Aanvulling? Meld het hier.
<<

Orde en veiligheid (1721 - 1726)

Justitie

De baljuw Willem Vogel, heer van Steenvliet, treedt in juli 1722 op tegen Dirk Maten. Deze heeft het bestaan Arij Kooijman, gewezen hospes in de herberg ‘de Westschans’, zonder enig geschil met een mes onder zijn linkerborst verraderlijk en moorddadig zodanig te grieven en verwond dat hij daaraan de volgende dag is overleden. Hij had van Kooijman een stuk gebraden worst geëist. Maar deze weigerde het, waarop hij gezegd heeft: ‘jou gierigen donder of duyvel’. Waarop Kooijman alleen antwoordde: ‘Wel Dirk, hoe stel je je selven soo aan’. Hij heeft daarop in woestheid zijn mes getrokken, waarna hij Kooijman daarmee op een verraderlijke en moorddadige wijze een dodelijke wonde toebracht. Burgemeesters en schepenen leveren hem de scherprechter over om met den zwaarde te worden onthoofd. Daarna zal het dode lichaam worden begraven onder de galg en het hoofd gezet op een pin.

In december 1723 doet zich een zaak voor waarbij de baljuw optreedt tegen het dode lichaam van Huibregt van den Vlasse, inwoner van de stad. Hij heeft op 29 november 1723 ’s lands biljetten van de impost gefalsificeerd en getracht hierover met de pachters te accorderen. Toen dit niet lukte, heeft hij op 1 december van de drogist Mattheus Hoogenhoed gekocht een schrepel opium en twee drachmen regaal. Niettegenstaande de waarschuwing van de drogist heeft hij dit vergif ingenomen waardoor hij op 4 december gestorven is. Zijn dode lichaam wordt op een horde (een vlechtwerk van wilgentenen) naar het galgenveld gesleept en daar in een mik gehangen. 

In augustus 1724 wordt een zekere Philip Levijn, afkomstig van Rijssel en thans gevangen zittend in de stadhuistoren, berecht. Hij heeft op verscheidene plaatsen ingebroken en gestolen. De baljuw eist ophanging aan de galg, maar de vierschaar (burgemeesters en schepenen) veroordelen hem tot geseling, brandmerking met het gewone stadsteken en verbanning uit Holland, Zeeland en Westfriesland.

Baljuw Van Steenvliet treedt in december 1724 op tegen Cornelia Tavenier, die volgens haar zeggen getrouwd is met Cornelis Sprenkel, uitgevaren naar Oostindië. Op de 24e december heeft ze zich niet ontzien omtrent een uur bij de Kleine kerk zeker meisje, genaamd Pieternella Crabbe van omtrent tien jaar oud, gereed staande om naar school te gaan, aan te spreken en te zeggen dat zij van Zierikzee kwam, hier vreemd was en naar haar meutje in de Groe moest. Ze heeft het meisje gevraagd om tegen een beloning van drie stuivers haar aan de Ganzepoort te willen brengen. Bij de Ganzepoort heeft ze het meisje bepraat om met haar mee te gaan naar de Vogelzang bij Cloetinge. Ze heeft daar een gouden belle van het hoofd van het meisje afgerukt. Daarop is ze gevlucht naar de stad en heeft bij een goudsmid daarvoor 27 stuivers ontvangen. Ze wordt veroordeeld om driemaal rondom de Grote Markt te worden geleid, behangen met zes roeden, om daarna een half uur voor het stadhuis te pronk te staan, voor een jaar in het spinhuis gezet te worden en gebannen uit de provincie Zeeland voor vier jaar.

In april 1725 treedt de baljuw Van Steenvliet op tegen Dirk Aarnoutse van den Berge, die gevangen gezet is in de stadhuistoren. Hij heeft bij de hand gehad de stijl van lootgieter, schaliedekker en kaarsenmaker, waarmee hij op een burgerlijke wijze de kost heeft kunnen verdienen. Nadat zijn vrouw Catharina Schalck op in januari 1723 is overleden, heeft hij kunnen goedvinden in februari uit de stad te vertrekken en zijn twee kinderen, van 5 en 8 jaar, zonder hen enige alimentatie te verzorgen, boosaardig te verlaten. Hij heeft zijn zuster geschreven dat zij maar naar de kinderen moest omzien omdat hij naar Holland en daarna naar Oostindië ging. Hoewel hij voor het gerecht betoogt er alles aan gedaan te hebben zijn kinderen goed verzorgd achter te laten, veroordelen burgemeesters en schepenen hem niet lijfelijk te straffen maar voor zeven jaar te verbannen uit de stad en het eiland.

Er doet zich in mei 1725 ook nog een gerechtszaak voor tegen de 25-jarige inwoneres Jacoba Barbier. Ze is buiten de band van het huwelijk verlost van een kind dat na zeven weken is overleden. Op 27 maart is in de stadsvest omtrent het paalwerk van de brug aan de Oostpoort een dood kind gevonden, waaraan de nageboorte nog vast was. Na visitatie zijn doctoren en chirurgijns van oordeel dat ze kort te voren van een vrucht was verlost. Ook zijn er verdenkingen dat ze al eens meer van een onecht kind is verlost dat met de nageboorte in een privaat dreef. De eis van de baljuw is ‘dat ze de scherprechter zal worden overgeleverd en met de koorde aan een paal zal worden geworgd, sulcks dat de dood er na volgt en wijders haar lichaam op het galgenveld wordt begraven’. Het college van burgemeesters en schepenen veroordeelt haar dat zij op het schavot voor het stadhuis aan de scherprechter wordt overgeleverd, aan een opgerichte paal gebonden, strengelijk en ten bloede met roeden gegeseld, daarna met het gewone stadsteken gebrandmerkt en daarna uit Holland, Zeeland en Westfriesland gebannen gedurende haar leven lang.

In juli 1725 treedt de baljuw Van Steenvliet op tegen Jan Verkam uit Antwerpen. Op de weg heeft hij de 12-jarige zoon van Pieter van Houte ontmoet en hem met geweld zijn gouden knopen ontroofd en die in de stad verkocht. Hij wordt veroordeeld om strengelijk te worden gegeseld en met het stadsteijken gebrandmerkt en gedurende zijn leven lang verbannen uit Holland, Zeeland en Westfriesland. Het blijkt bovendien dat Verkam zich afgelopen vrijdag te buiten is gegaan door ’s de dienaar van de baljuw Lieven Maartense op het gevangenhuis verraderlijk aan te vallen, zijn degen te ontweldigen en te trachten de sleutels van de gevangenis meester te worden. Burgemeesters en schepenen oordelen dat hij heden de geseling en brandmerking zal ondergaan en daarna opnieuw in de gevangenis zal worden gezet. Daarna zal over het nieuwe feit geoordeeld worden. In tweede instantie wordt hij veroordeeld tot veertig jaar tuchthuis. Als hij zich goed gedraagt zal vermindering van deze termijn plaatsvinden. 

Op 20 juli 1726 ontbiedt het stadsbestuur ‘de meester van den Scherpen Swaerde uit Bergen op den Zoom’ (ofwel de scherprechter). Hij is ontboden en aangekomen ‘om sekere sententie, door de edelachtbare Wet alhier geslagen, aan een gevangene ter executie te stellen’. De beide burgemeesters en de secretaris krijgen opdracht om met hem over zijn loon voor de executie te onderhandelen.

Ook in december 1726 speelt er een rechtszaak tegen Gerrit Groenewouw, een jongeman van Zierikzee. Hij heeft uit een toegenaaid pak van een inwoner van Bergen op Zoom in het beurtschip van Bergen op Zoom twee gouden ringen gestolen. Hij wordt veroordeeld tot geseling en voor altijd verbannen uit de stad en het eiland.

Baljuw en 's Heeren dienaars

De baljuw heeft twee assistenten of gerechtsdienaars, 's Heeren dienaars geheten. In 1725 ontzet het stadsbestuur één van beide 's Heeren dienaars, Pieter Moncy, uit zijn ambt om reden van zijn verfoeilijk gedrag. Hij wordt 'de stad en jurisdictie ontzegd met order om de stad binnen 24 uur te ontruimen zonder er weer in te mogen komen'. De nieuwe 's Heeren dienaar is Lieven Tempelman, tot nu toe één van de stadhoudersdienaars in Sint Joosland. Van deze gelegenheid maakt het stadsbestuur gebruik om te besluiten 'dat 's Heeren dienaars voortaan zullen moeten laten maken en dragen vaste en kenbare klederen en dat wel grauwe met roode opslagen, zonder daarvan op enigerlei wijse in gebreke te mogen blijven'.

Brandweer

In december 1721 blijkt dat vele assistenten van de generale brandmeesters, als ze gewaarschuwd worden om de andere dag hun functie uit te oefenen in het proberen van de brandspuiten, ter bestemde plaats niet verschijnen en de waarschuwing in de wind slaan. Het testen van de brandspuiten gebeurt daardoor niet naar behoren. Maar ook de gewilligen dreigen voortaan niet meer te komen als de onwilligen niet worden aangepakt. Het stadsbestuur besluit dat 'alle en een ieder van de assistenten der generale brandmeesters zullen worden gewaarschuwd om des anderen daags op zekere plaats en uur te verschijnen, om hun functies in het proberen van de brandspuiten te oefenen. Als ze niet zullen verschijnen zullen ze verbeuren voor iedere reis vijf schellingen'.

Begravingen

Er doen zich in 1722 dagelijks hooggaande meningsverschillen voor tussen de stadslijkbidders en de aangestelde verhuurders van rouwmantels 'ter oorzaak van het afhalen van de rouwmantels om te gebruiken op de begravenisse van afgestorven mensen'. Na uitvoerige deliberatie besluit het stadsbestuur dat de beëdigde lijkbidders gehouden zullen zijn nu en voortaan de rouwmantels, zowel voor begrafenissen als anders gebruikt wordende, ordentelijk van de verhuurders daarvan af te halen. Nadat deze gebruikt zijn moeten ze 'deze weer ordentelijk bij hen tehuis brengen zonder enig het minste tegenzeggen en dat zij zowel van deze als volgende verhuurders van de mantels daarvoor alleen zullen mogen genieten ieder een pond Vlaams jaarlijks'.

De vier toegelaten verhuurders van rouwmantels beklagen zich in 1723 dat bij ieder van hen geen gelijk getal van rouwmantels is, maar dat bij de een meerder en bij de ander minder worden aangehouden. Hierdoor vallen bij het voorkomen van grote begrafenissen niet alleen de voordelen onder hen ongelijk, maar ook aan de intentie van de ingezetenen kan zelfs niet worden voldaan. Ze verzoeken de rouwmantels voor ieder van hen op een vast getal te bepalen. Het stadsbestuur besluit dat van nu af aan ieder van de vier verhuurders van rouwmantels zich zal moeten voorzien van dertig grote en vier kleine rouwmantels. Ze moeten deze altijd compleet en in goede staat ten dienste en genoegen van diegenen die ze nodig hebben onder hen houden.

In december 1723 overlijdt Huibrecht van der Vlasse. Hij wordt 'op het allersterkste verdacht gehouden dat hij zich had vergeven'. Zijn weduwe Maria Verschuer verzoekt of hij op een burgerlijke wijze begraven mag worden. Het stadsbestuur besluit 'dat het doode lighaem aenstaende nagt ten twaelf ueren in groote stilheijd ende bedektheid sal werden begraven ofte gelegd op het soo genaemde Briksjes kerkhof, gelegen oostelijk van de Grote kerk.

Mattheus Baars deelt in april 1726 mee dat zijn vrouws moeder Neeltje Cornelisse, weduwe van Janus Mispelblomme, voor wie hij ettelijke jaren het roeper- en crieerderschap heeft waargenomen, enige dagen geleden is overleden. Daardoor vaceert deze functie. Hij verzoekt daarmee te worden begunstigd. Het stadsbestuur besluit hem aan te stellen 'onder verbintenis van de markten te moeten wekelijks opvegen'.

Huizen

Christiaan van der Stelle en Pieter Hallewaard, voogden van de nagelaten kinderen van Marinus Ooms en Machalijntje Hallewaard, krijgen in 1723 machtiging aan de meestbiedende te verkopen het woonhuis en de bakkerij van Marinus Ooms in de Ganzepoortstraat. Dit is het pand 'het Moriaensche Hoofd', of later genoemd 'de Verloren Arbeid', Ganzepoortstraat nummer 7.

In november 1724 deelt de graanhandelaar Jakobus Ruigh het stadsbestuur mee 'dat hij zeer genegen zou wezen om een fraai zomer- of speelhuis te timmeren op de grond en binnen of bij de heining van zijn boomgaard, gelegen buiten de oostpoort aan de stadssingel'. Hij verzoekt toestemming enkele bomen op stadsgrond die het uitzicht aan het speelhuis ontnemen, te laten uitslaan. Het stadsbestuur overweegt 'dat zulke somerhuizen strekken tot groot ornament ende vercieringe van stadscijngels' en besluit de directeuren te machtigen om met Ruigh over het uitslaan en betalen van de waardij van de bomen te overleggen. Met Ruigh wordt overeenstemming bereikt over het bouwen van zijn zomer- of speelhuis. Voor het rooien van 17 bomen op stadsgrond moet hij £ 8.10 betalen.

In 1725 krijgt Francois Breekpot toestemming 'om voor het vernieuwen en optimmeren van zijn zomerhuisje, van achteren geannexeerd aan zijn woonhuis en uitkomende aan de oostzijde van 't Ossenhoofdstraatje, balconsgewijze uit te springen'. Breekpot woont in 'het Gothische Huys', Turfkade nummer 11.