Aanvulling? Meld het hier.
<<

Openbare voorzieningen (1727 - 1733)

Klokkenspel

In 1730 overlijdt de klokkenist van de stad Reijaard van Sagen. Vanaf 1723 vervulde hij deze functie. Het stadsbestuur benoemt Willem Paret als nieuwe klokkenist op een jaarlijks traktement van £ 33.6.8. Hij moet hiervan een gedeelte uitbetalen aan Machalina Boutens, weduwe van de stadsbode Jacobus Landschot, 'uit oorsaak van hare benoodigdheijd'.

Kunstwerken

De heer Otto van Voorst vereert het stadsbestuur in 1727 met 'eenige seer kunstige met een penmes gedaene snijdingen, alle te samen in eene lijst gevoegd, ten einde om op de vertrekkamer van het stadhuis alhier te werden gehangen ende als een fraey stuk bewaerd'. Van Voorst wordt 'zo tot beloning van zijn moeiten en vacatiën in het doen van voornoemde snijdingen, als ettelijke onkosten gehad ende geleden, toegelegd eene somme van een honderd Zeeuwse rijksdaelders'.

Bank van lening

In januari 1728 kreeg Steven Poelman octrooi om voor twaalf jaar binnen de stad, met uitsluiting van alle anderen, in de daarvoor beschikbaar gestelde stadswoningen 'tafel ofte bank van leninge' te houden. Door met de bank van lening enigszins onverenigbare affaires is hij genoodzaakt het stadsbestuur te verzoeken hem daarvan te ontslaan. Hij verzoekt de bank gedurende de overige jaren van het octrooi op naam van Cornelis Steenaard te zetten. Hiermee gaat het stadsbestuur akkoord.

Openbare werken

De stadschatter Pieter Tromp deelt het stadsbestuur in 1728 mee 'dat er grote reparaties moeten worden gedaan aan de muur, komende aan het vak met water aan de westzijde van de brug op de kaai tussen de kaai en de klapbank'. Overwogen wordt 'dat dit vak zonder enige schade aan het vaarwater of elders toe te brengen zeer gemakkelijk zou kunnen worden gevuld, even gelijk als aan de oostzijde enige jaren geleden is gedaan'. Besloten wordt, om de voortdurende kosten van reparaties te voorkomen, dit vak met water te vullen om naderhand zodanige verdere voorziening te doen als nodig zal bevonden worden. Het stadsbestuur stelt in 1731 Maarten Franse, Quirijn Mus en Maarten Davids aan tot het zuiveren en schoonhouden 'van de stads zoete vesten van alle greuyen en vuiligheden, beginnende van d'osdane of het sogenaamde muurtje bewesten de 's-Heer Hendrikskinderenpoort tot voorbij de Oostpoort, mitsgaders ook het schoonhouden en maken der dry vaten of stadsputten als de Bijstermansput, de Schotteput en de Karnemelkseput'.

Begravingen

In maart 1728 geven de kerkmeesters hun bezorgdheid te kennen dat 'de grond ofte leijen van de Groote kerk door het openen ende toedoen van graven, om doden te begraven, soodanig ongelijk ende met laagten gevuld komt te werden, dat die een gantsche mismaektheijd ende moeijelijkheid in het passeren van den doorgang als elders, aan deselve kerke komt toe te brengen ende derhalve van de uyterste noodsakelijkheijd is, dat die graven tot een egale hoogte ende in allen deelen gelijkheyd werden gebragt'. Om dit in het werk te stellen zal een berekening van het aantal leistenen en wat dies meer zij worden opgesteld. De kerkmeesters en enige leden uit de magistraat (oud burgemeester Christoffel Annart en secretaris Adriaan van Oostee) krijgen opdracht tot het opstellen van een concept tot het verhogen of effenen van de grond in de kerk. De kosten daarvan zullen gedragen moeten worden door de eigenaren van de graven.