Aanvulling? Meld het hier.
<<

Stadsbestuur (1721 - 1726)

Stadsbestuur

In 1721 verzoekt mr. Mattheus Eversdijk ontslag als schepen. In zijn plaats komt mr. Pieter Lammens, raad van de stad. Mr. Adriaan Eversdijk volgt in 1721 de aftredende burgemeester mr. Johan Westerwijk op. De afgaande schepenen mr. Adriaan Ysebree, Nicolaas Sommerzee, Boudewijn Verselewel, mr. Gillis Cornelis van der Nisse en mr. Francois Louis van Wefort van Ossenberg worden opgevolgd door mr. Johan van der Hille, mr. Johan Leydekker, Johan Rontvis, ambachtsheer van Wemeldinge, Gerard Ysebree en Marynus Drywegen.

Eind 1721 doet zich een affaire voor tussen de ambachtsheren van Wolphaartsdijk en Nisse. Cornelis de Perponcher Sedlnitzky, heer van Wolphaartsdijk, betoogt 'dat de armmeesters ter oorzaak dat de heer Gillis Cornelis van der Nisse daarop pretensie komt te maken, aan hem difficulterende te laten volgen het effect van twee proeven of soogenaamde lootjes, op hem wettig verstorven uit hoofde van zijn overgrootvader, de heer Gillis Cornelis van Watervliet, fundatuur en koper van deselve'. Hij verzoekt 'de heren armmeesters van sonder verder difficulteren aan hem de collatie van deze twee lootjes in zijn levenstijd te laten volgen'. Het stadsbestuur besluit wijselijk hem te berichten 'dienaangaande te renvooieren aan de justitie om aldaar deselve actie te institueren'.

In 1722 volgt mr. Johan Westerwijk zijn broer, de afgaande mr. Adolf Westerwijk, op als burgemeester. In de plaats van de afgaande schepenen doctor Cornelis van Zunder, Pieter Hobius, Mattheus van Oostee en mr. Pieter Lammens treden in functie mr. Nicolaas Sommerzee, Boudewijn Verselewel, mr. Gillis Cornelis van der Nisse en Francois Louis van Wefort van Ossenberg.

Door de benoeming van Gerard Ysebree tot secretaris van de Rekenkamer van Zeeland komt een functie van schepen vacant. Deze plaats wordt ingenomen door de secretaris van de stad, doctor Christoffel Annaart.

In 1723 volgt mr. Adolf Westerwijk de afgaande burgemeester mr. Adriaan Eversdijk op. Daardoor zijn de beide broers Westerwijk tegelijk burgemeester. In de plaats van de afgaande schepenen mr. Johan van der Hille, mr. Johan Leijdekker, doctor Christoffel Annaart, Johan Rontvis, heer van Wemeldinge, en Marinus Drywegen komen doctor Cornelis van Zunder, mr. Adriaan Ysebree, Pieter Hobius, mr. Mattheus Eversdijk Adriaanzn en mr. Pieter Lammens.

Er doet zich in 1723 iets merkwaardigs voor met het notulenboek. In het notulenboek zijn hele en halve pagina's wit gelaten. Ook zijn er in de periode april tot en met juli slechts vier vergaderingen en niet, zoals gebruikelijk, vrijwel wekelijks. Ook met de notulen van Gecommitteerde Raden zit het in 1723 niet goed. Verscheidene malen constateert het stadsbestuur dat door de stuksgewijze overzending van de gedrukte notulen van haar hoogmogenden aan deze stad, niet alleen enige bladen, maar gehele katernen daarvan zijn vermist en zoek geraakt. De drukker te 's Gravenhage krijgt opdracht voortaan de notulen per half of geheel jaar in ingebonden vorm toe te zenden.

In juli 1723 overlijdt burgemeester mr. Johan Westerwijk. Met eenparige stemmen kiest het stadsbestuur de secretaris, doctor Christoffel Annaart, tot burgemeester. In 1723 overlijdt ook de rekenmeester van Zeeland mr. Jacob Leydekker, tevens raad van de stad. Zywert van der Bilt volgt hem op als raad. De schepen Francois Louis van Wefort van Ossenberg promoveert tot rekenmeester van Zeeland. Zijn plaats als schepen wordt ingenomen door Petrus de Meyer, in 1708 gekomen van Aardenburg en thans weesheer van de stad.

In juni 1724 verzoekt de schepen mr. Mattheus Eversdijk om redenen hem daartoe moverende ontslag uit zijn functie. Met eenparigheid van 'alle de presente en de absente leden, welke laatste hare stemmen bij billiet daartoe hebben gegeven' verkiest het stadsbestuur tot schepen mr. Cornelis Eversdijk, raad van de stad.

Een jaar na zijn broer, burgemeester Johan Westerwijk, overlijdt begin juni 1724 Adolf Westerwijk, regerend burgemeester en raad van de stad. Het stadsbestuur vaardigt af 'tot het afleggen van het compliment van condoleantie aen Vrouwe Digna van Angeren, weduwe van de heer burgemeester Adolf Westerwijk, over het smertelijk afsterven van haar voornoemde heer gemael, de heren Marynus Drywegen, regerend burgemeester en raad, en Adriaan van Oostee, raad en secretaris van de stad'. Terwijl de doodsklok anderhalf uur luidt, wordt de overleden burgemeester in het koor van de Grote kerk begraven. Met eenparige stemmen verkiest het stadsbestuur in de vacante burgemeestersplaats Marynus Drywegen, tot nu toe raad en oud schepen van de stad. In de vacature van raad verkiest het Pieter de Vroe, tot nu toe weesheer van de stad.

De overleden burgemeester Adolf Westerwijk had nog andere zwaarwichtige ambten, namelijk dijkgraaf van de brede watering bewesten Yerseke, rentmeester van de zogenaamde geestelijke goederen binnen het eiland, directeur van de straten en wegen binnen het eiland en ontvanger van de 'secrete kasse'. In de opengevallen plaatsen worden voor benoeming voorgedragen respectievelijk mr. Nicolaas Sommersee, Johan Rontvis, ambachtsheer van Wemeldinge, Christoffel Annaart, alle raden en (oud) schepenen, en Jacobus de Brawanter, oppergriffier ter griffie van de stad. Door de promotie van Johan Rontvis, ambachtsheer van Wemeldinge, vaceert het tot dan door hem beklede rentambt van de ordinaire en extra-ordinaire statenpenningenen (twee schellingen per gemet) over een gedeelte van het westkwartier van het eiland. In deze vacature wordt verkoren Boudewijn Verselewel, eveneens stadsbestuurder.

Door de promotie van Verselewel vaceert de ontvang van den dobbelen 100e penning op de huizen, molens, tienden en gorsingen over het westkwartier van het eiland. Deze vacature wordt vervuld door mr. Gillis Cornelis van der Nisse, ambachtsheer van Nisse, Waarde, etc., raad en oud-schepen van de stad. Overigens beraadslaagt het stadsbestuur in augustus 1724 uitvoerig 'over het wel of niet geoorloofd zijn van combinaties van functies, zoals een rentambt en het dijkgraafschap, waardoor men inkomsten geniet van de meestbiedende functies binnen de stad'.

In 1724 volgt mr. Mattheus Eversdijk de afgaande burgemeester Annaart op. In de plaatsen van de afgaande schepenen mr. Nicolaas Sommerzee, Boudewijn Verselewel, mr. Gillis Cornelis van der Nisse en Petrus de Meijer treden aan mr. Johan van der Hille, mr. Johan Leijdekker, Johan Rontvis, heer van Wemeldinge, en de secretaris Adriaan van Oostee. In 1725 volgt Christoffel Annaart de afgaande burgemeester Marynis Drywegen op. In de plaats van de afgaande schepenen mr. Adriaan Ysebree, Pieter Hobius, mr. Pieter Lammens, mr. Cornelis Eversdijk en Zywert van der Bilt komen Boudewijn Verselewel, mr. Gillis Cornelis van der Nisse, Petrus de Meijer, doctor Andreas Sommerzee en Francois de Keijser. In 1726 volgt Marynis Drywegen de afgaande burgemeester mr. Mattheus Eversdijk op. In de plaats van de afgaande schepenen mr. Johan van der Hille, mr. Johan Leydekker, Johannes Rontvis, ambachtsheer van Wemeldinge, en Adriaan van Oostee komen mr. Adriaan Ysebree, Pieter Hobius, mr. Pieter Lammens en Zywert van der Bilt.

Door het overlijden van Johannes Landschot, in leven dijkgraaf van de Goese Polder met de Jan Piers- en Pinkspolder, komt in 1726 een raadsplaats vacant. In zijn plaats als raad van de stad komt mr. Pieter Parker, tot nu toe commissaris van het landrecht. De nieuwe dijkgraaf is Jakobus Keetlaar Dominicus zoon.

In januari 1726 besluit het stadsbestuur 'vermits de aanhoudende vorst, de vacantie van de magistraat te prolongeren tot dat de schepen van hier naar Holland zullen kunnen vertrekken'. Op 9 juni 1726 overlijdt mr. Cornelis Eversdijk, één van de raden van de stad. In zijn plaats verkiest het stadsbestuur met eenparige stemmen de weesheer Johan Versteeg. De stadsdoctor Andreas Sommerzee verzoekt in 1726 van zijn eed als schepen te worden ontslagen. In zijn plaats komt de dijkgraaf mr. Nicolaas Sommerzee, raad van de stad. Maar Sommerzee overlijdt al op de 20e september 1726.

Hogere overheden

In 1723 overlijdt de rekenmeester van Zeeland, de namens Goes gecommitteerde mr. Jacob Leydekker. Voor deze vacature draagt het stadsbestuur voor de schepen mr. Francois Louis van Wefort van Ossenburg. Hij betaalt de stad hiervoor een recognitie van £ 500. De Staten van Zeeland stellen hem aan tot Rekenmeester in de provinciale rekenkamer.

In december 1723 overlijdt oud-burgemeester Adriaan Eversdijk. Daardoor komt het rentambt van de 200e penning op de gemeten over een kwartier van het eiland en ook een raadsplaats vacant. Voor vervulling van het rentambt stelt het stadsbestuur doctor Christoffel Annaart, regerend burgemeester en raad van de stad, voor. En wat betreft het vacerende ambt van raad van de stad wordt met eenparige stemmen verkoren Fancois de Keijser, tot nu toe weesheer van de stad.

Op 17 juni 1724 worden de heren mr. Pieter Bout, gecommitteerde van Goes en rekenmeester ter Generaliteits Rekenkamer in den Haag, en Francois Louis van Wefort van Ossenberg, gecommitteerde ter Rekenkamer van Zeeland, 'verzocht en genodigd om de aenstaende blijde maeltijd van Sint Jan, ter occasie van de Wetvermaking alhier te houden, met hare personele presentie te willen honoreren ende veraengenamen'. Ter gelegenheid van het nieuwe jaar komen elk jaar gelukwensen binnen van Antony Nollens, heer van Bruinisse, namens Goes lid van Gecommitteerde Raden van Zeeland, en van Francois Louis van Wefort, heer van Ossenberg, namens Goes gecommitteerde ter Rekenkamer van Zeeland.

Functies en bedieningen

Uit de mutaties in deze periode blijkt dat de functies en bedieningen aan een select gezelschap notabelen in de stad worden toebedeeld.

In de eerste vergadering van het stadsbestuur van elk nieuw jaar 'wordt als vanouds geprocedeerd tot het vermaken van de officieren van de gilden'. Ook beslist het stadsbestuur dan op de rekesten van de schoolhouders, herbergiers en tappers, de twee koffyschenkers, de broodbakker in de Voorstad, de zoutverkopers bij de kleine maat, de kleine brandewijnverkopers, de lijkbidders en crieerders. Verder beslist het stadsbestuur over het wel of niet verlengen van het dienstverband van de drie stadsboden, de deurwaarders van het landrecht en de kapitein en bedienden van de extra-ordinaire compagnie ten platten lande.

In 1721 krijgt de stad er twee notarissen bij, namelijk Cornelis Oyee en Marcus Bregt. Oyee wordt tevens procureur voor de vierschaar en het landrecht. Bregt wordt procureur voor de vierschaar en het landrecht in 1722 na het overlijden van de procureur Antoni Ossewaarde. In 1723 vertrekt Cornelis Oyee naar Amsterdam. Zijn opvolger is Samuel Aarnouts als notaris en vijfde procureur voor de vierschaar en het landrecht. In augustus 1726 verzoekt Michael Constantijn van Dorth, de zoon van de vroegere burgemeester Johan van Dorth, om toegelaten te worden als advocaat. Op 26 juli is hij door Professor Cornelis van Eck tot doctor in beide rechten gepromoveerd. Hij wil graag in Goes de praktijk uitoefenen. Het stadsbestuur besluit hem toe te laten als advocaat voor de vierschaar en van het landrecht. In 1722 krijgt Jacobus Keetlaar brieven van voorschrijving aan Gecommitteerde Raden van Zeeland om in de plaats van de overleden Antony Ossewaarde, eertijds wonende te Goes, tot deurwaarder van de Hoge Raad en het Hof te worden aangesteld.

In oktober 1722 komt het ambt van secretaris van de Rekenkamer van Zeeland vacant door het overlijden van Hendrik de Keijser. De vergeving van dit ambt valt te beurt aan de stad Goes. Met eenparigheid van stemmen draagt het stadsbestuur voor de regerend schepen Gerard Ysebree. Ysebree wordt op 24 oktober 1722 tot dit hoge ambt verkoren. Hij doet afstand van zijn functie als regerend schepen.

Het vergeven van baantjes en het aan elkaar toespelen van functies komt wel schrijnend voor het daglicht eind 1724. Dan overlijdt doctor Cornelis van Zunder, lange jaren stadsbestuurder maar ook rentmeester van de ordinaire en extra-ordinaire statenpenningen en de twee schellingen per gemet over het oostkwartier van het eiland. Met dit laatste ambt wordt begunstigd mr. Adriaan Ysebree, schepen en raad van de stad. Ysebree op zijn beurt doet daarmee afstand van zijn rentambt van de 200e penning over een gedeelte van het westkwartier van het eiland. Hiermee wordt begunstigd Johan Rontvis, schepen en raad van de stad. Rontvis doet daarop afstand van het rentambt van de zogenaamde geestelijke goederen over het eiland. Daarmee wordt vereerd mr. Gillis Cornelis van der Nisse, raad en oud-schepen van de stad. De ambachtsheer van Nisse, Waarde, etc. doet vervolgens afstand van het rentambt van de dubbele 100e penning op de huizen, tienden, molens etc. over het westkwartier van het eiland. Dit ambt krijgt dan weer doctor Andreas Sommerzee, raad van de stad.

Op de 20e september 1725 overlijdt de dijkgraaf (en tevens schepen van de stad) mr. Nicolaas Sommerzee. Daardoor vaceert ook het rentambt van de ordinaire en extra-ordinaire statenpenningen en de twee schellingen op de gemeten over een gedeelte van het zuidkwartier en andere kwartieren van het eiland. Met de stadsstem wordt begunstigd Johan Rontvis, ambachtsheer van Wemeldinge. Maar ook de functie van dijkgraaf van de brede watering moet worden vervuld. Met eenparigheid van stemmen draagt het stadsbestuur in deze vacature voor de eerste regerende burgemeester, tevens stadsdoctor, Christoffel Annaart. De gedeputeerden ter statenvergadering krijgen opdracht zijn benoeming te bepleiten.

Financien

Door de schaarsheid van de stadsfinanciën voelt het stadsbestuur zich in 1724 genoodzaakt om bij de regenten van het Oude Manhuis geld te lenen. Hetzelfde gebeurt in 1726. 'De continuele reparaties en het onderhoud van de stadswerken en andere voorkomende zaken hebben de kasse van de stad soodanig ten agteren geset, dat bereids voor deselve al enige penningen zijn verschoten ende vermits het vermaken of vernieuwen van den sluijs aen den Ouden Haven ende andere voorhanden sijnde werken moeten nog meerdere penningen worden verschoten'. Het stadsbestuur besluit van de buitenregenten van het Oude Manhuis ten laste van de stad tegen drie procent rente £ 400 te lenen.

In augustus 1726 constateert het stadsbestuur dat er al vele jaren ongenoegen bestaat over de wijze waarop de drie imposten op de wijnen (de grote statenimpost, de impost voor het middel van de rentieren over stad en eiland en de stedelijke impost) worden gepacht door drie of wel vier onderscheidene personen. De pachters moeten zich nu aan drie verscheidene comptoiren (kantoren) van de pachters of hun collecteurs aangeven en van elk een apart biljet halen. Er is ook nu alle gevaar van fraude en benadeling. Vroeger werden de vier imposten door een en dezelfde persoon gepacht. De pachters dringen er op aan om, zoals dat ook in andere steden gebruikelijk is, de vier imposten op de wijnen van nu af aan gezamenlijk voor rekening van de pachters op een zekere vaste plaats binnen de stad door twee beëdigde impostmeesters te laten ontvangen. Het stadsbestuur voelt hier wel voor en besluit de Staten van Zeeland toestemming te vragen om twee impostmeesters aan te stellen om - zoals vroeger gebruikelijk was - gezamenlijk te ontvangen de impost op de wijnen van staatswege en de rentieren zowel over de stad als het eiland.

Bloemlezing uit de stadsrekeningen van 1721 -1726

1721

Betaald is aan Elisabeth Crabbendijke voor het twee maal wieden van de stadsmarkten £ 10.13.4; Jacob Tavenier voor het leggen van 40 roeden nieuwe straat in de 's-Heer Heindrikskinderenstraat en het Vuilstraatje alsmede in de Stoofstraat, Nieuwstraat, bij de watermolen, Papegaaystraatje en de Korte Vorststraat (''t corte vostie') £ 14; Jacob Tavenier voor het repareren van de straten op de kaai, armenhoek, Koepoort, Molendijk en de Markt £ 3.8; Reyn Hoondert voor geleverde touwen aan de schalen van stadsbalance £ 1.17; Leyn Dijkwel voor de vracht van 22000 stenen van de Lek £ 6.14.3; Josias van Bommel en Johan de Waal in compagnie voor levering van 42000 moppen, grauwe en klinker stenen £ 64.6.8; Logier Gerardse voor het leggen van 107 roeden matten aan de westzijde van de haven £ 8.19; idem van het boomhooftie tot halfwegen het hooft lang 114 roeden £ 9.10; Pieter de Bruyne voor het leggen van 83 roeden matten aan de oostzijde van de haven £ 6.19 en Jan Cole van 75 roeden matwerk aan de dijk van het pesthuis tot de oostschans £ 3.2.

1722

Betaald is aan de stadsbode Jacobus Landschot wegens gedaan verschot 'aan een quispel voor de belle, het schieten van een kerkenuyl, het schoonmaken van 't clappermans huystie en een karre sant' £ 2.6.4; eveneens aan bode Landschot wegens verschot aan de schippers 'voor 't wegvoeren van arme menschen en het bestellen van twee missives' £ 1.13.8; Pieter Moncy voor het afschepen van arme menschen van 27 mei 1721 tot 2 januari 1723 £ 3.16.4; Jacobus Albertus voor leverantie van 280 olmen plantbomen £ 9.6.8; Pieter Tromp voor het kopen van 315 olmen plantbomen £ 13.2.6; Jacob van Rosendale voor 15 ellen groen saay voor gordijnen in de Kleine kerke £ 2.10; Jan Fernebuk voor het verleggen van de twee stenen in de molens, de ene om builmeel en de andere om ordinair meel te malen £ 4.3.8; Cornelis Welle voor arbeid en materialen in het leveren van stadsmol en boten £ 12.6.

1723

Betaald is aan de dienaars van de baljuw 'voor het omleiden en te pronken setten van een vrouwmens' £ 0.10.0; monseigneur Michiel Maas voor levering van 30500 Blaton steen £ 122; Aarnout de Konink voor de vracht van 29000 stenen van Tienhoven £ 9.3; Dirk Vis voor leverantie van 1000 grauwe en 2000 klinker moppen £ 5.1.8; monseigneur Francois Moreau voor het repareren van het orgel in de Grote kerk mitsgaders het maken van twee nieuwe blaasbalken £ 75; de scherprechter Janis Snijder 'voor het geselen en het zetten van een brandmerk aan een persoon' £ 17.10; Cornelis Welle voor arbeid en leverantie van hout, riet, mos en pik en tot het repareren van stadsslikboot £ 11.11; Jan Proos 'voor het schilderen van den orgel in de Franse kerke met de levering van oly en verve' £ 2.0; Johan van Bommel voor leverantie van 17000 grauwe en 12000 klinker steen £ 43.11.4.

1724

Betaald is aan ''s Heren dienaar Pieter Moncy voor hetgeen de stad schuldig is aan de regenten van het tuchthuis te Middelburg voor het in hechtenis houden van Cornelia Tavenier voor de tijd van een jaar' £ 10; 's Heeren dienaar Pieter Moncy 'voor het omleiden van een vrouwmensch, het afschepen van arme menschen en vracht' £ 1.15.5; stadsbode Jacobus Landschot voor verschot wegens 'het kuypen, het schieten van duyven, het begraven van een arm man en het dragen van 30 hoed kalk en 12 tonnen tras' £ 4.17.5; de stadsbode Jan Petitepas voor verschot 'voor een kindt uyt 't privaat te halen, ter aarde te bestellen, kisten, het wegvoeren van Dirk van den Berge aan den beurtman naar Oostindië, het bestellen van brieven naar Middelburg en het afschepen van arme menschen' £ 7.2.2; de scherprechter Janis Snijder voor 'het geesselen en een brandmerk te setten aan een persoon' £ 18; Joris Rikes van Ter Meyde voor de leverantie van 32000 stenen, genaamd klinker moppen, en 12000 rooye moppen £ 60; Willem Zaayer als stadskarreman voor levering van 387 karren zand £ 19.7; voor leverantie van 320 olmen plantbomen £ 13.5.10; monseigneur Cornelis van der Seyde voor geleverde slangen voor de brandspuiten £ 49.18.6; de smid Frederik Kats 'voor vier koperen rooses aan de wijzers van den thoorn met 30 coperen deksels met soo knoppen en lepels' £ 4.10; de wagenmaker Marinus Vertregt voor een nieuwe bakwagen met een nieuw wiel, zandschop en een lange steel £ 0.19.6; de scheepstimmerman Cornelis Welle voor arbeid aan de stadspont, de mol en boomsluitersboot £ 22.11; voor levering van 400 olmen plantbomen £ 16.13.4.

1725

Betaald is aan de brouwer Petrus de Meijer voor een halve ton geleverd bier aan de klapperwacht ten tijde als Jakobus Tavenier wierd gegeseld £ 0.14.8; Leendert Laurusse voor het delven van 76 roeden dulve aan het zogenaamde Groene dijkje buiten de Hoofdpoort tot preservatie van de geplante olmenbomen op en onder de dijk £ 3.13.4; aan de straatmaker Jakob Tavenier voor het repareren van stads straten 'in de hooge bomen', de Nieuwstraat, het Lombardstraatje en de Ganzepoortstraat £ 8.4; eveneens aan straatmaker Tavenier voor straatwerk in de Armenhoek, bij de Oostpoort en aan de Koepoort £ 6 en bij de Koepoort, in de Lange Vorst en bij het Kleine kerkje £ 5.8; de beul Johan Blom, meester van den scherpen swaarde, voor het geselen en brandmerken van Johannes Verkam £ 13; de geselaar Johannes van Leuven voor het geselen van een zekere Groenewoud £ 0.10; de wagenmaker Marijnis Vertregt's weduwe voor geleverde berrijen en twee nieuwe wielen aan de houtwagen £ 2.11; de scheepstimmerman Cornelis Welle voor het werken aan de sluis en de stadsboot en geleverd pik £ 8.17; de smid Frederik Cats voor het maken van nieuwe en repareren van oude lantaarns, het schilderen van 57 lantaarns, nieuwe koperen snuivers en lampen £ 13.8; de smid Krijn Musch wegens arbeid en geleverd ijzerwerk aan de wind- en watermolen, het vermaken van het kruis op de toren van de Kleine kerk £ 36.18; de wijnkoper Cornelis Wagenaar voor geleverde Spaanse wijn tot gebruik van des Heeren Avondmaal £ 4.2.

1726

Betaald is aan Leendert Bakker erven wegens levering van schrijfpapier en pennen, het binden van schrijfboeken zowel in leer als perkament £ 30.14; de koperslager Frederik Katz voor het maken van nieuwe en het repareren van oude lantaarns als ook voor een nieuwe rode koperen doofpot voor de Franse kerk £ 12.3.