Aanvulling? Meld het hier.
<<

Openbare voorzieningen (1721 - 1726)

Stadsvesten

De stadsdirecteuren rapporteren in 1726 hoe ze diverse malen geprobeerd hebben aan te besteden 'het greuijen en schoonhouden van de Soete Veste rondom de stad alsmede het bevissen daarvan'. Ze komen tot een akkoord met Maerten Franse, Quirijn Leendertse Musch en Maerten Darez, die dit in compagnie gaan doen op de zoete veste rondom de stad, 'van de dos d' asne ofte het sogenaamde muertje bewesten de 's Heer Henrixkinderenpoorte af tot voor bij de Oostpoorte tussen de windolymolen van Johan Oostdijk ende het noordelijk scheid van de boomgaard van de heer Francois de Keijser, gedurende zeven achtereenvolgende jaren'. Ze zijn verplicht 'de soete veste schoon te houden van alle greuij ende vuiligheid, alsmede de vangputten in de veste uit te halen en alzo te onderhouden'. Alle reparaties van hout en dergelijke zullen ten laste blijven van de stad. Wel zijn ze gehouden de drie vaeten of stadsputten schoon te maken, namelijk de Bijstermanput, de Schotteput en de Kaernemelkput. Ze zullen voor hun bevissing jaarlijks ontvangen £ 16 voor z'n drieën.

Wegen en straten

Het octrooi van de Staten van Zeeland om vier grooten per gemet voor het onderhoud van de straten en wegen binnen het eiland te mogen heffen loopt binnenkort af. In de schutterszaal van de schutterij van de Handboog vergaderen op 9 september 1721 alle ambachtsheren om gezamenlijk met de gedeputeerden van het stadsbestuur te overleggen en te besluiten wat tot het onderhoud van de straten en wegen het beste kan worden gedaan. Namens het stadsbestuur bezoeken de regenten Pieter Hobius en Mattheus Eversdijk Adriaanzn deze vergadering. In 1723 ontstaat er een vacature van een van de directeuren van de straten en wegen binnen het eiland door het overlijden van burgemeester Johan Westerwijk. Het stadsbestuur voorziet in deze vacature door benoeming van burgemeester Adolf Westerwijk.

Plantsoenen

De directeuren van de stad krijgen in december 1722 machtiging om alle olmenbomen en essenbomen, staande aan en omtrent het pesthuis, te verkopen, 'mitsgaders om de olmenbomen, staende aen de Lijndraijersdijk ende klaweije, te verdinnen'. In 1726 protesteert Cornelis Gort tegen de aanzegging van de stadschatter Pieter Tromp 'dat hij zijn lindeboom, staande achter zijn schuur buiten de Ganzepoort op of aan het stadsplein, zoude moeten uitslaan'. Vanwege de schade aan zijn huis en schuur verzoekt hij toestemming om de boom te laten staan. Het stadsbestuur besluit hem te gelasten 'de boom er sonder tijd versuim te doen uitslaan'.

.