Aanvulling? Meld het hier.
<<

Onderwijs (1721 - 1726)

Stadsscholen en particuliere schooltjes

Naast de officiële stadsschool ontstaan her en der schooltjes in de stad. In 1721 krijgt Geertruid, de weduwe van Jan Pijke, toestemming om school te houden. In februari 1722 schrijft Nicolaas Loonis, de stadsdrukker, dat 'zijn drukpers door de toestand van de tijden gelijk als stilstaande, hij daardoor is ontbloot van levensmiddelen en derhalve genoodzaakt is om op middelen, kunnende dienen tot onderhoud van hem en zijn familie, te denken'. Hij kan daarvoor geen geschikter middel uitvinden als het Nederduits schoolhouden om de jeugd in de grond van spel-, lees-, schrijf- en cijferkunst te oefenen. Het stadsbestuur geeft hem vergunning 'om alhier nederduitse school te houden'. Ook in 1722 krijgt Johanna de Jonge toestemming tot onderhoud van haar en haar kind school te houden binnen de stad en jurisdictie. In 1724 schrijft Maria Meijers weduwe van Cornelis Verijser 'hoe dat zij aller wegen occasie zoekt om met eeren haren kost te winnen, waartoe zij geern haar zoude generen met schoolhouden van Breijden en Leerkinderen te onderwijsen'. Ze krijgt toestemming om spel-, lees- en breischool voor jonge kinderen te houden. Ook Maria Versole weduwe van Josias Vermaire ontvangt dit jaar vergunning voor het houden van school om de kinderen te onderwijzen, te leren spellen en lezen. Susanna Versole krijgt in 1725 toestemming voor het houden van school om de kinderen te leren breien, spellen en lezen en Barbel de Swaef in 1726 voor het houden van school om de kinderen te leren spellen en lezen en wat daartoe verder behoort.

Toch hoort het stadsbestuur in 1726 verscheidene klachten 'over en ter oorzaak dat sommige schoolhouders en schoolhoudsters weigeren wekelijks op woensdagen of donderdagen hun leerkinderen in de kerke in de catechisatie te brengen, gedurende deselve daar te verblijven en, gedaan zijnde, de kinderen daar uit te brengen'. Tot voorkoming van onordentelijkheden in die catechisaties besluit het stadsbestuur 'dat alle schoolhouders en schoolhoudsters, uitgezonderd de Franse, gehouden en verplicht sijn en zullen blijven verpligt om hare leerkinderen wekelijks des woensdags of donderdags in de kerke te geleijden ende brengen, op pene dat de nalatende van nu af aan werden gehouden voor ontset ende verboden van school te houden en vervolgens de aan hen daartoe gedane concessie ingetrokken'.

Latijnse school

Burgemeester Westerwijk geeft het stadsbestuur in augustus 1721 'in bedenking of het niet van dienst was, tot luister van de stad en dienst van de jongelingen, het rectoraatschap, door de dood van de predikant mr. Adolf Keetlaar vacant geworden, wederom op nieuws te remplaceren'. Het stadsbestuur besluit deze plaats 'weer met een ander bekwaam persoon te vervullen en naar een zodanig een te vernemen en om te zien'. Een commissie, bestaande uit oud-burgemeester Johan Westerwijk, doctor Cornelis van Zunder, secretaris Christoffel Annaart en de predikant ds. Johannes Andriessen, curator van de Latijnse school, gaat aan de slag. Na het horen van enkele bekwame personen valt de keuze op Johan de La Motthe, wonende te 's-Gravenhage, op een zodanig traktement en emolumenten als de rectoren Thomas Hoog en Zacharias Boddingius, zijn voorgangers, genoten. Na onderhandeling komen ze met Lamotthe overeen dat hem in de plaats van het jaarlijkse vrij licht en brand zal worden betaald een som van £ 14 Vlaams jaarlijks met ingang van de dag van zijn overkomst en inwoning te Goes. In 1726 krijgen de curatoren van de Latijnse school, burgemeester Christoffel Annaart en de predikant ds. Johannes Andriessen, op hun verzoek toestemming om 'voor de progressen ende den voortgang van de discipelen in deselve scholen tot het laten maken en doen uitdelen van zodanige prijzen voor en aan hun discipelen als zij zullen conveniënt ende passende oordelen'.