Aanvulling? Meld het hier.
<<

Kerkelijke situatie (1721 - 1726)

Nederduitse (hervormde) gemeente

In 1721 overlijdt de predikant ds. Adolf Keetlaar, Goesenaar van geboorte. De kerkenraadnotulen vermelden: 'Vermits het zeer onverwagt ende haastig afsterven op den 7 May 1721 van wijlen onzen voormaals geliefden ende eerwaarde collega ds. A. Keetlaar besluit de kerkenraad om door de praeses ds. Johannes Andriessen mondeling of schriftelijk bij de Classis te verzoeken om de vacature benevens ons, voor de weduwe, naar ouder gewoonte te helpen waarnemen'. Terwijl de doodsklok één uur lang luidt, wordt de overleden predikant begraven in het koor van de Grote Kerk. In aanwezigheid van de gedeputeerden van het stadsbestuur burgemeester Adolf Westerwijk, oud-burgemeester en dijkgraaf Johan Westerwijk en oud-schepen en raad Nicolaas Sommerzee zet het Collegium Qualificatum zich tot het beroepen 'van een Nederduitse leeraer'. Een drietal predikanten wordt gehoord, te weten ds. Lambertus Te Winckel te Etten, ds. Tiberius Arnoldi uit het Haegje en ds. Timotheus de Wit te Tiel. De beroepen ds. T. de Wit te Tiel geeft echter in een uitvoerige brief te kennen dat hij daarvoor bedankt. Daarop wordt beroepen ds. Lambertus te Winckel te Etten. Per brief deelt deze mee 'geen reden gevonden te hebben waarom ik deze beroeping niet in des Heeren Vreze soude aannemen, gelijk ik die in des Heeren Naam aanneme, in een vast vertrouwen dat God die de stemmen van het eerwaarde Collegium Qualificatum op mij Sijn geringen Dienstknegt heeft laten vallen, ook met soodanige genade en gaven sal overstroomen als er tot sulken swaarwigtige bedieninge vereijscht wordt....'.

Jaarlijks vindt de vermaking van de helft van de kerkenraad plaats. Steeds nemen minstens twee leden van het stadsbestuur als ouderling deel aan de kerkenraad. In deze jaren zijn dit de (oud) burgemeesters Cornelis van Sunder, Mattheus Eversdijk, Adolf Westerwijk en Marynis Drywegen en de schepenen Johan van der Hille, Nicolaas Sommerzee, Adriaan Isebree, Zywert van der Bilt, Boudewijn Verselewel en Francois de Keijser. Opmerkelijk is dat de kerkenraad in september 1724 besluit dat 'uit oorzaak van drie overledenen en ziekte van de tegenwoordige ouderlingen als anderszins, een van de rustende ouderlingen, te weten monseigneur Jacob Outdorp, tegen morgen verzocht zal worden om in de Kleene Kerke bij het Heilig Avondmaal aan de Tafel te staan'.

Gedurende de wintermaanden zijn er naar oude gewoonte drie kerkdiensten in de week. De predikant die op zondagmorgen in de Grote kerk preekt zal op zondagavond om vijf uur catechiseren en op dinsdag- en vrijdagavond preken. De predikant die op zondagmiddag in de Grote kerk preekt zal op donderdagavond om vijf uur catechiseren. De predikant die op zondagmorgen in de Kleine kerk preekt zal in die kerk 's middags de kinderen catechiseren en op woensdagmorgen om tien uur in de Grote kerk preken. De predikant die 's middags in de Kleine Kerk preekt, zal de grotere kinderen catechiseren op woensdagmorgen om half elf 'in het ledige deel' van de Grote Kerk.

Elke kerkenraadsvergadering passeren tal van lidmaten die onder censuur staan de revue. Zo staan in 1721 twintig personen onder censuur wegens gegeven ergernis, onzuiverheid in de leer of het zich hebben misdragen. De notulen van de kerkenraadsvergaderingen zijn nogal eens zeer kort, soms slechts een enkele regel. Er zijn weinig zaken van historische waarde te vermelden. Enkele bijzonderheden kunnen worden genoemd. De kerkenraad besluit voor de toekomst zoveel mogelijk met alle voorzichtigheid te handelen met het aannemen van attestaties van nieuw inkomende behoeftige lidmaten.

Volgens oud gebruik worden de scholen om de drie maanden bezocht door de praeses en een assessor van de kerkenraad met hun ouderlingen. Met de schoolopzieners of schoolarchen komt men op de daarvoor gestelde dag tegen een uur in de consistorie samen. De inspecties geven aanleiding tot maatregelen. De kerkenraad keurt in februari 1723 een door ds. Johannes Andriessen opgesteld concept 'tot herstel van het verval omtrent het schoolhouden en het leven der kinderen' goed.

Elk jaar spreekt de kerkenraad de regerende burgemeester aan met het verzoek om te verbieden 'alle ergerlijke spelen op de aanstaande jaarmarkt en ervoor te zorgen dat de komedianten en andere diergelijke soorten van menschen niet worden toegelaten'. In december 1725 besluit de kerkenraad dat de praeses ds. Van Rooyen 'de burgemeester zal vertonen de schandelijke ergernis die des zondags wordt gegeven door het frequenteren van de kroegen bij vele ingezetenen en verzoeken dit te weren door het gezag van de magistraat'.

Ds. Hubertus Pieroom deelt in december 1726 de kerkenraad mee 'dat woensdag, zijnde Kerstdag, onder en na de predikatie een menigte van mensen op de Grote Markt waren, tot ergernisse van alle godsdienstigen'. De praeses spreekt hierop de regerende burgemeester aan opdat zulke ergernissen in het vervolg mochten worden geweerd.

Klokkenspel

In 1723 overlijdt de organist en klokkenspeler van de Grote Kerk, Pieter van Overstraten. Het stadsbestuur besluit deze beide functies te splitsen. Tot organist wordt aangesteld Willem Paret op een jaarlijks traktement van £ 41.13.4 en tot klokkenspeler Reijaard van Zagen, tot nu toe één van de boden van het landrecht, op een traktement van £ 33.6.8. De nieuwe klokkenspeler is verplicht om te allen tijde het orgel te repareren of te helpen repareren en de organist Paret, in geval van ziekte of andere ongelegenheid, alle hulp en assistentie toe te brengen en de gehele dienst waar te nemen. Daarentegen is de nieuwe organist Paret verplicht, bij ziekte of andere ongelegenheid van Van Zagen, het klokkenspel te bespelen.

In september 1725 vindt een inspectie plaats 'op de reparatie aan het ijzeren veer- en staafwerk van het klokspel, hangende in de toren van de Grote Kerk'. Aan het klokkenspel 'heeft al van lange jaren ontbroken drie kleine klokjes, gevende de voornaamste tonen en waarover de meeste vooizen lopen, met name E mol, kruijs F en kruijs G, het alsnu ter gelegenheid van de voornoemde gedaan werdende reparatie van de minste kosten zoude wezen deselve te vervullen, mitsgaders grotelijks dienen tot volkomenheid van het voornoemde klokspel en cieraad van dien'. Het stadsbestuur besluit de drie klokjes te kopen en aan het carillon toe te voegen. Joos de Jonge krijgt opdracht 'om sig in het doen gieten en inkopen van deselve daar van te bedienen'.

De stadsrekening vermeldt hierover de volgende uitgaven: aan de smid Crijn Mus voor arbeid en geleverd en vermaakt ijzer 'voor het speelwerk van de klokken op de thoorn en 't gunt daar toe hoort als beugels, veren, krammen, hamers, bouten, sluitringen, staande stikken, tuimelaars, ermen, ramen, schroeven, nieuwe kleepels, neuten, taaie nagels, koperdraad' £ 199.10.8; monseigneur Joos de Jonge 'als hebbende uit cragte van haar edelachtbaren autorisatie om de incoop van vier speelklokken te doen, wegende 415 ll, met de kleepels om tselve te overhandigen in handen van Albregt de Grave, klokgieter te Amsterdam' £ 69.6.8; Pieter de Puijt wegens 'levering van touwen als een reep touwen voor de heel en half uur klok in de toren van de Grote Kerk en voor het klokkespel, twee repen aan de klok in de toren van het stadhuis en het schippersklokje, samen 573 pond, met nog enig touwwerk aan de brandspuit' £ 22.8; de smid Krijn Musch voor arbeidsloon en geleverd ijzerwerk voor het vermaken en herstellen 'van het ontramponeerde horologie der heel en half uur klokke en het klokkespel in de toren der Grote kerk als het maken van nieuwe en repareren van oude raders' £ 53.

Waalse gemeente

In mei 1722 besluit de Waalse Synode, bijeen te Zierikzee, de Waalse predikant van Goes ds. Gabriël de Romieu om zijn kwaad gedrag van zijn dienst af te zetten. Voor het uitbrengen van een beroep op een nieuwe predikant vaardigt het stadsbestuur naar het Collegium Qualificatum af burgemeester Adolf Westerwijk en schepen Boudewijn Verselewel. Met eenparigheid wordt beroepen de proponent Pierre Granjon uit Utrecht. Het stadsbestuur verklaart deze beroeping 'voor aangenaam'.

In december 1722 geven de stadssecretarissen Annaart en Van Oostee, beiden ouderling van de Waalse gemeente, namens de Waalse kerkenraad te kennen dat ds. Pierre Granjon, de onlangs bevestigde leraar van de gemeente, 'aan de kerkenraad had gedemonstreerd, dat hij, zijnde beroepen en hetselve hebbende aangenomen om alle zondagen tweemalen te prediken, wel genegen was om hetselve te doen en na te komen, maar dat hij ondervond dat hij dusdoende nergens anders op bedacht soude moeten wezen als om die twee wekelijkse predikatiën bij den anderen te krijgen ende vervolgens sig selven aen geene andere theologische studiën soude konnen overgeven, waardoor hij derhalve niet alleen in sijne generale theologische studiën geene genoegsame progressen soude konnen maken, maar ook sijne predikatiën soo bondig, beknopt ende doorwrocht niet souden konnen wezen, als wel wanneer hij van sijnen kerkenraad, die hij seijde met alle beleefdheid daartoe te versoeken, ende magistraat van dese stad soude konnen verkrijgen, omme, bij provisie ende tenminste van dese winter, maer eenmael des sondags te prediken'.

De kerkenraad overweegt ook 'dat het de meeste tijd gebeurt, dat des zondags na de middag in de winter zeer weinige mensen van buiten en uit het land ter kerk komen en ze het wel goed kunnen vinden, op welbehagen van de magistraat van de stad, te consenteren in het verzoek van hun leraar en hij tot nader order niet verder zou verplicht wezen als eene reis op een zondag te prediken'. De magistraat laat zich de resolutie van de kerkenraad welgevallen.

In januari 1724 besluit het stadsbestuur 'vanwege de goede hoedanigheden' van ds. Pierre Granjon, predikant van de Waalse gemeente, dat hem 'voor een douceur jaarlijks uit de stadskas zal worden goedgedaan en betaald een som van £ 16.13.4'. Toch gelukt het niet om de predikant Granjon voor de Waalse gemeente van Goes te behouden. Het Collegium Qualificatum van de Waalse kerkenraad te Tholen besluit in juni 1724 hem tot haar predikant te beroepen. Ds. Granjon brengt daarop een bezoek aan burgemeester Annaart. Hij geeft te kennen voornemens te zijn om te vertrekken naar Tholen. Maar hij is gebonden aan de resolutie van 15 juni 1722, waarbij is bepaald 'dat enig leraar, nog geen drie jaar in een van de steden van de provincie gestaan hebbende en van daar beroepen wordende, deselve steden de macht hebben van hem niet te laten vertrekken. En al latende vertrekken van hem kunnen afvorderen de penningen om tot een volgend beroep te treden'. Het stadsbestuur besluit ds. Granjon de ontheffing te verlenen en hem de vrijheid te geven naar Tholen te vertrekken. In augustus 1724 wordt met eenparigheid beroepen ds. Paulus Bernard, predikant van de Waalse gemeente van Den Briel.

De Staten van Zeeland besloten in 1713 het traktement van de Franse predikant niet meer te vergoeden en te verminderen met £ 33.6.8 en dit bedrag te geven aan de Nederduitse kerk binnen de stad ter betaling van de classikale onkosten. In 1724 wordt dit besluit ingetrokken en deze £ 33.6.8 weer aan het traktement van de Waalse predikant toegevoegd.

De Waalse kerkenraad wendt zich tot het stadsbestuur over het traktement van de te beroepen Franse predikant. In 1713 is besloten 'dat van het ordinaire traktement van de predikant, omme te dienen tot subsidie aan de Nederduitse kerkemiddelen ende wel speciaal tot betaling van de klassikale onkosten van de vier Nederduitse leraars' worden afgenomen £ 33.6.8. Deze kerkemiddelen waren in een veel slechtere staat als waarin ze tegenwoordig zijn, als zijnde deze vermeerderd en toegenomen door het maken van een ordonnantie op het luiden van de klokken, verkopen van graven en zetten van stoelen in de kerk. Het stadsbestuur besluit 'om haar edelmogenden te verzoeken dat de voornoemde penningen, van het traktement van de Franse predikant verminderd en aan de middelen van de Duitse kerkenraad toegevoegd, jaarlijks van dezelve middelen van de Duitse kerk mogen worden afgenomen en het tegenwoordig traktement van de indertijd zullende wezen Franse predikant met deselve verhoogd en vervolgens in zijn ouden stand gebracht'. De vertegenwoordigers naar het Collegium Qualificatum krijgen machtiging om bij het beroepen van een Frans predikant op basis van het volle en vanouds bestaande traktement voort te gaan. De stadsrentmeester krijgt opdracht uit de stadsmiddelen aan de te beroepen predikant te voldoen £ 33.6.8.

Echter, vóór zijn bevestiging te Goes overlijdt de beroepen predikant ds. Pieter Bernard in oktober 1724. In januari 1725 probeert de Waalse kerkenraad opnieuw een Franse leraar te beroepen. Ze stuit echter op de moeilijkheid 'van het tweemaal des zondags moeten preken'. Het stadsbestuur machtigt het Collegium Qualificatum 'om een leraar te beroepen op eens of tweemaal des zondags te moeten prediken of anders zoals ze het beste zullen oordelen ende bekwamelijkst kunnen'. In januari 1725 wordt tot Waals predikant beroepen ds. Jean Claude de Marisy, Frans predikant te Gorcum, 'op het moeten prediken van tweemaal des zondags in de zomer en eenmaal in de winter'. En mocht dit voor hem te zwaar vallen somtijds, dan zal daarop 'favorabel regard' worden genomen. Het stadsbestuur verklaart de beroeping voor aangenaam.

Ouderling Boudewijn Verselewel van de Waalse gemeente legt in maart 1725 een specificatie van de onkosten over, 'gevallen ter oorzaak van het houden van een Classis der Zeeuwse Waalse kerken binnen deze stad, ter inbrenging en approbatie van het beroep op de heer Johannis de Maresy tot predikant in de vacante plaats van de overleden heer Bernard, bedragende een som van £ 33.1.8'. Het stadsbestuur besluit dit bedrag te vergoeden, evenals een bedrag van £ 8.6.8 aan ds. De Maresy voor het transport van zijn meubelen van Gorcum naar Goes.

In september 1724 vergadert de Waalse Synode in Goes. De predikanten van de Waalse gemeenten van Vlissingen en Veere, Fauchereau en Sprenger, geassisteerd door twee ouderlingen, vragen namens de Synode audiëntie bij het stadsbestuur. Het notulenboek vermeldt: 'Na verzochte audiëntie worden ze door de secretaris Adriaan van Oostee aan de deur of trappen van de kamer, daar de Vierschaar wordt gehouden, ontvangen en, in haar agtbaren vergadering op de vertrekkamer verschenen zijnde en aldaar op stoelen geplaatst, hebben ze, na alvorens haar agtbaren in naam van de Synode te hebben toegewenst den Zegen van God Almachtig over dezelve personen en loffelijke regering, haar agtbaren in respectueuze termen bedankt voor hun gunstige protectie die de Synode gedurende de bereids gehouden sessiën had genoten en verzocht dat haar agtbaren deselve op de verder te houden sessiën mede geliefden te verlenen en vervolgens in die goede sentimenten volgens haar gewone ijver altijd te continueren'. De voorzittende burgemeester bedankt daarop de Synode 'voor de zegenwens en eerbewijzing, haar agtbaren in deze toegebracht en verklaart dat het haar altijd seer aangenaam was hare stad op de gewone toerbeurte door de Synode te zien vereerd en haar deliberatie, tot welstand van de Franse kerken, met vrede geëindigd en deselve voorts toegewenst de rijken Zegen van de Almachtigen. Sijnde de genoemde heren gedeputeerden daerop weder gedemitteerd en door de secretaris tot beneden aan de puije van het Stadhuis geconduiseerd'.