Aanvulling? Meld het hier.
<<

Zorg (1727 - 1733)

Gezondheidszorg

In het jaar 1732 heerst er een ernstige veeziekte en sterfte onder het hoornvee in de omgeving. Het stadsbestuur besluit de invoer van paarden en koeien van buiten het eiland te verbieden. In september komt het bericht dat deze ziekte niet alleen in naburige, maar zelfs in ver afgelegen landen al sinds enige tijd is opgehouden. Met volkomen gerustheid wordt deze resolutie dan ook ingetrokken.

Stadsdokters

Een van de stadsdokters, Christoffel Annaart, overlijdt in februari 1732. In deze vacature wordt voorzien door doctor Pieter Coomans. De andere stadsdokter is Marinus Canisius.

Apothekers

Pieter Ossewaarde legt in 1732 zijn apothekersproeve af. Als commissarissen namens het stadsbestuur treden daarbij op dokter Jacob Coomans en Jacobus Dominicus. De dekenen van het gecombineerde chirurgijns- en apothekersgilde, Pieter Ossewaarde, Pieter Hallewaard en Hendrik van Holst, verzoeken het stadsbestuur in 1733 om Jacob Coomans te gelasten zich van de aan zijn huis gehouden apotheek te ontdoen en uit zijn woning te verwijderen. Ze wijzen op de Ordonnantie van het gilde, waarin staat dat niemand tot het afleggen van de proeve wordt toegelaten, tenzij hij drie jaar bij een vrijmeester in de leer is geweest. Na het inwinnen van advies bij de stadsdoctor Pieter Coomans besluit het stadsbestuur het verzoek van de dekenen van het gilde ongegrond te verklaren.

Chirurgijns

In 1727 geven de dekenen van het chirurgijns- en apothekersgilde het stadsbestuur te kennen dat eerstdaags door een zekere Van der Holst uit Middelburg in het gasthuis een chirurgijnproeve zal worden gedaan. Van der Holst is voornemens zich te Goes te vestigen. Ze verzoeken een delegatie af te vaardigen om de proeve bij te wonen 'soo als vanouds gebruikelijk is'. Als afgevaardigden treden op de regerende burgemeester Marinus Drywegen en de pensionaris-honorair mr. Mattheus Eversdijk.

De dekenen van het gecombineerde chirurgijns- en apothekersgilde laten in april 1727 opnieuw van zich horen. Ze betogen dat, ofschoon aan hun voorzaten op 5 januari 1650 is verordend 'dat niemand binnen de stad de chirurgie of pharmacie mag uitoefenen voor en aleer hij over zijn bekwaamheid daartoe zij geëxamineerd en gedaan hebben een zekere proeve, zij echter tot hun leedwezen en merkelijk nadeel komen te ondervinden, dat door sommige ten hoogsten, in prejuditie van voornoemde concessie, wierde gehandeld en wel bijzonderlijk door zodanigen dewelke haar voor drogisten uitgevende, des niettegenstaande zonder enige proeve gedaan te hebben, zowel als de apothekers self, de ordonnantie van de respectieve doktoren ontvangen, het daarin voorgeschrevene prepareren en hetselve, zowel als andere verdere gemengde medicijnen alleen tot de apotheek behorende, verkopen en afleveren'. Ze pleiten er voor 'dat geen drogisten enige andere medicijnen of medicamenten zullen mogen prepareren, afleveren of verkopen, als alleenlijk simplicia of ongemengde'. Het stadsbestuur besluit 'dat van nu voortaan niemand de pharmacie zal vermogen te exerceren als nadat hij tot apotheker in dit gilde zal zijn aangenomen en voor vrijmeester in die konst verklaard, mitsgaders daartoe zijn proef of promotiebrief verkregen en aan het recht van hetselve gilde voldaan hebbe'.

De dekenen van het chirurgijns- en apothekersgilde geven er in juni 1732 kennis van 'dat eerstdaags door Adriaan Huijsman in het gasthuis een chirurgijnproeve zal worden gedaan'. Ze verzoeken twee leden uit de magistraat aan te wijzen om de proeve bij te wonen. Bij loting worden aangewezen Pieter de Vroe en mr. Pieter Parker.

In 1733 onderzoeken de stadsdoctoren Pieter Coomans en Marinus Canisius de bewering van de chirurgijn Pieter Hallewaard. Deze is door de boekhouder van het gecombineerde chirurgijns- en apothekersgilde van het verkopen van gecomponeerde medicamenten beschuldigd. Hallewaard meent dat hij op grond van de chirurgijnproef recht heeft en bevoegd is 'de praktijk der medicijnen over inwendige krankheden te exerceren'. Er is met hem niet te praten over het verkopen van gecomponeerde geneesmiddelen. Beide doctoren 'voeren met krachtige redenen de nulliteit en absurditeit van de redenen van Hallewaard aan'. Ze verwijzen naar het verbod van 9 juni 1603, waarbij baljuw, burgemeesters en schepenen met nadruk en met redenen hebben verboden 'dat voortaan geen chirurgijn, pharmacijn, barbier, quakzalver of ander aan iemand binnen de stad zal vermogen enige raad te geven of enige medicamenten in inwendige krankheden op eigen autoriteit te exhiberen'. Het stadsbestuur besluit het verbod van 1603 opnieuw vast te stellen en met nadruk te bepalen 'dat voortaan geen pharmacijn, chirurgijn, quakzalver en alle ongegradueerde personen aan iemand binnen de stad en jurisdictie zal vermogen enigerhande raad te geven of enige medicamenten in inwendige krankheden op eigen autoriteit te exhiberen'. Ook bepaalt het stadsbestuur dat, wanneer voortaan vreemde of jonge dokters zich in de stad vestigen, deze geen praktijk van de medicijnen zullen mogen uitoefenen alvorens hun diploma aan het stadsbestuur is voorgelegd.

Vroedvrouwen

In 1730 overlijdt de stadsvroedvrouw Helena Suurmond. In december 1732 is het nog steeds niet gelukt in de vacature te voorzien. Omdat zich niemand heeft aangemeld wordt in de publieke couranten een advertentie gezet. Het stadsbestuur benoemt daarop de sollicitante Janna Pattenier, gewezen vroedvrouw te Middelburg, op een traktement van £ 25 per jaar. En omdat de andere vroedvrouw, Cornelia van de Putte, maar een jaarlijks traktement van 100 gulden geniet, wordt ook haar traktement verhoogd met 50 gulden, zodat ook zij £ 25 Vlaams per jaar ontvangt. In 1733 klaagt de korte tijd geleden aangestelde vroedvrouw erover dat Petronella Gorsse, huisvrouw van Jan de Lamaire, en Maria Versole optreden als vroedvrouwen. Het stadsbestuur verbiedt hen dit nadrukkelijk.

Gasthuis

In 1728 overlijdt de buitenregente van het gasthuis, de weduwe van Nikolaas van de Leene. In haar plaats komt Cornelia Wils, echtgenote van Adriaan van Oostee, schepen, raad en secretaris van de stad. Ook in 1732 overlijdt een buitenregente van het gasthuis, Cornelia de Groene weduwe van mr. Cornelis Eversdijk. Haar plaats wordt ingenomen door Geertruijd van Damme, echtgenote van de regent Francois de Keijser. Dit jaar neemt Joanna Rose, echtgenote van Jacob Oudorp, vanwege haar langdurige onpasselijkheid ontslag als buitenregente van het gasthuis. In haar plaats komt Cornelia Drywegen, weduwe van de heer Petrus de Meijer, schepen en raad van de stad.

Oude mannenhuis

In 1732 overlijdt de buitenregent van het oude mannenhuis doctor Christoffel Annart. In diens plaats komt burgemeester Boudewijn Verselewel. Tevens wordt tot buitenregente van het huis in de plaats van Catharina van der Straten, weduwe Van der Plas, verkoren Margarita van der Lugt, weduwe van Pieter Hobius.

De buitenregenten van het oude mannen- of proveniershuis luiden in april 1733 de noodklok over de erbarmelijke financiële toestand van het huis. Al enige jaren hebben ze het stadsbestuur in kennis gesteld van de deplorabele toestand van de financiën. Het huis heeft aan middelen nog maar £ 2.000. Ze zijn niet meer in staat het jaarlijks onderhoud (dit bedraagt jaarlijks ongeveer £ 1.300) langer als nog anderhalf jaar te doen. Ze verzoeken een fonds in te stellen waardoor het manhuis verder gaande gehouden kan worden. Het stadsbestuur oordeelt het 'van een inevitable noodzakelijkheid om sufficiënte middelen te beramen om het huis weer aan de gang te houden'. Ernstig beraadt men zich over de grote lasten die de stad van het huis nu en in het vervolg te wachten heeft. En dan valt het historische besluit om het oude manhuis uit te laten sterven. In het vervolg zullen geen personen tot proveniers in het huis, voor hun leven lang, meer mogen worden ingenomen.

'Na serieuze deliberatie hoe en op wat wijze de totale ruïne van het huis zou kunnen worden geëviteerd', besluit het stadsbestuur dat in de twaalf eerstkomende jaren, 'alzo gepresupponeerd wordt dat de personen die tegenwoordig in het huis en ten meesten deele van hoge bejaardheid zijn, binnen dien tijd zullen wezen overleden', door de gehele raad zal worden opgebracht en aan de buitenregenten gegeven een kapitale som van £ 12.600 Vlaams, te weten op 1 juli 1733 door de elf eerst in rang zijnde raden samen £ 1.100, op 1 juli 1734 door de tien laatste raden samen een kapitale som van £ 1.000, op 1 juli 1735 wederom door de elf eerste raden samen £ 1.100 en zo tot het einde van het twaalfde jaar, dit op een rente van 3%. Ieder opvolgend lid van het stadsbestuur zal niet in zijn bediening kunnen treden alvorens gebleken is dat hij de kapitale som aan zijn voorganger heeft terugbetaald.

Weeshuis

In 1727 verkopen de buitenregenten van het weeshuis 1 gemet en 276 roeden land in Baarsdorp aan de heer Huibregt Eversdijk en 1 gemet en 106 roeden wei aan de heer Johan Oostdijk. Ook in 1731 verkopen de buitenregenten, met instemming van het stadsbestuur, 'uit overweging van de geringheid der parthien, alle met andere landen gemein leggende, de moeijelijkheden daer door gestadig ontstaande, de seer geringe jaarlijks daer af en van sommige geheel niet geprofiteerd werdende inkomsten ende de favorabele daer voor alsnu bedongen koopprijsen', aan de predikant ds. Burchardus Jacobus Reinink 0 gemeten en 144 roeden land gelegen in 't vroonland van Capelle in den Moolhoek.

In april 1732 vindt er weer een grondtransactie plaats. De buitenregenten verkopen dan aan de heer Johan Oostdijk zekere 8 gemeten en 74 roeden land gelegen in de heerlijkheid van Baarland in Quijkost en Onze Lieve Vrouwestelle. Daarnaast kopen ze van de heer Oostdijk als ontvanger van de goederen van de Graaf van Rupelmonde zekere 1 gemet en 150 roeden wei, gemeen met een wei van de armen en gelegen in Baarsdorp in Poelhoek. Ook kopen ze van Francois de Keijser zekere 1 gemet en 5 roeden wei in 's-Heer Abtskerke. Het stadsbestuur keurt deze grondtransacties goed.