Aanvulling? Meld het hier.
<<

Algemene toestand (1734 - 1739)

Uit de notulen van de extra-ordinair bijeen geroepen vergadering van het stadsbestuur op 14 september 1734 blijkt een merkwaardige gebeurtenis! Gedelibereerd wordt over de stand van zaken binnen de stad 'ter occasie van de extra- ordinaire en bekende beweging van de 21e juni, bijna tot een volkomen oploop en plundering van diverse gebouwen en huizen en het bedrijven van andere wandaden, daaraan doorgaans eigen, uitgeborsten, en daar van niet anders als door de subiete maatregelen van haar edelachtbaren daar tegen genomen en het verzoeken van militie binnen deze stad, afgewend'. Ook wordt gesproken 'over hetgeen tot volkomen herstelling van een gewenste rust alhier, die eerst wederom allengs, met het blijven werkstellig maken der daartoe nodige middelen schijnt te kunnen worden tegemoet gezien en het voorkomen van diergelijke en andere onheilen, die deze stad zo bij voorvallen van dusdanige natuur als gevreesde oorlogen zouden kunnen treffen, diende te worden gedaan'.

'En in overweging genomen zijnde dat de voornoemde buitengewone beweging ten eene maal derselver oorsprong heeft gehad uit de bijgelovigheden van die van den Roomsen godsdienst, waaruit te meer malen in vorige jaren extra-ordinaire troubles, oplopen en plonderingen binnen dezen eiland zijn ontstaan. Dat binnen deze stad en eiland zich een zeer grote menigte belijders van deselve godsdienst bevinden. Dat dit eiland is van een groote etendue, die van alle de andere Zeeuwse eilanden, ieder in het particulier, verre te boven gaande ende sig jaarlijks van het begin tot het einde van de somer in het zelve een seer groot getal Brabantse en Vlaamse arbeiders van de Roomse godsdienst bevinden, die met de voorseide inwoonders van denselven godsdienst zig conjugerende, het getal van de belijders van de gereformeerde religie zouden kunnen egaliseren en mogelijk somtijds te boven gaan en vervolgens gestadig en ten allen tijden te vreesen is, dat deselve sig op hun getal verlatende, het zij uit wraakzucht over vorige voorvallen, hetzij op gronden van derselver geavanceerde bijgeloovigheden, nooyt sullen aflaten bij allerhande gelegenheden, die tot derselver oogmerken dienstig souden mogen agten, gevreesde bewegingen te verwekken, die menigwerf, omme aangehaalde redenen, waarvan de nadruk door den aanwas van die van de meergenoemde Roomse religie ende het gestadig meerder en meerder in het land komen van voorseide arbeiders, jaarlijks vermeerdert, van soo min quaden uitslag voor die van de belijders der hervormde godsdienst als de laatste en vorig gepasseerde niet zouden zijn. En al was het schoon dat diergelijke niet quamen voor te vallen, de gemoederen van het gemeen van die van den evengemelde hervormde dienst egter deswegens te allen tijde met achterdocht en vreese beset zijn, die van hunne zijde ten opzichte der andere, insgelijks gestadige verbittering, oproerige bewegingen ende, bij het minste voorval, verwoede driften van een seer te vreesen uitwerking, soo als de ervarentheid jongst heeft geleerd, voortbrengen. En deselve niet beter zijn te brengen tot een volkomene bedaardheid ende toestand omme van hunne zijde voor diergelijke in het vervolg te wezen buiten bekommering als met het beramen en in het werk stellen van zodanige middelen die hun achterdocht en vrees kunnen benemen, ten minste gerust voor enige kwade uitwerking stellen.

Dat verder dit eiland sedert de laatste oorlog geraakt zijnde in een veel erger situatie als gedurende deselve ooit is geweest, als doen door de Polder van Namen ende militie en uitlegger aan die kant gehouden, aan desselfs oostzijde ten enenmale gedekt geweest zijnde, alsnu sedert het inunderen van voornoemde polder en vervolgens het aldaar niet houden van enige militie ofte uitlegger aan voorseide zijde, ten enenmale is ontbloot en openleggende, en vervolgens niet alleen te vrezen maar als zeker te houden dat bij voorvallen van oorlog, waarvoor ons God almachtig behoede, doch die bij de tegenwoordige conjunctuur en verwarde toestand van zaken in Europa, daar reeds verscheidene mogendheden werkelijk in oorlog zijn en buiten een gewenste assopiatie de saken mogelijk tot dat uiterste zouden kunnen komen dat den Staat zich niet langer bij deselfs gecontracteerde neutraliteit zoude kunnen mainteneren, hooglijk te duchten is; de meergenoemde oostzijde van dit eiland, als ten enenmale weerloos, gestadig door sloepen met gewapende manschappen soude werden overvallen, uitgeplonderd ende de dorpen en hofsteden verbrand, ofte onder sware contributie gesteld ende de stad selfs niet buijten gevaar voor diergelijke entreprises en overvallen soude sijn: dat vervolgens de voorsigtigheid vereijsende omme daar omtrent, soo als nu t sedert ettelijke jaren, niet langer te blijven in een stille gerustheid, die soo dangereuse gevolgen soude konnen na sig slepen, ende soo in opsigt van dit als het eerste lid deser deliberatie, haar edel achtbaren geen salutairder en sekerder middel voorkomende, ende, buijten alle dispuut, soo als deselve vermeijnen sijnde, dan het alhier in garnisoen houden van enige militie'.

Het stadsbestuur besluit, 'na serieus overleg, op grond van het vorige en andere redenen van geen minder consideratie, welke haar edel achtbaren onnodig oordelen hier alle te melden, de gedeputeerden ter staatsvergadering te gelasten, bij overlegging van een extract dezes, haar edelmogende Staten dezer provincie te verzoeken ter vergadering van haar Hoogmogende Heren Staten-Generaal alle ernstige instantiën te doen en die directie te doen houden dat ten minste twee compagnieën infanterie, waarmee haar edelachtbaren verhopen alle gevreesde onheilen te zullen kunnen voorkomen, mogen worden gedeprecieerd omme alhier, op den voet van andere steden dezer provincie, in welke bezettingen zijn leggende, voor het toekomende derselver vast garnizoen te houden, en dat ondertussen, hangende de deliberatiën deswegens, het patent aan de twee compagnieën infanterie, thans alhier gedetacheerd tot herstel der getroubleerde ruste door de voorgemelde bewegingen, mag worden verlengd voor de tijd van drie maanden, tot hoelange hetselve alleen op deselve is verstrekt, tot dat de voornoemde deliberatiën finaal sullen wezen geëindigd'.

In juni van dit zelfde jaar 1734 ontvangt de stad van Gecommitteerde Raden van Zeeland, aangevoerd per schip, tot voorkoming van gevreesde bewegingen 2000 ponden buskruit, 300 ponden lont, 430 ponden loot uitmakende circa 7000 kogels en 200 snaphanen. Dit houdt verband met wat het stadsbestuur aan de regering van Antwerpen schrijft: "Omtrent den laatstgepasseerde Sint Johannis dag alhier onder het gemeene en redeloose graauw een gevaarlijke en seditieuse beweginge jegens onse onderdanen en ingesetenen van de roomse religie ontstaan zijnde, die wij niet anders als door het in onse stad doen komen van seker aantal militie enigszins hebben konnen doen bedaaren".