Aanvulling? Meld het hier.
<<

Onderwijs (1727 - 1733)

Stadsschool

In april 1727 overlijdt Jacob Vermerris, de schoolmeester van de stadsschool en één van de voorlezers in de Hervormde kerk. Het stadsbestuur acht het gewenst de vacature in te vullen door een schoolmeester. Deze kan dan tegelijk fungeren als voorlezer in de kerk, waardoor zodoende twee vacatures door één persoon worden vervuld. Na verkregen toestemming van de kerkenraad wordt een advertentie in de couranten geplaatst. De nieuwe voorzanger zal een traktement ontvangen van honderd gulden per jaar. Als schoolmeester zal hij ontvangen een redelijk traktement met vrije woning, licht en brand, zoals vanouds gebruikelijk.

Er solliciteren verscheidene personen naar de vacature van stadsschoolmeester. Enkele sollicitanten hebben zowel in de Grote kerk als in de Kleine kerk op zondagen op proef voorgelezen en als voorzanger opgetreden. Onder hen is een zekere Gerrit Noom, schoolmeester te Middelburg, 'dewelke soo door het vertoonen ende besigtiging van sijne geschriften, als door het gehoor van deselfs voorlesen ende singen, bekwaamst sijnde voorgekomen'. Allereerst zal vernomen worden 'naar desselvs comportement, gedrag ende behandeling der schooljongens'. Daarna zal met hem over een traktement worden onderhandeld. Dit zal niet hoger zijn dan £ 33.6.8. Hij zal kinderen van 'luiden, die van den armen leven, voor niet ende sonder eenig maendgeld van deselve te genieten, moeten leeren lesen, schrijven ende cijfferen op soo eene maniere ende wijse als betamelijk is'. Het stadsbestuur besluit in juli 1727 Gerrit Noom te benoemen tot vaste stadsschoolmeester om binnen de stad school te houden om de jeugd te leren spellen, lezen, schrijven, cijferen en wat dies meer zij, op een traktement van jaarlijks 30 ponden Vlaams, vrije huishuur, een last turf en een vergoeding voor het transport van zijn meubelen van Middelburg naar Goes. Ook zal hij de kinderen van ouders die van de armen leven gratis moeten onderwijzen. Schoolmeester Gerrit Noom krijgt in juni 1732 een aanstelling tot binnenvader van het Burgerweeshuis te Middelburg. 'Gehoord het favorabel getuigenis van Pieter du Flo, tegenwoordig schoolmeester te Arnemuiden', besluit het stadsbestuur Du Flo tot Franse en Nederduitse schoolmeester van de stad aan te stellen op een traktement van £ 30 Vlaams, vrije bewoning van het huis en de school, daar nu Cornelis de Jager in woont, en een last turf per jaar. Hij is gehouden om de kinderen van onvermogende ouders gratis te onderwijzen.

Particuliere schooltjes

In deze periode zijn in elk geval schoolhouders Jan Persant, Abigael Looman, Maria Meijers, Maria Versole, Anna Margarita Haek, Quirina Huibregts weduwe van Jan Stortewagen, de weduwe van Andries van de Lede en de weduwe van Jan de Swarte. Ook Maria Bus mag vanaf 1727 school houden om de kinderen te leren spellen en lezen, mits zich regulerende naar het Reglement op het schoolhouden. En Maria Bernoelje, echtgenote van Cornelis van Ots, krijgt in 1730 toestemming om binnen de stad een school op te richten 'teneijnde de jonge kinderen te leeren spellen ende lesen'. Dit is ook het geval met Cornelia Melssen, weduwe van Francois van Hekeren. Zij krijgt toestemming om school te houden voor het onderwijzen van de jeugd in spel- en leesoefeningen. Ook de weduwe van Dignus Ribbe mag in 1732 'de jonge jeugd leren lezen, spellen en wat verder nodig is, mits sig regulerende naar de orders daar op gemaakt'.

Latijnse school

In april 1729 deelt burgemeester Annart het stadsbestuur mee dat de heer Johannes Gebhard Paldamus, praeceptor in de Latijnse school te Nimwegen, in de stad is gekomen. Deze toonde zich genegen om het rectoraatambt, door het overlijden van Johannes Stanislaus de La Motthe nu al twee jaar vacant, binnen de stad te bedienen. Tot nu toe is tevergeefs uitgezien naar een bekwaam persoon. Met de heer Paldamus wordt onderhandeld over het traktement en de emolumenten op basis van hetgeen De La Motthe genoot, zijnde per jaar £ 83.6 aan traktement en £ 14 voor brand en licht, samen dus £ 97.6 + de vrije bewoning van het rectorhuis en vrijdom van stedelijke accijnzen als vanouds. Over de bekwaamheid en kundigheid van Paldamus zijn gunstige berichten ingekomen van de curatoren.

Het stadsbestuur besluit tot rector aan te stellen de heer Joannes Gebhard Paldamus . 'Dog soo wanneer het mogte komen te gebeuren, hetwelk verhoopt werd van ja, dat den heer Paldamus, door deselfs bequaamheijd, soo vele kostkinderen kwame te krijgen dat hij mogte komen te vermeijnen dat de voornoemde veertien ponden Vlaams jarelijks voor vrije brand en ligt niet souden konnen toereijken, dat haar edelagtbaren alsdan bereijd sullen wesen om met hem over het vermeerderen van die jaarlijkse somme van veertien ponden in alle redelijkheid te handelen ofte anderszins aan hem het voornoemde vrije brand en ligt, in plaats van deselve veertien ponden Vlaams, jarelijks te geven'.

Al in 1730 overlijdt rector Paldamus. In zijn plaats dient zich aan Carolus Conradus Reits, praeceptor in de Latijnse school te Middelburg. Over hem is een gunstig getuigenis van zijn bekwaamheid en kundigheid in de talen ingekomen. Er kan met hem tot overeenstemming worden gekomen over zijn traktement en emolumenten. Het stadsbestuur stelt hem aan tot rector op een traktement van £ 125, waaronder is begrepen de brandstof en de verlichting, verhoogd met het emolument van het gewone minerval, vrije bewoning van het schoolmeestershuis en van de stedelijke accijns als vanouds.

In 1732 volgt burgemeester mr. Adriaan Isebree de overleden curator van de Latijnse school Christoffel Annart op. En omdat 'het getal der discipulen in voorseide Latijnsche schole eenigsins begint te accresseren en toe te nemen en haar agtbaren dienvolgende oordelen dat het niet ondienstig sal sijn nog eenige heeren tot curatoren van die schole te eligeren', benoemt het stadsbestuur ook tot curatoren secretaris Jacobus Keetlaar en mr. Cornelis Keetlaar, raden van de stad.

Franse school

Geschreven in den Hage op 10 december 1731 komt er een brief binnen van mr. Cornelis Keetlaar, raad en oud schepen van de stad. Hij schrijft 'dat ingevolge de hem verleende autorisatie, nader vermeld in de notulen van de 1e dezer (nb. deze ontbreken), hij met de jufferen Judith en Janneton de Maurice, thans binnen 's Hage woonachtig, tot het oprechten en houden van een Franse school voor jonge jufferen binnen deze stad was veraccordeerd en overeengekomen dat deselve sig ten dien eijnde aanstaende meij des eerstkomenden jaers 1732 metterwoon naar deze stad souden begeven onder genot van een jaarlijks traktement van tweehonderd Carolus guldens, vast staande voor den tijd van acht achtereenvolgende jaren'. Het stadsbestuur gaat hier graag mee akkoord. In juni 1732 komen de mademoiselles Maurice in de stad wonen om 'de jonge juffren in de Franse taal en allerhande handwerkselen te onderwijsen'. De stadssecretarissen krijgen opdracht om dit in de couranten bekend te maken. In mei 1733 wordt op verzoek van de mademoiselles Maurice besloten 'om nogmaals de notificatie aangaande de Franse jonge jufferschool alhier in de couranten te laten doen'. Daarnaast fungeert de stads Franse school van de Franse schoolmeester Cornelis de Jager. Hij ontvangt jaarlijks uit de stadskas een traktement van £ 16.13.4.