Aanvulling? Meld het hier.
<<

Economische bedrijvigheid (1727 - 1733)

Brouwerijen

Johan Versteeg, afkomstig uit Sint Laurens, legt in november 1727 de eed af als brouwersbaas van de brouwerij 'de Fortuyn' in de 's-Heer Hendrikskinderenstraat. Echter, in 1730 deelt hij mee dat hij door misfortuin en geleden schade zodanig is geraakt in verval van schulden, dat hij niet in staat is zijn crediteuren te voldoen. Hij ziet zich genoodzaakt afstand te doen van zijn goederen. Zijn crediteuren zijn Boudewijn Landschot, notaris te Goes, Hugo Willems Nicester, beenhouwer te Middelburg, Hubertus Haring, weesheer te Goes en Marinus Schipper te 's Heer Arendskerke.

In oktober 1729 richten de bierbrouwers binnen de stad, te weten Paulus Verschuyl, aspirant-koper van de brouwerij 'het Witte Claverblad', Marinus Lurkus van de brouwerij 'de Gans' en Johan Versteeg van de brouwerij 'de Fortuyn' zich tot het stadsbestuur. Lurkus en Versteeg hebben vernomen 'dat een Roomsgezinde had wezen zien naar de gesteldheid van de eerstgenoemde brouwerij en ook van plan was deze te kopen'. Ze willen voorkomen 'een totale ruïne van hun panden die zij daardoor tegemoet zien'. 'Maar ook ter meerdere bevordering van hun brouwersnering heeft Paulus Verschuijl doen inkopen de voorseide eerstgenoemde brouwerij, ook met de intentie om, die gekocht zijnde, vermits hun brouwerijen de Gans en de Weereld met de brouwerij de Fortuin lichtelijk in staat zijn om voor de in- en opgezetenen genoegzame bieren uit te leveren en te verschaffen, te dempen'. Doch ze durven dit niet ondernemen zonder goedkeuring van de magistraat. Daarom verzoeken ze hen 'het demoliëren van de genoemde brouwerij, voor zoveel het brouwwerk aangaat, te accorderen'. Het stadsbestuur houdt de beslissing in beraad. Niettemin wordt Paulus Verschuijl 'als koper van deselve brouwerij nog aanstonds door een bode aangezegd, dat hij zich in geen geval van deze brouwerij of brouwwerk zonder autorisatie daartoe te hebben gekregen, zal hebben te ontdoen en vervolgens dan alsnog te laten in dien staat zoals ze tegenwoordig is'.

In juni 1730 koopt Alardus Buker, 'zijnde van de roomse religie', van Johan Versteeg zijn woonhuis en brouwerij 'de Fortuyn' met het vaatwerk en gereedschap voor £ 850 Vlaams. Dit onder de voorwaarde dat, 'soo wanneer het aan roomsgezinden binnen de stad verboden was, zoals van terzijde wierd gemompeld, de brouwersnering te doen en haar edelachtbaren zulks mogten komen te verstaan, dan die koop zoude te niet wezen en vervolgens gehouden worden als niet gedaan'. Het stadsbestuur deelt Buker echter mee 'dat haar geen staatse noch stedelijke resolutie bekend is, waarbij aan enig roomsgezinde binnen de stad zoude wezen verboden te doen de brouwersnering en vervolgens dat het aan hem en andere roomsgezinden alhier is geoorloofd deze nering te exerceren'.

De vier brouwers binnen de stad, Marinus Lurkus van 'de Gans', Jan Verschuyl van 'het Witte Claverblad', Johannes de La Sable van 'de Wereld' en Alardus Buker van 'de Fortuyn', verzoeken het stadsbestuur in 1733 te bepalen dat zij voortaan voor het ijken van hun vaten niet meer aan lastgeld zullen moeten betalen als de brouwers elders in het land tegenwoordig aan lastgeld betalen.

De bierbrouwer van brouwerij 'de Gans' in de Wijngaardstraat, Marinus Lurkus, sticht te Zierikzee een 'bierstal'. Als hij in zijn brouwerij gebrouwen bier naar Zierikzee wil vervoeren, laat hij dit door z'n knechts met paarden tot op de kaai voor de schuit brengen. Het bierdragersgilde protesteert er in 1733 tegen dat dit gebeurt 'zonder daartoe iemand uit het bierdragersgilde, dan alleen om het bier van de kant in de schuit te doen, te gebruiken'. Lurkus wil hiervoor niet meer dan één schelling per last betalen, terwijl ze hiervoor gewoonlijk zes schellingen per last rekenen. Het stadsbestuur laat het economische belang kennelijk zwaarder wegen. Het verklaart de klachten van het gilde ongefundeerd en wijst ze af.

Wijnnering

Destijds besloot het stadsbestuur te bepalen dat geen wijnsteker binnen de stad zal worden toegelaten voordat twee wijnkopersplaatsen vacant zijn. In 1728 komen er twee wijnstekers- of wijnverkopersplaatsen vacant, namelijk van de overleden Petronella Tako, weduwe van Nikolaas van de Leene, en van Joannes Luite, die metterwoon uit de stad is vertrokken. Tot vrije wijnsteker wordt toegelaten Jakobus Franse. Hij moet voor de eerste maal vier vaten wijn inslaan.

In 1729 geeft Cornelis Spelle te kennen dat hij al vanaf 1719 brandewijn en andere gedestilleerde wateren verkoopt bij de grote en kleine maat in zijn huis, dat hij gekocht heeft van de erfgenamen van Leendert Huige's weduwe, staande in de Ganzepoortstraat. Hij is nu in het huwelijk getreden met Helena Plante en is genoodzaakt te verhuizen naar het huis van zijn vrouw. Hij krijgt toestemming om zijn nering in dat huis voort te zetten. Ook Quirijn de La Sable mag vanaf dit jaar optreden als vrij wijnkoper in het pand ''s Lands Welvaren' aan de Ganzepoortstraat nummer 16.

Door het overlijden van de wijnkopers Johan de Coning en Joris Daniëlse komt er tenminste één wijnkoperplaats vacant. Adriaan de Keijser krijgt in 1730 toestemming om zich als wijnkoper binnen de stad te vestigen. Hij heeft zich sinds enige jaren te Middelburg in die negotie geoefend. Te Middelburg heeft hij geen behoorlijk middel van bestaan gevonden. Bij deze gelegenheid besluit het stadsbestuur om de resolutie van destijds, waarbij is vastgesteld dat geen wijnsteker binnen de stad zal worden toegelaten voordat twee wijnkoperplaatsen vacant zijn, in te trekken. Kort daarop krijgt Jan van den Berge, wonend te Middelburg doch Goesenaar van geboorte, vergunning om zich als vrije wijnsteker binnen de stad te vestigen en te verkopen wijn en gedestilleerde wateren bij de grote maat, mits hij voor de eerste maal inslaat vier vaten wijn. Ook mag Hendrik Mispelblom vanaf 1730 optreden als vrij wijnkoper.

Quirijn de La Sabel deelt in 1731 mee dat zijn ouders lange jaren de nering van de verkoop van brandewijn en gedestilleerde wateren met de grote en kleine maat hebben gedaan. Hij krijgt toestemming deze nering voort te zetten. In januari 1732 koopt Cornelis de Losanne uit Middelburg het huis van Coenraad Tekelenburg aan de Lange Kerkstraat nummer 6. Hij krijgt vergunning om als vrij wijnkoper op te treden. Ook Joël Boullez krijgt in 1733 vergunning om in zijn gekochte huis 'het Sint Janshoofd' in de Lange Vorststraat (nummer 94) de wijnstekersnering te doen.

Zoutnering

Het stadsbestuur is zeer gebrand op het bevorderen van de aloude zoutnering. In juli 1732 betogen de zoutkeeteigenaren Jacob Coomans en Christiaan van der Stelle, ieder voor de helft eigenaar van een zoutkeet aan de oostzijde van de haven, dat ze maar een kleine berging voor het zout hebben. Daardoor gebeurt het dat ze hun zout niet meer kunnen bergen en dan genoodzaakt zijn dit voor een zeer lage prijs te verkopen. Ze krijgen vergunning om een zoutdenne te maken van acht voeten breed tussen hun zoutkeet en de turfschuur waar het enkele voeten breed is. Voorwaarde is dat het onderhoud van de kaaien altijd voor hun rekening zal zijn.

In mei 1733 geven Cornelis Wagenaar en Petronella van Wijnkel te kennen dat ze in gemeenschap bezitten een zekere zoutkeet aan de westzijde van de oude haven, direct ten noorden van de zoutkeet van Jacob Outdorp c.s. Ze zijn genegen om aan hun zoutkeet een nieuwe zoutden (bergplaats voor zout) te timmeren en daartoe in te nemen 'een zeker erf of plaats leggende met een hoek of triangelgewijze annex, benoorden en oostwaarts van hun keet'. Daardoor zal niemand enige schade of ongemak lijden. Het stadsbestuur geeft hiervoor toestemming, mits dat het onderhouden van de kaai aan de oude haven voor hun rekening komt. De dekenen van het Sint Jansgilde voor de arbeiders maken hier bezwaar tegen. Ze betogen dat door het maken van de nieuwe zoutden 'het zout een meerder distantie moet gedragen worden'. Ze verzoeken het werkloon voor 102 vaten Frans grof zout, die in Wagenaars zoutkeet gebracht moeten worden, inplaats van op 13 schellingen zoals voorheen te stellen op 16 schellingen. Het stadsbestuur wijst dit verzoek echter af.

Meekrapnering

In augustus 1729 richten 'de gemeene portionarissen van de Manestove, staande op de weije bewesten de hoofdpoort', zich tot het stadsbestuur. Ze betogen 'dat de Manestove door het verval van de meenegotie sedert het jaar 1719 buiten gang is geweest en de eigenaren ondertussen met zware kosten van reparatie, om die staande te houden, zijn gedrukt geworden tot zoverre, dat zij in het jaar 1726 hebben moeten voorschieten, tot suivering van het quade slot, £ 144 Vlaams'. Niettegenstaande ze van het stadsbestuur vrijdom van de ceins en de 200e penning op de meestoof voor de tijd van 7 jaren hebben gekregen, zijn de reparaties aan de meestoof zoveel opgelopen, dat ze opnieuw een nadelig slot hebben van £ 24.13.3 Vlaams. De meestoof is door het langdurig stil staan en andere ongemakken zodanig vervallen dat ze niet anders als met zware kosten hersteld kan worden. Ze 'zien tegemoet, al was het dat zij het afgebrokene wederom kwamen te herstellen, dat door het jaarlijks meer en meer afnemen der meenegotie ze niets van dit haar kostbaar pand te wachten hebben, als jaarlijks tot onderhoud van dien veel geld toe te brengen'. Ze hebben de meestoof daarom op de 2e augustus 1729 publiek te koop gezet. Maar omdat er niet één bod gedaan is, is deze onverkocht gebleven.

Ze vinden 'het niet geraden zodanig pand met zulke zware reparaties meer staande te houden. En ziende, dat hetzelve bij mankement van dien, in het kort tot een puinhoop zal geraken, hebben ze daarom goedgevonden te verzoeken hen, teneinde haar uitgeschoten penningen en kwaad slot van de rekening enigszins daaraan te recouvreren, toe te staan om de meestoof af te breken en de materialen te verkopen, mitsgaders hen voor altoos te ontheffen van de ceins en 200e penning daarop staande, met presentatie van aan haar edelachtbaren over te geven de 1 gemet en 215 roeden wei, die voor het aanpart van de stoof altijd is gerekend en verhuurd'. Het stadsbestuur overweegt de desolate toestand van de meestoof 'de Mane' en besluit vergunning te verlenen voor het afbreken van de stoof. De eigenaren krijgen toestemming de materialen te verkopen. De grond (1 gemet en 215 roeden weiland) wordt voor de stad aanvaard.

Namens de belanghebbenden in de meestoof 'de Hope', de zogenaamde Hopestove, staande aan de westzijde van de haven, schrijft Anthony van Beijsselaar in 1731 dat elk jaar uit het eiland van Wolphaartsdijk om te reden in deze stoof worden gebracht verscheidene vaartuigen met meekrap. Om hun vracht te lossen zijn deze genoodzaakt legplaats te nemen in de haven tegen de dijk, recht tegenover de ingang van de stoof. Maar op die plaats is geen fatsoenlijke afkaaiing, zodat ze met hoog water telkens hoger komen te liggen en met laag water op het matwerk of hoge slijk blijven zitten. De schippers moeten daardoor de gehele nacht opblijven om daar tegen te waken. Ze verzoeken op hun kosten een deugdelijke afkaaiing te mogen maken.

In september 1733 ontbiedt de baljuw Adriaan Vogel van Steenvliet de keurmeesters van de meekrap, Antony van Beijsselaar, Pieter Hallewaard, Cornelis Wagenaar en Willem Koningswout, om ingevolge het plakkaat van de Staten van Zeeland 'tot redres van de abuijzen, in de meenegotie allenthalve ingeslopen, de eed af te leggen'. Van Beijsselaar en Wagenaar verklaren echter dat het hun onmogelijk voorkomt zich bij het keuren van de mede naar de stiptheid van het plakkaat te reguleren. Ze voelen zich daarom bezwaard om de eed af te leggen. Hallewaard en Koningswout verklaren weliswaar deze bezwaren niet te hebben, maar gelet op de weigering van hun collega's willen ze zich ook van de eed onthouden. Niettegenstaande alle overreding blijven ze bij hun weigering. Het stadsbestuur besluit eerst te bezien hoe in andere steden met de beëdiging wordt gehandeld.

Molenarij

Korenmolens

De pachters van de impost op het gemaal stellen het stadsbestuur in 1727 in kennis dat ze zowel aan de molenaars van de wind- en watermolens als aan alle bakkers in de stad door de statendeurwaarder Jan van Exem hebben laten doen een insinuatie met de volgende strekking: 'de molenaars of hun knechts zullen gehouden zijn het koren van de bakkers zelf thuis te brengen; de molenaar zal gehouden wezen de briefjes aan het einde van elke week wederom te brengen in handen van de collecteur om die bij zijn register of boek geconfereerd te worden en alle fraude van contrefeijten of anders voorkomen of anders zal de pachters zijn biljetten zo dikwijls vermogen te halen als hetselve hem goeddunkt; de bakkers en brouwers zullen geen koren ter molen mogen brengen dan in zakken elk met hun respectieve merken getekend'.

De molenaar van de windkorenmolen Adriaan Cornelisse vertrekt in april 1728. Sindsdien is de molen buiten werking. Enige molenaars uit Walcheren melden zich aan om de windkorenmolen te huren. Met geen van alle kan tot overeenstemming worden gekomen. De stadsdirecteuren krijgen machtiging om de molen ten meeste profijte aan de man te helpen en gaande te houden, hetzij door verpachting, verhuring of het stellen van een knecht daarop. Op 1 mei wordt de molen verpacht aan Pieter van der Meer voor zestig ponden Vlaams.

Boekweitmolens

In 1732 richten de boekweitmalers binnen de stad, Elias Joël en Maria Verstraate weduwe van Levinus van Noord, zich tot het stadsbestuur. Ze komen 'van tijd tot tijd te ondervinden dat door het menigvuldig inkomen van buitenlands boekweitgort binnen deze stad hun nering, dewijl ze door de hoge inkoping van hun molens het gort zo goedkoop niet kunnen geven als het buitenlands gekocht wordt, considerabel werd verminderd'. Ook wordt door de menigvuldige boekweit- en gortwinkeltjes binnen de stad de aftrek van die waren sterk verdeeld. Ze verzoeken de invoer van boekweitgort binnen de stad, hetzij die te Cloetinge of buitenslands gebroken mocht zijn, te verbieden of daarop een behoorlijke stedelijke impost te zetten. Ook het stadsbestuur van Zierikzee zou het inkomen van boekweitgort verboden hebben, terwijl de magistraat van Veere een stedelijke impost heeft gesteld op iedere zak. Het stadsbestuur besluit het verzoek om verscheidene redenen af te wijzen.

Chocolademolens

In maart 1727 geeft Jan Spelle, koopman in chocolade te Goes, te kennen dat 'het vertier ende neringe, die hij heeft in het verkopen van geprepareerde chocolade grotelijks toenemende, ende hetselve seer moeijelijk vallende om door handmolens te breken, hij voor dese zijne negotie niet ondienstig heeft geoordeeld eene molen op te rigten ende deselve te doen gaen en werksaem wesen door of met een paerd, in deselfs huisinge staende annex ofte wel genoegsaem annex de Koepoorte alhier'. Hij krijgt hiervoor vergunning.

Beurtschippers

Jacques Vermaire, beurtschipper van Goes op Zierikzee, bedankt in 1727 voor zijn bediening. De nieuwe beurtschipper is Marinus Mus. Hij is verplicht elke week op donderdag van Goes naar Zierikzee te vertrekken en op zaterdag van Zierikzee terug te keren.

Ter gelegenheid van de statenvergadering in april 1727 treden de gedeputeerden van Goes in onderhandeling met de gedeputeerden van Vlissingen hoe het beste geloot kan worden over welke beurtschipper het veer van Goes op Vlissingen en van Vlissingen op Goes in één persoon zou kunnen bedienen. De opzet is dat het veer voortaan niet meer door twee personen, namelijk van iedere stad één zoals tot nu toe, zal worden bediend maar door één persoon. Hierover werpen mr. Adriaan Ysebree namens Goes en mr. Geleijn Hurgronje namens Vlissingen het lot. Het bedienen van het veer vice versa valt te beurt aan de beurtman van Goes, Cornelis Weije. Hij zal op donderdag van Goes op Vlissingen varen en op zaterdag terugkeren. Dit houdt in dat de beurtschipper van Vlissingen Boudewijn den Hollander uit zijn functie wordt ontzet.

Joannes Landschot, de boekhouder van de veren van Goes op Rotterdam, Gouda, Haarlem en Amsterdam, overlijdt in december 1727. In zijn plaats wordt aangesteld tot commissaris of boekhouder van de Hollandse veren de zoon van de overledene, Johannes Landschot de jonge.

In 1729 schrijft beurtschipper Gerard Dijkwel een uitvoerige brief aan het stadsbestuur. Daaruit blijken interessante details over de beurtschepen die omstreeks deze tijd in het schippersgilde varen. Dijkwel schrijft dat zijn beurtschip door ouderdom buiten staat begint te raken om langer te varen. Hij heeft zijn oog laten vallen op een zeker schip met een 'staeije' achterop, dat 24 lasten kan voeren en geschikt is tot gerief van alle burgers en kooplieden. Hij is beducht dat hem dit door zijn gildebroeders niet zal worden gegund. Zo vreest hij dat, om hem te verhinderen met dit schip af te varen, hem zal worden tegen geworpen dat het, in plaats van twee berghouten, maar is voorzien van één berghout, terwijl volgens zekere oude order de schepen twee berghouten moeten hebben. Hij wijst er op dat deze order sedert geruime tijd in onbruik is geraakt. Deze order zou ook niet tegen hem kunnen zijn, omdat de poonschuiten die ook maar één berghout hebben, al sinds lang in het gilde zijn toegelaten. Hij meent dat het alleen voorzien zijn van één berghout 'hetselve schip enige meerdere zwakheid, ongemak, minder gerief of bekwaamheid, in enig opzicht kan aanbrengen'. Daarom verzoekt hij toestemming om hem met dit schip in het gilde te laten varen.

De dekenen van het schippersgilde, aan wie advies wordt gevraagd, stellen vast dat schepen met één berghout ongeschikt zijn om met een volle lading op de Zeeuwse stromen te varen, maar wel in Holland, daar zij altijd vlot liggen. Deze schepen, volgeladen zijnde en op Zeeuwse plaatsen varende, 'lopen bij de minste oneffene zate of andere geringe toevallen, tot merkelijke schade en nadeel van kooplieden en alle anderen, seer licht aan de grond. Toevallen waaraan schepen met twee berghouten niet onderhevig zijn. Bovendien, een schip met één berghout, wanneer het volladen is, heeft nauwelijks hout boven water en wanneer het ledig is, als zijnde zeer rank en smal, komt dit lichtelijk om te slaan. Om deze redenen zijn sinds dertig of veertig jaren geen schepen als met twee berghouten bekend geweest. Daarom zijn schepen met één berghout, volgens alle oude en tegenwoordige gilde-ordonnanties, afgekeurd en verworpen geworden. En tenslotte strekt het niet tot voordeel van Dijkwel zijn argument dat de poonen, schoon mede maar van één berghout zijnde voorzien, alhier in het gilde zouden zijn toegelaten, dewelke veel korter dan een schip zijn en daardoor een grote stijfte hebben'. Het stadsbestuur besluit 'dat van de oude ordonnantie en oude order van het schippersgilde niet kan worden afgegaan en daarbij zal worden gebleven'. Het verzoek van Dijkwel wordt daarom afgewezen.

Elk jaar worden de beurtschepen geïnspecteerd ofwel 'geklopt'. Zo worden de stadsbestuurders Zywert van der Bilt en Francois de Keijser in 1730 aangesteld 'tot het bijwonen van het jaarlijks kloppen van de schepen van deze stad afvarende en naar beurten smakkende'. Uit het 'kloppen' blijkt dat:

  • de schepen van Zacharias Joose, Adriaan Jasperse, Pieter Gijsse, Willem Musse, Abraham Groenendijk, Jan Jacobse, Arnout de Koning, Daniël Janse, Jan Hooglander en Jakob Huige wel zijn bevonden en geschikt om naar de bekende veren te smakken;
  • het schip van Gerard Dijkwel is geoordeeld niet in staat te zijn om enige veren te bedienen;
  • het schip van Jan Laroes moet aan bakboordzijde en het schip van Hermanus Eijks achter aan de boeg worden gerepareerd;
  • het schip van Aarnout Bosman 'vanwege desselfs slechtheid niet eens was geklopt'.

De dekenen van het schippersgilde krijgen machtiging de schippers van de in orde bevonden schepen naar de gewone veren van Dordrecht, Rotterdam en Amsterdam te laten smakken en eerst op dat van Amsterdam 'om redenen haar edelachtbaren daartoe moverende'.

In 1730 blijkt dat niemand van de gildebroeders van het schippersgilde genegen is 'om voor de driejarige beurt op Amsterdam de teerling te werpen, ja ook niet wanneer die smakking maar voor één jaar zoude moeten stand houden om redenen van de weinige vrachten en koopmanschappen die van hier derwaarts en van daar herwaarts geduriglijk komen te vallen en gevoerd worden'. Ze vrezen dat degenen die de beurt op Amsterdam uitoefenen door de geringe winsten geruïneerd zullen worden. De dekenen bevestigen daarmee de gefundeerdheid en waarheid van de bezwaren van hun gildebroeders. Niettemin zal het veer toch bevaren moeten worden. Het totale tenietgaan van dat veer moet voorkomen worden. Hiervoor stelt het stadsbestuur alsnog een regeling vast. Daarvoor zal het volgende reglement voor de smalschepenvoerders binnen de stad dienen:

Artikel 1
Een smalschip zal alle maandagen en dat wel ieder op zijn toerbeurt binnen deze stadskaai moeten aanleggen, teneinde de koopmanschappen en vrachten van granen en andere waren daarin te ontvangen en, van dien maandag tot zaterdagavond daaraanvolgende, geene genoegzame vrachten of ter hoogte als in het volgende artikel staat beschreven en ter nedergesteld, ontvangende, zal dien eigen zaterdagavond voor die reis van verdere aanleg vrij zijn.

Artikel 2
Het aanleggende smalschip, vracht ter montant van £ 8.6.8 Vlaams hebbende ontvangen, zal zonder enige tegenspraak met hetselve moeten vertrekken en afvaren.

Artikel 3
Alle de smalschepen, wanneer deselve in die omgegane toerbeurten zullen hebben afgevaren, zullen met de anderen moeten passen van alle tgeen deselve van deze op Amsterdam zullen hebben gewonnen, doch geenszins van tgeen deselve van daar herwaarts zullen komen te verdienen, als zullende een ieder derselve dat aan en voor zich privative behouden.

Artikel 4
En opdat de voorseide passingen ordentelijk soude kunnen geschieden, zullen alle de smalschepen, voor hun vertrek van hier derwaarts, en vervolgens eer zij van de wal afvaren, aan de commissaris van dat veer alle hare vrachten en brieven moeten aangeven en laten zien.

De beurtschippers, varende met zogenaamde cromlaayschuitjes van Goes op Veere, Pieter Crabbe, Harmanus Wagenaar, Jacob Bliek, Gillis Stoop, Jan Schakerloo en Marinus Hageman, schrijven in mei 1733 'dat ze tot gerief van de burgers en ingezetenen van deze stad zeer genegen zijn een vast veer van deze stad op Veere op te rigten en met voorseide schuytjes te bedienen'. Het stadsbestuur willigt hun verzoek in en stelt een 'Reglement voor die soogenaamde cromlaeyschuytjes hebben binnen dese stad omme te bevaren en waar te nemen het veer van dese stad op de stad Veere' vast.

In september 1733 schrijft Jacomina Kodde, de weduwe van de beurtschipper op Zierikzee Marinus Mus, 'dat haar man in de nacht van 29/30 september door een zeer ongelukkig toeval is overleden'. Ze is met zes kinderen en in zwangere toestand achter gebleven. Ze verzoekt uit vaderlijk meedogen te accorderen dat degene die schipper wordt op dit veer aan haar voor haar poonschuit, die 500 gulden waard is, te voldoen een som van 800 gulden ofwel jaarlijks haar een belasting op het veer te betalen van tien ponden Vlaams per jaar. Haar verzoek wordt ingewilligd. De nieuwe beurtschipper op Zierikzee is Theunis den Boer.

Herbergen en tapperijen

Begin 1727 is het aantal kroegen of tapperijen in de stad tot ver boven de veertig toegenomen. Als er in januari weer zes nieuwe verzoeken om vergunning voor een tapperij liggen, 'bespeurt het stadsbestuur bij deze gelegenheid het groot getal der rekwesten van diegenen, die verzoeken om brandewijn en jenever bij de kleine maat, zo bij continuatie als opnieuws, te mogen verkopen en nog meerdere dier verzoeken tegemoet ziende en nodig oordelende de verdere aanwas derselve (als waerdoor de anderen al te blijkbaer komen te bederven en de middelen in het werk stellen die geenszins betaemen) te beletten en tegen te gaen'. Het stadsbestuur besluit 'dat van nu af aan geen personen, tot het verkopen en schenken van bier, brandewijn en andere sterke drank bij de kleine maat binnen deze stad en jurisdictie zullen worden toegelaten voor en aleer dat het tegenwoordig getal dier schenkers ende verkopers, bij uitsterven als anders, sal wesen gebragt ende gekomen tot veertig'. Toch komt het stadsbestuur hier in februari 1727 al op terug. Want sindsdien is ondervonden 'dat die soo generaal genomen resolutie diende te worden enigermate gealtereerd, geïnterpreteerd ende gelimiteerd'. Besloten wordt 'om de soo generale genomen resolutie sal blijven gesuspendeerd ende gehouden buiten executie tot soo lange dat dezelve alteratie, interpretatie ende limitatie daer van door haar edelagtbaren sal wesen gedaen'.

Het stadsbestuur merkt in 1728 dat Pieter Opheijst, herbergier in 'de Dry Meebalen', Cornelis Dignusse van den Berge, kleine brandewijnverkoper op het Bekhof, en Jan Pieterse bij de Ganzepoort, 'zich niet hebben ontzien des zondags, zo onder de kerktijden, in hun huizen met de kaarten te laten spelen en onder de kerktijd te schenken tot soo verre dat ze door 's heeren dienaars op de daad zijn betrapt en aan hen een boete is opgelegd'. Als ze weigeren deze boete te betalen, besluit het stadsbestuur hen te verbieden enige van die neringen te doen voor en aleer ze de boeten aan 's Heeren dienaars hebben betaald.

In 1728 delen Jan de Quandt, meester beeldhouwer, en zijn vrouw Catharina van den Broecke, beiden burgers en inwoners van Middelburg, mee van woonstede te willen veranderen. Ze hebben van Bastiaan Knuit een woonhuis gekocht, staande binnen de stad op de oostzijde van de kaai benoorden het schippershuis, genaamd 'het koopmanslogement' (het betreft hier het pand Grote Kade nummer 34, 'het Appelhuis'), in welk huis Knuit zich heeft gegeneerd met het schenken van brandewijn en andere gedestilleerde wateren en het tappen van klein bier. Zij willen in dat huis de tappersnering voortzetten. Het stadsbestuur geeft hen vergunning om in het door hen gekochte huis brandewijn en andere gedestilleerde wateren te verkopen en te tappen klein bier bij de kleine maat.

Maeyken Jochems, weduwe van Nikolaas Musse, krijgt in 1728 vergunning om in het door haar gehuurde huis van Jan Snoep, staande tussen de kaai en de opril van de Grote Markt en waarin ontallijke jaren achtereen deze nering is gedaan, te verkopen en te schenken brandewijn, jenever en andere sterke drank bij de grote en kleine maat. Ditzelfde jaar mag Pieter Smits uit Wolphaartsdijk herberg houden in 'den Frissen Romer', staande tussen de twee poorten en waarin lange jaren achtereen die nering is gedaan, om daarin te verkopen wijn, bier, brandewijn en verdere gedestilleerde wateren bij de kleine maat.

De herbergier in 'den Frissen Romer' betoogt in 1729 dat, inplaats dat de nering hem voordeel oplevert, hij ondervindt dat deze van hem de nering die hij nog heeft komt af te trekken. Hij ziet niet anders tegemoet dan een gestadig afnemen van zijn nering. Hij verzoekt dan ook, 'om hetselve te voorkomen en zijn geringe nering te doen aenkweeken, permissie om een billiarttafel in zijn herberg te mogen setten'. De overweging van het stadsbestuur is interessant: 'Deze herberg is vanouds af seer welgelegen ende bekwaem geweest om passagiers, komende van allerhande plaetsen in ende na dese stad te logeren. Ende daer voor bij allen ende een ijder vermaerd is geworden ende vervolgens dat deselve passagiers ende reijsigers door het setten ende houden van gemelde billiart, soo bij dage als bij nagte, seer souden werden geincommedeerd ende afgeschrikt om aldaer meer te komen logeren, waerdoor dan de daer in sijnde neringe niet alleen niet soude toenemen maer dagelijks verminderen'. Besloten wordt dan ook zijn verzoek af te slaan.

Deze jaren is er veel bedrijvigheid in de stad in herbergen, tapperijen en kroegen. Zo zijn er in 1729 12 herbergen en 26 kroegen of tapperijen. Herbergiers zijn Willem Knuit, Marinus van de Steene, Willem de Fauw, Jacobus Paret, Cornelis Gerardse de Leeuw, de weduwe van Adriaan Cornelisse Schaelje, de weduwe van Dirk Pieterse Swaev, Daniël Duinkerke, Pieter Opheyst, Cornelis Costen, Jan Pieterse Bosdijk en Joannes van den Hove. Kroeghouders zijn Cornelis Cornelisse, Pieter Kest, Pieter de Jonge, Jan Crabbe, Cornelis Claese, Andries Tamboer, Francois Duinkerke, Jan van Helde, Pieter Gunters, Jan Nouw, Theodorus Winteroy, Jan Janse van Cloetinge, Cornelis Cappendijke, Margarita Luiks, Adriaan Visser, Ysak Masuer, Mels Jansen, Hendrik van Bemmel, Pieter van Damme, Adriaan van Antwerpen, Pieter van Hoeffelen, Joos Tog, Lukas Verhoef, Leendert Strijker, Antony van den Bosse en Jan de Kwand.

Er komen deze jaren ook zeer veel mutaties voor in de herbergen en tapperijen. Ter illustratie volgen hier enkele mutaties. Zo krijgt Mels Jansen, bewoner van het huis staande 'aan het breedtje in het afgaen van de kaeij naer de 's-Heer Henrixkinderenstraet' vergunning om brandewijn en andere sterke drank en klein bier te verkopen en te schenken, omdat dit vele jaren achtereen daar is gedaan; Machiel Patijn mag de tappersnering uitoefenen in het door hem gekochte huis aan de Kaaij 'om reden dat dit van immense jaren achtereen daarin is gedaan'; Joos Togh krijgt vergunning te tappen in het huis 'de Salm' aan de Blaauwe Steen; Gillis Scheyteruijt mag de tapperij uitoefenen in zijn huis aan de Korte Vorst; Marinus Casteleijn in het huis 'de Walendans' aan het einde van de Nieuwstraat, 'alwaar de nering nu sedert lange jaren is gedaan'; Adriaan Walraven's weduwe in het door haar bewoonde huis in de Stoofstraat; Abraham Verdonk in het huis, laatst bewoond geweest door Cornelis Riems, aan de oostzijde van de kaai, 'alwaar hetselve vele jaren achtereen door verscheidene personen is gedaan'; Adam Gort in zijn huis 'Boomsté' in de Voorstad 'alwaar die nering vele jaren is gedaan'; Michiel de Puijt in zijn huis 'de Bonte Koe' aan de Beestenmarkt; Cornelis Briels in het zogenaamde 'Soutenshuis' aan de 's-Heer Hendrikskinderenstraat, 'alwaar hij tegenwoordig woont en die nering vele jaren is gedaan'; Logier Sterkenroy in zijn huis 'de Laatste Stuyver' aan de Voorstad om te verkopen bier, brandewijn en andere gedestilleerde wateren bij de kleine maat.

In de herbergen en kroegen gaat het soms ruig toe. Dit blijkt uit het volgende voorval. In 1728 deelt de dijkgraaf van de Goese Polder, Jacob Keetlaar, de burgemeester mee dat dijkgraaf en gezworenen al enige tijd geleden hebben aangesteld Leendert Cornelisse tot het houden van opzicht over de zeesluis in de zeedijk, met speciale last en order om in stukken te snijden of te ruineren alle de welijen en andere vistuigen die hij in of omtrent de sluis zou vinden. Op de derde kerstdag is het gebeurd dat Cornelisse, de zeesluis bezichtigende, daaruit een welije heeft gehaald en deze ingevolge zijn orders in stukken heeft gesneden. Door die actie had hij zich nat gemaakt en zich onmiddellijk daarna om zich te drogen met zijn gezelschap naar de herberg, staande in de Oostschans niet verre van de sluis, begeven. Na het verbranden van een mutsaard en het drinken van enige kannen bier wilden ze gezamenlijk weer vertrekken. Maar ze werden door de hospes of herbergier, aldaar tegenwoordig wonende, aangetast, tegen de vloer geworpen en geslagen, onder uitdrukkingen van 'jou duivel, jij hebt de welijen in stukken gesneden, ik zal jouw daarvoor nu betalen of diergelijke woorden'. Het stadsbestuur neemt dit delict hoog op vanwege de kwade en zeer gevaarlijke gevolgen die dit zou kunnen hebben. De baljuw krijgt opdracht grondig onderzoek te doen en naar bevind van zaken te handelen.

Andere bedrijvigheid

De drie boekverkopers en boekbinders binnen de stad, Leendert Eyermeet, Antony de la Sable en Adriaan Bakker, schrijven het stadsbestuur in 1727 'dat in hun ambacht of stijl een groot verval zoude zijn gekomen en verzoorzaakt doordat hetselve aan geene ofte genoegzame wetten soude wezen gebonden'. Ze verzoeken hen te vergunnen enige artikelen en een proeve, waarnaar zich de boekverkopers in het toekomende zouden moeten gedragen, op te stellen. Het stadsbestuur wijst dit verzoek af.

In december 1727 heeft de meester kuiper Jan van Rosendael het bestaan in zijn huis, dat hij onlangs heeft gekocht, staande aan de westzijde en in het zuideinde van de Lange Kerkstraat ('Brouwershaven', nummer 43), voor zijn deur op de straat het voor zijn kuipersnering benodigde vaatwerk te doen branden. Dit is des te ernstiger 'omdat hetzelve als geschiedende in het engste of nauwste en kort op het einde van de draai van een straat, die de voornaamste van deze gehele stad is, ten opzichte van de dagelijkse en menigvuldige passagie soo van mensen als wel bijzonderlijk van paarden en rijtuigen, noodwendig en bijna onvermijdelijk onheilen en kwade gevolgen moet veroorzaken'. Het stadsbestuur besluit 'tot voorkoming van dien aan Jan van Rosendael te verbieden het branden of doen branden van vaatwerk mitsgaders het maken van enig vuur op die plaats en hem te gelasten dat hij het vuur, tgeen hij tot zijn handwerk van node heeft, voortaan zal moeten leggen op het pleintje achter de achterdeur van zijn woonhuis en tussen de aldaar lopende goten'.

De zilversmid Pieter Sandijk overlijdt in 1729. De neef van de overledene, Jacobus Sandijk, heeft van de weduwe de zilversmidwinkel gekocht. In augustus 1730 geeft de gerechtsbode hem order om met de zilversmidnering niet voort te gaan tenzij hij daartoe wordt toegelaten. Enige gildebroeders willen namelijk dat hij zijn proeve doet uitsluitend in het zilversmeden. 'Alsof het goud- en zilversmeden niet te Goes en overal elders gecombineerd is', zo schrijft hij het stadsbestuur. 'Het zou tot zeer groot nadeel, ja ruïne voor hem zijn als hij de zilversmidwinkel niet mag voort zetten'. Hij verzoekt dan ook deze nering in de plaats van zijn overleden oom Pieter Zandijk te mogen voortzetten. De dekenen van het zilver- en goudsmedengilde, Crijn Mus, Johan van Stigt, Jacobus van Kogelenberg, Jan van Huysen en Andries Buijs, adviseren daarop Zandijk toestemming te verlenen, niettegenstaande sommige gildebroeders kwaardaardiglijk willen dat hij alleen zijn proeve in het zilversmeden doet. Het stadsbestuur staat hem dit toe.

Agnieta de Zwart, dochter van Helena Verberkmoes, weduwe van de overleden schoolmeester Jan de Zwart, die door haar hoge jaren niet in staat is om in haar bestaan te voorzien, heeft het huis gehuurd daar Jan Mourits laatst in gewoond heeft. In dit huis is lange jaren de vette waren nering gedaan, 'zo van boter, kaas etc. te verkopen en tot gerief van de buitenlieden te tappen kannen klein bier en een glas brandewijn of jenever te verkopen bij de kleine maat'. Ze verzoekt vergunning om deze nering voort te zetten om op deze wijze haar en haar oude moeder op een fatsoenlijke manier te onderhouden.

In 1732 vestigt zich als zevenmaker binnen de stad en jurisdictie Seger Coorn. Cornelis Riems, wonend in de Voorstad, krijgt in 1733 vergunning voor het houden van een maljenierswinkel. Jan de Sain heeft enige jaren geleden vergunning gekregen om in de stad het slijpen ter hand te nemen. In 1733 deelt hij het stadsbestuur mee te ondervinden dat hij door het wekelijks varen naar Middelburg zich van dat octrooi niet meer komt te bedienen. Om die reden en ook omdat gedurig vreemde slijpers door de stad omlopen, besluit het stadsbestuur Pieter de Sager toe te staan om alleen en met uitsluiting van alle anderen het slijpen in de stad uit te oefenen.

Een van de pruikmakers binnen de stad, de 'meester paruickmaeker' Joël Boullez, afkomstig van Boverij, is niet meer in staat om voor z'n huishouden 'op een borgerlijke manier de kost te winnen'. Hij heeft genegenheid gekregen om ook het wijnsteken ter hand te nemen. Daarvoor heeft hij het huis 'het Sint Janshoofd' gekocht van Hendrik Mispelblom aan de Lange Vorststraat nummer 94, die in dit huis ook de wijnverkoop heeft gedaan.

Bakkerijen

In 1724 besloot het stadsbestuur op verzoek van de dekenen van het bakkersgilde 'dat geen nieuwe ovens om in deselve brood te bakken souden mogen worden gesticht'. Het stadsbestuur bepaalt in 1730 dat deze resolutie geen betrekking heeft op bakkersovens die vóór 1724 zijn gesticht, niettegenstaande deze enige jaren daarna niet mochten zijn gebruikt. De resolutie behelst alleen een verbod op het zetten van nieuwe bakkersovens.

In 1727 koopt Jacob Boone uit Kloetinge de bakkerij, staande aan de Voorstad. Hij krijgt vergunning om het bakken aldaar met uitsluiting van alle anderen uit te oefenen. Al spoedig overlijdt bakker Boone. Z'n weduwe hertrouwt met Johannes de la Maire . Deze krijgt vergunning om in de bakkerij aan de Voorstad de bakkersnering te doen op dezelfde voet als aan Jakob Boone en vorige bewoners van deze bakkerij werd toegestaan.

De zoete koekverkopers Hendrik Mispelblomme, Huibregt Murre en Christiaan van de Linde richten zich in 1732 tot het stadsbestuur. Ze geven te kennen 'dat hun voorname kostwinning bestaat uit het verkopen van soete koek en ander gebak van die nature, buitenslands en op de vrije jaarmarkt te Goes. Deze zoete koek is altijd, naar hun welbehagen, binnen de stad opgeslagen om daarmee te gemakkelijker en tot voorkoming van bederf te kunnen verreizen, zonder dat zij of hun voorgangers ooit op enigerlei manieren zijn geturbeerd'. De dekenen van het koekenbakkersgilde 'hebben nu enige dagen geleden kunnen gelusten hen niet alleen het opslaan, maar zelfs het lossen van het gebak uit de vaartuigen aan deze kaai te bedisputeren'. Ze zijn daaromtrent 'so verre, dat zij hun koek aan deze kaai, mits hetselve binnen schijn der sonne buiten deze stad en jurisdictie vervoerende, mogen lossen, gereüsseerd zijnde, daardoor in grote schaden gekomen'. Hun verzoek is 'dat ze hun waren binnen de stad in hun huizen en pakhuizen mogen opslaan en aldaar, naar welgevallen, laten vernagten'. Het stadsbestuur overweegt dat de zoete koekverkopers aanmerkelijke schade door het vervoeren van hun koek buiten deze stad zouden ondervinden. Hun verzoek wordt dan ook ingewilligd. Wel moeten ze de koeken, die ze in de winter op koopdagen verkopen, van de koekenbakkers uit Goes kopen.

Markten

Het stadsbestuur constateert in juli 1728 dat 'in sommige almanakken wordt gesteld dat de gewone jaarmarkt (kermis) binnen de stad zijn aanvang neemt met de 31e augustus en dat hetselve alsoo soude wezen gedaan op een vooronderstelling van dat deselve jaarmarkt altijd zou beginnen met de eerste dinsdag na Sint Bartolomeüs, maar altijd de eerste dinsdag na de 23e augustus moetende aanvang hebben en vervolgens van dit jaar met de 24e augustus'. Het stadsbestuur besluit, om alle abuizen en ongemakken en schade van de kramers en anderen te voorkomen, in de couranten bekend te maken het abuis dier courantiers en dat de jaarmarkt vervolgens zal beginnen de 24e augustus.

In juli 1732 komt voor de aanstaande jaarmarkt een verzoek binnen 'om daarop spelen te stellen'. Het stadsbestuur besluit echter dat op de aanstaande jaarmarkt 'geene spelen sullen werden geadmitteerd nog getolereerd, werdende de kleijnigheden gelaten ter directie en dispositie van de heer presiderende burgemeester'.

Lijnbaan

In 1729 betoogt Pieter de Puijt uit de Voorstad dat hem in augustus 1724, na vrijwillige afstand van zijn schoonvader Reijn Claasse Hoondert, vergunning is verleend tot het lijndraaien en maken van touwwerk in het huisje staande op de oostzijde van de stadswal, voorheen eigendom van Laurus Marcusse van der Baen. Hij heeft dit werk met alle mogelijke naarstigheid bij de hand genomen in de hoop en verwachting daarmee voor zijn huisgezin de kost te kunnen verdienen. Het blijkt echter dat hij onmogelijk van die hantering kan bestaan, 'omdat deselve door de hier wonende gareelmakers op een extra-ordinaire wijze wordt ondermijnd, ter oorzaak dat deze van gelijke touwwerk maken en dat naast hun gareelmakerswerk aan hun klanten weten te debiteren, zelfs voor een hogere prijs als waarvoor hij het verkoopt'. Hij betoogt dat het maken van touwwerk een vak op zich is en geen gevolg is van het gareelmaken en verzoekt hem het uitsluitende recht van het touwwerk maken te vergunnen of hem toe te staan het maken en leveren van lijkstroo voor de ordinaire prijs. Hij wil dan als tegenprestatie al het touwwerk aan de stadsklokken en uurwerken gratis leveren en onderhouden. Bovendien zal hij jaarlijks aan het weeshuis uitkeren een som van vijftig Carolus gulden. Het stadsbestuur besluit echter beide verzoeken van de lijndraaier af te wijzen.