Aanvulling? Meld het hier.
<<

Haven en vaarwater (1721 - 1726)

Sluis tussen de oude en nieuwe haven

In 1726 krijgen de stadsdirecteuren machtiging om de sluis tussen de oude en nieuwe haven, bij de zoutkeet van Marynis Drywegen, òf te laten repareren òf te vernieuwen, zoals zij het beste nodig oordelen. De stadsrekeningen geven hierover uitsluitsel en vermelden de volgende uitgaven: aan Johannes Huijsdijk voor het aannemen van het oude spuij uit te delven en wederom op te vullen en bovendien nog vier dagen in daggeld te werken £ 25.13.4; Francois van Sagen voor het aannemen van het nieuwe spui te delven, te derrijen en aan te vullen £ 23.13; Pieter den Boer en Dignus Krijnse voor het halen van 47 boten derrij voor het nieuwe spuij £ 9.8; Adriaan Murre, Christiaan de Minder en anderen wegens het leggen van de rijsberm bij de nieuwe sluis tussen de oude en nieuwe havendijk £ 10.16; Cornelis van Riel voor 24400 geleverde rijsstaken en gaarden voor het maken en repareren van verscheidene rijsbermen, zowel bij het hoofd als de nieuwe sluis £ 87.8.8; Cornelis Vermeulen voor levering van 2000 bossen rijs, 150 bossen gaarden en vier staken voor het leggen van de nieuwe berm bij de zoutketen £ 8.8.5; Cornelis Swaan voor levering van 2000 bossen rijs, 200 bossen gaarden en 700 staken voor het leggen en verhogen van de rijsberm bij de zoutketen omtrent de nieuwe sluis £ 9.12.

Verlanding vaarwater

In september 1724 is voor het eerst sprake van verlanding van het vaarwater. Een commissie, bestaande uit de burgemeesters Drijwegen en Eversdijk en de raden Pieter Hobius en mr. Pieter Lammens en een van de secretarissen, zal met dijkgraaf en gezworenen van de Goese Polder overleggen 'over het tegengaan en wegnemen van de droogten in het vaarwater aan de westzijde van het hoofd en om en tegen de dijk van de Goese Polder en vervolgens of door het een of ander in het werk stellen geen verandering in de vaart aldaar kan worden gemaakt'.

Pieter Wiltschut deelt in 1725 het stadsbestuur mee 'in drie of vier onderscheidene reijzen met enige heren uit het midden van haar edelachtbaren hebbende geweest inspecteren de toestand en gelegenheid van de ondiepten en opgeworpen zandplaten bewesten het hoofd van de stad, zo benevens en langs de Goese Polder, als naar de zijde van Wolfaartsdijk en het zogenaamde Hondegat, alsmede overgegeven aan haar edelachtbaren twee kaarten figuratyf, vertonende de ene de toestand van de voornoemde ondiepten en de andere de gestalten van de provincie, zoals die over vele jaren is geweest'. De stadsrekening vermeldt hierover een uitgaaf aan Pieter Wiltschut voor 'het opmaken van twee kaarten figuratief en het inspecteren op verscheidene tijden van de ondiepte bewesten het Hoofd alhier' van £ 8.10.

Dreigende dijkdoorbraken

In 1726 ontstaan er grote zorgen over een dreigende dijkdoorbraak van de oude zeedijk bij Borssele. In juli van dat jaar krijgen de gezworenen van de Brede watering bewesten Yerseke opdracht 'hoe eerder hoe beter te gaan inspecteren de oude zeedijk te Borssele en te zien of deze met vrucht zou kunnen worden gehouden en welke middelen daartoe bekwaamst en bestendigst mochten zijn'. In september wordt het stadsbestuur 'met seer vele omstandigheden aangediend de groote schade die door de laatste storm aan de oude zeedijk te Borssele is toegebracht en de gevaarlijke stand derselve daardoor als anders veroorzaakt'. Het stadsbestuur besluit 'andermaal om te zien of deze dijk houdbaar is en wat te dien einde het best en bekwamelijk zal dienen in het werk gesteld te worden'. De daartoe ingestelde commissie doet in oktober verslag van de inspectie van de oude zeedijk. Ze hebben 'de zeedijk zeer ontramponeerd en in een gevaarlijke toestand bevonden en dat de sentimenten daar henen waren gelopen dat het best was de dijk te onderhouden en met alle kracht te doen repareren en dat ze tot dien einde enige provisionele voorzieningen en orders tot reparatie in deze wintertijd hadden gegeven om de dijk, tot toekomend voorjaar gehouden sijnde, door hen, alsmede het college van dijkgraaf en gezworenen en verdere geïnteresseerden, alsdan besloten te worden wat tot conservatie van dien, ten principale zal dienen te worden gedaan en met alle kracht in het werk gesteld'.