoek af omdat 'in dat huis die nering nooit is gedaan, immers, soo was geschied, in lange niet gepraktiseerd, ende vervolgens dat in hetselve een nieuwe oven soude moeten werden geset'. Bovendien is een overweging 'dat bij resolutie van 23 september 1724 is vastgesteld dat, buiten de bakkerijen en ovens, dewelke doen ter tijd binnen deze stad waren, ende waar inne de gemelde neringe wierde gedaan, in het toekomende geene andere souden mogen werden geset'.

Vleeshouwerijen

In 1723 constateert het stadsbestuur dat 'de vleeshouwers het niet ontzien, onder het slaan van kalvers, schapen en lammers, deselve op te blasen'. Dit niettegenstaande de uitdrukkelijke verboden, resoluties en publicaties. Besloten wordt dat in voorkomende gevallen 'een vleeshouwer telkens en voor iedere reize zal verbeuren niet alleenlijk het geslagen en opgeblazen vleijs, maar daarenboven nog twintig schellingen, en zal men metterdaad ontzet wezen van zijn recht als gildebroeder van het vleeshouwersgilde'. De keurmeesters krijgen opdracht hierop nauwlettend toe te zien en tenminste eens per week in alle vleeshouwerswinkels onderzoek en de ronde te doen.

Zeilmakerij

De zeilmakerbaas Joannes van der Gevel uit Geertruidenberg schrijft in 1722 dat hij genegen is zich binnen de stad te vestigen om daar de zeilmakerij te bedrijven. Het stadsbestuur besluit hem tot burger van de stad toe te laten. Hij krijgt octrooi voor de tijd van veertien jaar om met uitsluiting van alle anderen de zeilmakerij binnen de stad uit te oefenen.

Mandenmakerij

Verscheidene mandenmakers betogen in 1725 'dat vele vreemde kurvverkopers, tot merkelijk nadeel van hen, dagelijks met hun kurven door deze stad aan de huizen van een ieder komen te lopen en te leuren'. Ze verzoeken dit te verbieden op straffe dat de korven die op deze manier worden verkocht, ten profijte van het timmerliedengilde waaronder de mandenmakers ressorteren, zullen worden verbeurd. Het stadsbestuur besluit 'aan alle vreemde kurfverkopers te verbieden met enige dusdanige kurven, welke in de winkels van de mandenmakers worden verkocht, door de stad te lopen en daarmee te leuren'. De dekenen van het gilde krijgen toestemming die korven en manden uit de huizen te halen. Wel zijn de mandenmakers verplicht zulke korven, die door die leurders worden verkocht, gedurig in hun winkels te koop te hebben.

Hoedenmakerij

In de stad bedrijft een aantal ondernemers, vooral in de Lange Vorststraat, de hoedenmakerij. Namens de hoedenmakers in Zeeland schrijft de Middelburgse hoedenmaker Jan Colzon in 1722, als gemachtigde van de Zeeuwse hoedenmakers, een zeer uitvoerige brief aan de Staten van Zeeland. Hij betoogt 'dat de fabricq van hoedenmaken voor dezen binnen deze provincie is geweest van een bloeijende staat en een menigte inwoonders binnen dezelve de kost verschaffende, dezelve fabricq als nu is geraakt in een zodanig groot verval dat dezelve helt naar haaren geheelen ondergang, indien bij uwe edelmogenden ten besten dezer provincie in het gemeen en der fabriquers van hoeden in het bijzonder niet vaderlijk worde voorzien.

De oorzaak van het verval der hoedenfabriek is gelegen in het inbrengen van Engelse, France, Duytse mitsgaders Brabantse, Vlaamse en ten plattelande in Holland en elders gemaakte hoeden. Het is thans zo ver gekomen dat de kramers de hoeden, ten volle opgemaakt, ontbieden uit Engeland en altoos met voorbijgaan van hun fabriek, niet als kooplieden maar als winkeliers aan de inwoners stuk voor stuk debiteren, waardoor aan een ander koninkrijk komen de voordelen van stoffen en arbeidsloon die de arme ingezetenen anders zelf zouden komen profiteren'. Uitvoerig worden middelen aangegeven waardoor de Zeeuwse hoedenfabricage weer zou kunnen worden bevorderd.

Kaarsenmakerij

De kaarsenmakers en -verkopers Jakobus Verschuyl, Marinus Blommaert, Pieter Huisman en Pieter Baroen beklagen zich in 1722 bij het stadsbestuur 'dat zij tot hun seer groot nadeel gewaar worden dat er zeer veel kaarsen in deze stad van buiten worden ingebracht en geconsumeerd, welke is tot seer groot nadeel van diegenen die deselve kaarsenmakerie in deze stad bij de hand hebben'. Dit vinden ze in strijd met het verbod van het stadsbestuur van 19 december 1647, waarbij 'haar edelachtbaren seggen genegen te zijn om hun ingezetenen voor vreemden te beneficeren en verbieden dat voortaan binnen de stad kaarsen, buiten de stad gemaakt, zullen worden ingebracht om verkocht te worden'. Ze verzoeken hen 'de nodige assistentie te geven om zodanige kwade praktijken en overtredingen te helpen mijden en weren, mitsgaders macht om door een bode van het kramersgilde aan alle schippers, beurtlieden en wijnstekers de vereiste interdictie te doen'. Het stadsbestuur besluit, 'omdat het dezelfde genegenheid als voorheen heeft om hun ingezetenen voor vreemden te bevoordelen en hun welwezen te beogen, te persisteren bij de inhoud van het eerdergenoemde verbod'. Een van de stadsgerechtsboden geeft hiervan kennis aan alle schippers, beurtlieden en winkeliers.

Markten

Elk jaar besluit het stadsbestuur dat op de aanstaande Goesche jaarmarkt 'geen spellen van komedianten, koorddansers of wat deselve ook zouden mogen wezen, gelijk mede geen draeyborden ofte rijffelaars zullen worden toegelaten'. Dit zal door advertenties in de couranten, waaronder de Haarlemse Courant, worden bekend gemaakt.

Vishandel

Het stadsbestuur besluit in 1722 de binnen de stad wonende vissers, 'vermits de nog sijnde kleijnte van de molenaar, te verbieden binnen de tijd van veertien dagen molenaar te vangen of ten ware dat hetselve door vissers in andere steden en plaatsen wierde gedaan, in welke gevallen het aan de eerstgenoemde vissers mede zal worden toegestaan'. In juni 1724 doet zich hetzelfde voor. Verscheidene vissers geven te kennen dat de molenaar nog veel te klein is om te worden gevangen. Het stadsbestuur besluit 'dat aan alle sodanige vissers en vangers van molenaar binnen de stad en jurisdictie door een van de gerechtsboden zal worden aangezegd dat zij niet zullen vermogen enige molenaar te vissen voor veertien dagen na Sint Jan of de 24e van deze maand'.

Er komen in juli 1724 vele klachten binnen bij het stadsbestuur 'dat diverse vissers, wonende binnen de stad en jurisdictie, niettegenstaande hetzelve bij het tweede artikel van de Ordonnantie op het vissersgilde van 20 juni 1674 wel degelijk is verboden, zich niet ontzien van op de Sabbath en de bededagen te gaan vissen en vervolgens die tot den godsdienst verordineerde dagen daardoor grovelijk te misbruiken'. De magistraat besluit dit verbodsartikel te vernieuwen en 'hiervan aan de twee oudste ofte langst gevaren hebbende vissers alhier extract af te geven'.