Aanvulling? Meld het hier.
<<

Economische bedrijvigheid (1734 - 1739)

Brouwerijen

De brouwers van de vier brouwerijen in de stad (Marinus Lurkus van 'de Gans', Marcus Buker van 'de Fortuyn', Johannes de La sable van 'de Wereld' en Jan Verschuijl van 'het Witte Claverblad') dienen in augustus 1734 een klacht in. De impostmeester Nicolaas Paret en de controleur Frederik Cats hebben in juli en augustus, inplaats van 's morgens van 5 tot 12 uur en 's middags van 1 tot 7 uur, op het biercomptoir (kantoor) zitting gehouden van 's morgens 9 tot 12 en 's middags van 2 tot 4 uur. Sinds enige tijd weigeren zij buiten deze tijden enige biljetten af te geven. Beide ambtenaren betogen dat er geen noodzaak was de hand te houden aan de voorgeschreven tijden. Het stadsbestuur besluit de brouwers op te dragen, zoveel in hun vermogen ligt, hun bieren op het comptoir, ten tijde als de impostmeester en controleur daar aanwezig zijn, te laten verimposten. De impostmeester en de controleur krijgen opdracht om in noodgevallen buiten deze tijden 'na sonsop- en voor sonsondergang de voorseide brouwersbiljetten af te geven'.

In juni 1738 overlijdt Marinus Lurkus, sinds 28 jaar brouwer en azijnmaker in de brouwerij 'de Gans'. Het stadsbestuur verleent de sekwesters van de nagelaten boedel toestemming om de bier- en azijnbrouwerij te verkopen. Wel heeft de koper de vrijheid de azijnmakerij al dan niet voort te zetten. De brouwerij wordt overgenomen door Bernard Rimmers voor 'een considerabele som'.

Wijnnering

In 1734 krijgt Paulus Verschuijl vergunning om in het huis van z'n dochter Catharina, weduwe van Willem Nolet, aan de westzijde van de kaai (Turfkade 17), op haar naam en tot haar profijt de wijnnering te doen. Later in het jaar krijgt hij toestemming 'om zijn dochter Catharina, die hoe langer hoe meer krankzinnig wordt, te Middelburg te stellen onder opsigt en bewaring, en, is't nood, de sterke hand te bieden'. Petrus van Cuylenburg en Abraham Pater mogen in 1736 allerhande wijnen verkopen als vrij wijnkoper en in 1739 krijgt de uit Nisse afkomstige Jasper van der Stelle vergunning om de wijnkopersnering binnen de stad te doen.

Het stadsbestuur besluit in 1737, tot voorkoming van fraudes die in de tapperaccijns kunnen voorkomen, alle vrije wijnverkopers te verbieden aan enige herbergier binnen de stad wijn bij de pullen te verkopen of uit te leveren.

In augustus 1737 ontstaat er een geschil tussen de wijnverkopers aan de ene en de herbergiers en tappers aan de andere zijde. De herbergiers en tappers klagen over 'het setten van gelagen en het uitschenken van wijn bij de kleine maat ten haren huise door de vrije wijnverkopers'. En de vrije wijnkopers protesteren tegen 'het leveren en verkopen van wijn en sterke dranken, zo bij de grote als kleine maat, buiten hun huizen door de tappers en herbergiers'. Deze 'beide excessen zijn seer doorgebroken'. Het stadsbestuur besluit de vrije wijnkopers nogmaals met nadruk te gelasten 'zich punctelijk te reguleren en te gedragen naar haar edelachtbarens resolutie te dien opzichte, reeds in het jaar 1686 genomen en gepubliceerd en vervolgens zich van het houden van enige drank gelagsgewijze te schenken, gelijk ook iedereen, om deselve aldaar op die wijse te consumeren, geheel en al te wachten'. Aan de andere kant wordt de herbergiers en tappers gelast 'zich wel expresselijk te onthouden enige andere wijn of sterke drank bij de grote of kleine maat uit te leveren of te verkopen als die effectievelijk binnen hun huis wordt geconsumeerd en zich dus insgelijks in alles te gedragen conform haar edelachtbarens resolutie, mede te dien opzichte op 13 april 1716 gearresteerd'.

Opnieuw blijkt in februari 1738 dat verscheidene wijnkopers en herbergiers 'zich onderwinden wijn bij de pullen uit te leveren en te ontvangen'. Allen worden aangeschreven zich strikt te houden aan de resolutie van vorig jaar. De wijnkoper die hiermee in strijd handelt zal een jaar en zes weken zijn winkel moeten sluiten zonder dat het toegestaan zal zijn enige nering te doen. Als het een herbergier betreft 'zal hem voor altoos het doen van diergelijke nering worden ontzegd'.

Zoutnering

Het stadsbestuur stelt in 1734 een nieuwe Ordonnantie voor het panneluidengilde vast. Dit reglement geeft inzicht in de gang van zaken binnen de zogenaamde pannering. Enkele artikelen luiden:

Artikel 1

In het verkopen of afleveren van wit zout, volgens een oud gebruik, zal deze ordre worden onderhouden, dat men aan de Brabantse, Vlaamse of andere koopluiden zal geven op ieder honderd wit zout twee vaten voor de Brabantse conditie. En soo enig sout in het meten komt te storten, zullen de meters of bijleggers aanstonds het selve moeten suppleren. En so wie enig zout meerder als de hier voor gesegde vier vaten op ieder honderd komt te geven, direct of indirect, zal verbeuren vijftig guldens iedere reis. En ingeval zulks buiten kennis van de pannebaas of vrouw door de vrogten mocht worden gedaan, zal zo een vrogte, zo lange de boete niet betaald is, tot geen gemeen werk aan deze nering mogen worden gebruikt en zal de boete verdeeld worden een derde voor de aanbrenger en twee derde voor de geïnteresseerde pannebazen.

Artikel 2

Alle panneluiden zullen in hun zoutketen hebben hangen en daar steeds vast in gereedheid houden, tot ieder pan zes lederen emmers, twee brandladders, een van twaalf en een van omtrent dertig sporten, en een hoornen lantaarn met licht daar toe, op pene van vijf schellingen op ieder perceel, dat in ieder keete niet sal bevonden worden; waarvan de dekenen onderzoek en visitatie zullen mogen doen tot allen tijden als hun sulks zal gelieven.

Artikel 3

Alle pannebazen of -vrouwen zullen gehouden zijn hun vrogten wel scherpelijk te verbieden enige turf meerder voor de monden van de ovens of rondom de pannen te brengen 's avonds, als zij die nacht onderwerpen moeten, noch heeten assche (veel min daar nog eenig vuer in is) uijt te dragen ofte immers daar niet vandaan te gaan voordat het alles is uitgeblust, op pene van vijf schellingen iedere reise, als sulks bevonden wordt, te betalen bij de pannebaas of -vrouw, hunne actie gereserveerd tegen hunne vrogten.

Het stadsbestuur van Zierikzee verzoekt in 1734 om toezending van de maten 'soo van grof als fijn zout, alhier in gebruik'. Dit verzoek wordt ingewilligd en de zoutmaten worden ten spoedigste aan de heren van Zierikzee overgezonden.

De dekenen van het schippersgilde geven in 1735 te kennen dat de schippers, die geen vaste beurt binnen deze stad hebben, bij toerbeurt het grof zout uit de hoekerschepen moeten lichten. Er is niet geregeld welk vast loon per honderd moet worden betaald. In Zierikzee betaalt men voor het lichten van 100 vaten zout uit de hoekerschepen zes gulden. De dekenen verzoeken het lossen in Goes te stellen op vijf gulden per honderd vaten. Het stadsbestuur constateert dat nu ongeveer twaalf jaar geleden met de in die tijd van deze stad varende schippers is overeengekomen, dat ze voor het lichten per honderd vaten zullen ontvangen vier gulden, hetzij dat het zout moet worden gehaald van de Schelde, het hoofd of de boom, maar indien ze het van het Sloe moeten brengen vijf gulden per honderd vaten. Besloten wordt de schippers 'als nu toe te leggen voor het lichten van honderd vaten uit de hoekerschepen, voor zoveel hetselve moet gehaald worden aan gene zijden van de inlaag aan de Cloetingse zeedijk en van 's Heer Arendskerke, de som van vijf gulden en aan deze zijde van die plaatsen maar vier gulden'.

In 1736 overlijdt de zoutkeeteigenaar Johan Oostdijk, gehuwd met Maria van Daalwijk. Hij had 3/8 parten in een zoutkeet met drie zoutpannen aan de oostzijde van de haven. De wezen krijgen toestemming om hun aandeel in de zoutkeet aan de meestbiedende te verkopen.

Het stadsbestuur besluit in 1737 op verzoek van de zoutkeetbazen toestemming te geven om bij de meestoof 'de Zon', de zogenaamde Sonstove, een huisje te bouwen voor de brandspuit voor de veiligheid van de zoutketen en meestoven.

In juni 1737 maken de generale brandmeesters groot bezwaar tegen het stoken van vuur bij of in de zoutketen en het daar deponeren van de as. Het stadsbestuur besluit de bewoners van de keten (die ook voor hun bedienden zullen moeten in staan) te verbieden voortaan vuur te stoken buiten de keten, ook niet aan of bij de pannen, maar alleen in de huisjes die door hen gebruikt worden. Als geconstateerd wordt dat iemand hiervan afwijkt, zal hij in geen geval meer 'de teerling mogen roeren' of enig werk, hetzij in de keten of daar buiten, als arbeider van het Sint Jansgilde mogen doen. Verder verbiedt het stadsbestuur Pieter van der Helk en Cornelis Coutsijn om de as uit hun keet ter plaatse daar dit nu geschiedt uit te gieten. In het vervolg moet de as enige treden van genoemde plaats beneden de dijk worden geworpen.

In april 1739 krijgen Jacob de Jongh, Marinus Arendse en Meerten Antonisse vergunning 'om op de ledige plaats voor hun zoutkeet te mogen maken een nieuwe soutdenne'. Deze zoutkeet hebben ze onlangs gekocht. De vorige eigenaar heeft met zeer weinig voordeel de zoutnering daarin gedreven. Ervaren zoutkeetbazen oordelen dat dit veroorzaakt werd omdat er geen voldoende plaats in deze zoutkeet was om grof en fijn zout te leggen. Door het timmeren van een nieuwe zoutden 'wordt niemand hierdoor benadeeld, de haven niet ontcierd, maar enigszins vercierd door een nieuw getimmerte en voornamelijk naar alle schijn de welvaart van deze zoutkeet bevorderd'.

Niettegenstaande dit verscheidene malen streng is verboden, blijkt in april 1739 'dat de meeste arbeiders van het Sint Jansgilde in het dragen van zout en turf in de keten en stoven sig niet ontsien het roken van tabak bij continuatie uit te oefenen, waardoor zeer licht zodanige brand zou kunnen ontstaan dat bijna de stad en ingesetenen daar door zouden kunnen wezen geruïneerd'. Het stadsbestuur besluit 'zoveel in haar vermogen ligt alle middelen die brand zouden kunnen veroorzaken weg te nemen en te weren en zodanige kostbare panden te conserveren en daarom bij alle vorige resoluties te persisteren en alsnog alle arbeiders van het Sint Jansgilde wel scherpelijk te verbieden om zowel in als omtrent de keten en stoven bij gelegenheid van het dragen van turf en zout voortaan enige tabak te roken. Die zulks komen te onderwinden en daarop betrapt worden, zullen de eerste reise het roeren van den teerling voor de tijd van zes weken verboden worden'.

Meekrapnering

Er komt in december 1736 een einde aan het bestaan van de meestoof 'de Hoop', ook wel genoemd 'de Hopestove', gelegen aan de westzijde van de haven. De portionarissen van de Hopestove verklaren 'dat ze het ongeluk hebben gehad van nu kortelings door een vehemente en onuitblusbare brand het voornaamste gedeelte van de stove te verliezen'.

De stadsrekening vermeldt hierover een uitgaaf aan 'de arbeiders die de brand hebben helpen blussen aan de Hoope stove, in brand geraakt en vervolgens, na alle gedane moeite, voor een groot gedeelte verbrand zijnde, en aan 12 man die de daarop volgende nacht bij de stoof hebben gewaakt £ 8.13'. Ze hebben in alle ernst hun gedachten laten gaan over de wederopbouw van de meestoof. Doch de grote kosten daarvan, de deplorabele toestand van de meekrapnegotie en het genoegzaam hopeloze vooruitzicht van enig gewenst herstel 'noodzaken hen te concluderen dat de opbouw niet anders als tot derselver grote schade soude verstrekken en vervolgens te besluiten het nog overgeblevene van deselve stove mede te doen afbreken en verkopen'. Op hun verzoek besluit het stadsbestuur hen vrij te stellen 'voor altoos' van de 200e penning.

Gecommitteerde Raden van Zeeland schrijven in 1738 de stadsbesturen van de plaatsen waar meestoven zijn, dat de gevrogten van de meestoven, zoals keurmeesters, drogers, stampers, ondermannen en drijvers, beëdigd moeten worden, dit overeenkomstig het plakkaat van de Staten van Zeeland van 28 april 1733 op het meekrapreden vastgesteld. De stadsboden krijgen opdracht het personeel van de meestoven aan te zeggen 'binnen acht dagen de eed te komen presteren'.

Molenarij

Boekweitmolens

De boekweitmolenaars, Elias Joël en Maria Verstrate, weduwe van Levinus van Noord, richten zich in 1735 tot het stadsbestuur. Ze betogen dat het octrooi, hen en hun voorgangers verleend, om met uitsluiting van alle anderen binnen de stad een boekweit- en gortmalerij te houden, eind 1737 afloopt. Vanwege 'de extra-ordinaire kostbaarheid van hun molens, die door het stichten van nieuwe merkelijk zouden declineren, zouden ze gaarn van een nieuw octrooi voorzien worden'. Ze verzoeken verlenging voor opnieuw veertien jaar, dit zonder nadeel toe te brengen aan de gortmolenaar op het Ravelijn de Grenadier, Steven Poelman. Het stadsbestuur besluit hun octrooi alleen voor de tijd van zeven jaar te verlengen met uitsluiting van alle anderen binnen de stad. Het gaat hier om de boekweitmolen in het pand 'de Hazaert' aan de Sint Jacobstraat nummer 52.

Gerst- en gortmolens

In mei 1737 komt er een verzoekschrift bij het stadsbestuur binnen van de eigenaar van de pel- en gortmolen op het Ravelijn de Grenadier, Steven Poelman. Hij betoogt dat het stadsbestuur bij resolutie van 24 april 1736 tot instandhouding en profijt van de pel- en gortmolens in de stad verboden heeft het inbrengen van gepelde gerst, parelgerst, ressel of gort, gemaakt van gerst of boekweit, dat van buiten de geünieerde provincies en het ressort van de generaliteit wordt ingebracht. Daarvoor zou ten profijte van de pachter van 't gemaal moeten worden aangegeven en betaald, boven het biljetgeld, de dubbele impost op de boekweit geheven. In alle Zeeuwse steden, behalve te Goes, wordt hieraan de hand gehouden. Goes is de enige stad in Zeeland waar die goederen zonder enige belasting kunnen worden ingevoerd. Dit leidt op deze wijze tot de totale ruïne en ondergang van zijn pel- en gortmolen. Het stadsbestuur besluit Gecommitteerde Raden in kennis te stellen van de redenen waarom hun resolutie te Goes niet wordt nageleefd.

In 1739 beklagen de boekweit- en gortmalers binnen de stad, Elias Joël, afkomstig uit Wackene, en Marinus van Rosmale, afkomstig uit Bergen op Zoom, zich erover dat Mattheus Kakebeke, boekweit- en gortmaler te Cloetinge, 'de winkeliers te Goes zodanige kwantiteit van meel, gort en cornel komt te verkopen dat zij genoegzaam geen debiet aan deselve meer hebben, als kunnende Kakebeke, nademaal zulk kostbaar pand als waar ieder van hen mee is belast niet hebbende, voor minder prijs leveren dan zijzelf'. In verband met de kostbaarheid van hun panden verzoeken ze Kakebeke het verkopen of inbrengen van enig boekweitmeel, gort of cornel binnen stad en jurisdictie te verbieden. Het stadsbestuur neemt hun verzoek over en besluit Kakebeeke uitdrukkelijk te verbieden enigerlei boekweitmeel, gort of cornel binnen de stad te verkopen. Tevens worden de winkeliers die zich generen met de verkoop van boekweitmeel, gort of cornel gelast dergelijke waren van Kakebeke niet te kopen of in te slaan.

Oliemolens

De eigenaren van de dubbele oliemolen 'de Dubbele Arent' op het noordoostelijke bolwerk buiten de Bleekveldse Poort, Jacob de Jongh en Maarten Antonisse, verzoeken in 1739 tot facilitering van hun negotie om de olmenbomen, staande boven op de dijk en beginnende vanaf 's lands schuur tot aan de oliemolen, aan hen te verkopen.

Hun oliemolen komt gedurig te lijden door de groei en opgang van de olmenbomen. Dit heeft tot nadeel dat de molen met een zuidenwind niet kan malen, zodat deze gedurig in het jaar moet stil staan, waardoor de olie niet geleverd kan worden die zij anders zouden kunnen verkopen. Maar vooral is het probleem dat, wanneer de zuidelijke wind sterk waait, 'de valwinden over deze bomen soms zo sterk komen heen te rollen dat de oliemolen dikwijls in gevaar is in de brand te malen door de snelle voortgang die deze dan komt te maken. De wind in de bomen smorende, slaat de molen weer stil en dan boven de bomen dat alles schijnt te zullen breken en in den brand vliegen'. Ze krijgen toestemming de bomen te laten uitslaan en te verkopen. Uit de verkoop van de 77 olmen komt een bedrag van 18 schellingen per stuk.

Beurtschippers

Begin 1735, ter gelegenheid van het verlenen van toestemming voor het inspecteren of kloppen van de beurtschepen en het loten naar de veren van Rotterdam en Dordrecht, besluit het stadsbestuur het veer op Amsterdam, 'waarnaar nu sedert enige jaren als een wisselbeurt niemand genegen is geweest te loten', vacant te verklaren. Het beurtveer moet worden bediend op grond van de oude orders zoals dit altijd is waargenomen geweest. De beurtschipper zal verplicht zijn viermaal per jaar 'deselfs terugreis, tot gerief van iedereen, van Amsterdam te nemen over Utrecht'.

Er is in 1735 sprake van concurrentie en broodnijd tussen de beurtschippers. Dat blijkt uit het volgende voorval. Enige beurtlieden en schippers, varende van Goes op Rotterdam en andere plaatsen, geven het stadsbestuur te kennen dat Marinus de Vos een zekere Hermanus Heijks heeft afgehuurd om voor hem granen in Zuid-Beveland te laden en naar Holland te vervoeren. Deze Heijks heeft nu, enige granen voor de Vos in het eiland ingescheept hebbende, zich weer naar de stad begeven en daar voor De Vos enige meevaten in zijn schip geladen. Door zo'n handelwijze zijn ze buiten staat om hun brood op deze veren te verdienen. Ze menen dat dit ook in strijd is met de resoluties van het stadsbestuur, waarbij 'aan de kooplieden van Goes de vrijheid is gegeven om, schoon de beurtlieden op de steden Dordrecht, Rotterdam of andere plaatsen aan de wal mochten leggen, een schip om granen in het land te halen en uit te laden af te huren en, hetselve aldaar niet vol komende, nog in deze stad te mogen laden tot een hoeveelheid van ten hoogste 200 zakken'. Hun verzoek is dan ook om Marinus de Vos te gelasten de vracht van de meevaten aan de beurtluiden uit te keren 'om onder elkaar in de passing te worden gebracht'. Het stadsbestuur verklaart het verzoek van de beurtlieden en schippers gegrond. Marinus de Vos krijgt opdracht om de vracht van de meevaten aan de beurtluiden uit te keren en te voldoen.

Ook ontstaat er in 1735 een conflict met het stadsbestuur van Gouda. De beurtschipper van Goes op Gouda, Sacharias Joosse, geeft de burgemeester te kennen dat het stadsbestuur van Gouda hem met zijn schip, dat met zaad geladen was en naar Amsterdam gebracht moest worden, geweigerd door de sluis in de stad Gouda te varen. Hij werd daardoor genoodzaakt zijn schip daar te laten liggen. Het stadsbestuur besluit 'de heren van Gouda op het vriendelijkst te verzoeken dat alle empeschementen, de commercie enigszins hinderlijk, tot voorkoming van de nadeelige gevolgen die daaruit zullen resulteren, gelieven af te doen en verder pro ut in litteris'. Deze brief krijgt schipper Joosse mee om aan de magistraat van Gouda te overhandigen.

Enige dagen later keert de beurtschipper terug uit Holland. Hij heeft de brief van het stadsbestuur aan de Heren van Gouda overhandigd. Maar hij kreeg als antwoord 'dat die missive, niet satisfactoir zijnde, zij hem met zijn schip niet konden permitteren door de sluis aldaar te varen en dat hij vervolgens genoodzaakt is geworden de granen, die in zijn schip waren, in een ander vaartuig over te doen'. Het stadsbestuur is hierover zeer verontwaardigd. Het overweegt dat het van haar zijde alles heeft gedaan en aangewend om de harmonie met de heren van Gouda in stand te houden en voelt zich genoodzaakt om tot handhaving van de ordonnantiën buitengewone resoluties te nemen en represailles, hoe ongaarne ook, te gebruiken. Besloten wordt 'alle potschippers en schepen uit Gouda, mitsgaders de beurtman van Gouda op deze stad, te verbieden het inkomen van derselve schepen in de haven te Goes'.

In 1736 wordt Jan de Voet, naast Cornelis Dijkwel, tweede beurtman op de steden Delft, Leiden en den Haag. Adriaan van der Vegt wordt door de stad Leiden tot veerschipper op Goes, Zierikzee en Bergen op Zoom aangesteld. Hij verzoekt om, evenals de veerschipper van Goes op Leiden geniet, 'allerhande goederen en koopmanschappen, gelden en brieven die van deze stad naar Leiden vervoerd worden en alle passagiers, die van hier naar Leiden willen vertrekken, in zijn vaartuig in te laden en in te nemen'. Het stadsbestuur staat hem dit toe.

Het stadsbestuur besluit in november 1736 de beurtschipper op Dordrecht Marinus Dijkwel 'te deporteren wegens zijn slecht comportement en verfoeilijke dronkenschap, waardoor grote ongelukken zouden kunnen geschieden, en ook omdat hij bijna nooit het veer komt te bevaren tot merkelijk nadeel van de ingezetenen en vreemdelingen'. Dit kan niet langer worden geduld. Het veer wordt vacant verklaard.

Enkele jaren geleden is Johannes Landschot aangesteld tot commissaris over de beurtveren van Goes op Dordrecht, Rotterdam, Amsterdam en Gouda. Het stadsbestuur besluit hem in 1737 toe te staan 'alle brieven, gelden en goederen die verzonden staan te worden naar deze steden en welke men begeert aangetekend te hebben, onder het genot van een stuiver voor iedere aantekening, aan te tekenen, mits instaande voor de deugdelijkheid van de bestelling aan de ordinaire beurtschippers'.

De beurtschippers, zowel van Goes op Zierikzee als van Zierikzee op Goes, klagen er in 1738 over dat de dekenen van het schippersgilde, in strijd met het aloude gebruik, sedert enige jaren hebben kunnen goedvinden de beurtman van Zierikzee op Goes te verbieden op zondag of maandag na de Goese jaarmarkt enige kramen van hier mee te nemen. Beide beurtschippers waren overeengekomen de opbrengst van de kramen onder elkaar te verdelen. De Goese beurtman lijdt hierdoor schade. Ze verzoeken het stadsbestuur hier in het vervolg in te voorzien. De kwestie wordt te Middelburg tijdens de statenvergadering tussen de gedeputeerden van Goes en Zierikzee besproken. Dit leidt tot het besluit de schippers van Zierikzee toe te staan om bij gelegenheid van de jaarmarkt kramen en andere waren in te laden en van hier naar Zierikzee mee te nemen.

In 1739 ontstaat er ook onenigheid tussen de beurtschippers van Goes op Dordrecht. Steven van de Werken, beurtschipper van Dordrecht op Goes, en Gerard Dijkwel, beurtschipper van Goes op Dordrecht, geven echter in mei te kennen 'dat tot voorkoming van verdere disputen die zij met elkaar hebben gehad, ze geaccordeerd waren om van nu voortaan gedurende hun bedieningen in een beurs te varen en al hun te verdienen vrachten in passing te brengen'.

Herbergen en tapperijen

Deze jaren zijn er opnieuw vele mutaties in de herbergen, kroegen en tapperijen. Zo mag Jan Withagel in 1734 de tappers- of kroeghoudersnering doen in het huis buiten de 's-Heer Hendrikskinderenpoort, genaamd 'het Olykot'. Dit jaar koopt Mattheus de Wolf een huis van Philip Vervenne in de Sint Jacobstraat. Hij krijgt vergunning in dat huis, 'alwaar die nering over enige jaren is gedaan', te verkopen brandewijn, genever en andere sterke wateren bij de grote en kleine maat.

In 1736 krijgt Basilius de Rijke toestemming om in de schutterij van de Handboog aan de verlengde Kreukelmarkt herberg te houden en daar de tappersnering te doen. Ook Adriaan Nobels krijgt vergunning om in de herberg 'Boomsté' te verkopen bier, brandewijn en andere gedestilleerde wateren bij de kleine maat. Ook in 1736 mag Abraham Pater in zijn huis 'Noorweghe' aan de Beestenmarkt nummer 14 verkopen en schenken brandewijn en andere gedestilleerde wateren. Ook krijgt ook vergunning om in de stad de wijnstekersnering doen. Adam Gort koopt het vanouds gerenommeerde en nog druk bezocht logement en afspanning 'Soutenstuijn' aan de 's-Heer Hendrikskinderenstraat nummer 28; hij krijgt vergunning hier herberg te houden. In april 1737 koopt Jan Welle een huis in de Stoofstraat. Hij krijgt vergunning om in dat huis te verkopen brandewijn en andere gedestilleerde wateren bij de kleine maat.

Abraham de Cok wordt in 1738 eigenaar van een herberg, staande tussen de twee waterpoorten. Hij krijgt vergunning om in deze herberg de tappersnering te doen zoals ook door zijn voorgangers is gedaan. In de loop van het jaar neemt Cornelis Leijnse deze herberg over. Ook mag vanaf dit jaar Leonard Rijn 'in zijn huis neffens den bleijk' in de Nieuwstraat genever en andere sterke dranken verkopen. En Willem Zuijdweg mag in het huis 'Engelenburg', staande tegen de Oostpoort, de tappersnering doen. Eveneens mag Salomon van Benthem in het door hem gekochte huis 'de Morgensterre' tussen de twee waterpoorten kroeg houden. Huibrecht den Boer neemt de kroeg 'de Blauwe Steen' aan de Blaauwe Steen nummer 6 in eigendom over. Leendert Eyermeet de jonge betoogt in 1736 dat zijn, onlangs overleden vader coffyhuis mocht houden. Hij is genegen om het coffyhuis voort te zetten. Het stadsbestuur gaat hiermee akkoord. Het gaat hier om het pand 'het Royale Coffyhuis', Grote Markt nummer 22. Eyermeet krijgt in 1739 op zijn verzoek ook vergunning 'tot het zetten van een biljarttafel, zoals over enige jaren is geschied door zijn vader in het huis alwaar hij tegenwoordig woont'.

In 1716 werden de tappers en herbergiers vrijgesteld van impost. Na uitvoerig beraad besluit het stadsbestuur in 1737 deze concessie in te trekken. De tappers en herbergiers moeten weer zoals vanouds de volle impost op de wijnen, in totaal ten bedrage van 8¾ grooten per stoop, betalen.

Zeilmakerij

De zeilmakerbaas Janis van der Gevel, wonend tussen de twee poorten, schrijft het stadsbestuur in 1734 dat hij in 1722 toestemming kreeg om voor veertien jaar de zeilmakerij binnen de stad uit te oefenen. Hij heeft sindsdien ondervonden 'dat verscheidene personen het hebben bestaan zeilen te lappen, oude zeilen te copen en wederom te verkopen, alsmede zeildoeken broeken en schorten te maken en deze eveneens te verkopen'. Hij wordt daardoor zeer benadeeld en verzoekt dit te verbieden. Tevens wenst hij verlenging van zijn octrooi. Het stadsbestuur besluit zijn eerste verzoek af te wijzen, 'dewijl het selve tot het seijlmaken geene relatie heeft en hierin niet kan worden getreden'. Wat het tweede verzoek betreft krijgt hij vergunning de zeilmakerij, met uitsluiting van alle anderen, weer voor veertien jaar uit te oefenen.

Van der Gevel overlijdt in januari 1738. Zijn weduwe, Anna Herdon, krijgt vergunning om de zeilmakerij van haar man door een bekwame knecht voort te zetten. In oktober 1738 komt Christiaan Roepel, afkomstig uit ´s-Gravenhage en zeilmakerknecht binnen de stad, met de weduwe van Janis van der Gevel overeen om haar huis met al wat tot de zeilmakerij behoort in eigendom over te nemen. Het stadsbestuur besluit het octrooi aan Roepel over te dragen.

Pruikenmakerij

De pruikenmaakster Anna van Geel wijst het stadsbestuur er in oktober 1735 op dat ze 28 jaar geleden toestemming kreeg om pruiken te verkopen. Nu is ze enige weken geleden door 'de knape' van het kramersgilde aangezegd dat ze geen pruiken meer in de stad mag verkopen. Ze verzoekt haar het verkopen van pruiken binnen de stad alsnog toe te staan. Hierover vraagt het stadsbestuur advies aan de dekenen van het kramersgilde. Deze delen mee dat ze haar het verkopen van pruiken niet hebben verboden, maar ze hebben haar door 'hun knape' laten aanzeggen dat ze binnen de stad niet met haar pruiken aan de huizen van iedereen 'soude lopen leuren en venten'. Het stadsbestuur persisteert bij het verbod om aan de huizen te lopen leuren en wijst het verzoek van Anna van Geel af. Wel krijgt ze alle vrijheid om binnen de stad verder haar negotie te doen.

Kaarsenmakerij

In deze periode vestigen zich verscheidene kaarsenmakers in de stad. Jakobus Louwaart, afkomstig uit Brouwershaven, koopt in 1737 het pak- of werkhuis, dat voorheen toebehoord heeft aan de kaarsenmaker Pieter van de Laerse, staande aan het noordeinde van de Lange Vorststraat (nummer 7). Dit pakhuis wordt aangeduid als 'een keersmakerij bij de Kleene Kerke, waarin lange jaren het keersemaken is gedaan'. Hij krijgt toestemming 'om het fournais, in dit huis staande, te laten blijven ter plaatse waar het tegenwoordig is, mitsgaders het houden van een kaersemakerswijnkel'. Ook Matthijs Krikkendamme krijgt toestemming om, tot onderhoud van zijn huishouden, een fornuis voor de kaarsenmakerij te stellen in zijn huis aan de Lange Vorststraat nummer 45, van achter uitkomende in de Korte Vorst. Hetzelfde mag Cornelis Jansz. op 't Hof doen. Hij krijgt vergunning om in zijn huis, staande in de Lange Vorststraat nummer 84, een fornuis te zetten om de kaarsenmakerij te doen.

Ook Zeger Laurusse de Hond beoefent sinds enige jaren de kaarsenmakerij. Hij verzoekt in 1737 deze nering naar het door hem gekochte huis aan het noordeinde van de Lange Vorststraat te mogen overbrengen en daar een fornuis te laten maken. Hij krijgt vergunning om in het keukentje van zijn huis, mits dat van steen gemaakt wordt en anders niet, een fornuis te zetten. Het gaat om het pand Lange Vorststraat nummer 3.

In september 1738 geeft de vleeshouwer Adriaan Blommaart te kennen 'dat hij genegenheid heeft het keersmaken bij de hand te nemen en te dien einde in zijn woonhuis in de Lange Vorst een fournais wil laten maken op deselve plaatse alwaar Mattheus Krikkendamme voor deze met permissie van haar edelachtbaren een fournais, doch welke nu is afgebroken, gesticht heeft'. Hij krijgt vergunning om een fornuis voor zijn kaarsenmakerij te laten bouwen. Kennelijk voldoet dit pand niet voor de kaarsmakerij. Want in 1739 koopt Blommaart het huis aan de Klokstraat nunmmer 11. Hij krijgt vergunning om in dat huis een kaarsmakerij te doen en in de achterkeuken een fornuis te stichten om aldaar roet te kunnen smelten.

In 1739 beklagen de kaarsenmakers binnen de stad, Pieter Baroen, Dirk van Steken, Willem Cuiper, Pieter Schmissaert, Jacob Louwaart, Adriaan Blommaart en Jan de Fouw, zich bij het stadsbestuur. Ze geven te kennen dat ze sedert geruime tijd tot hun zeer groot nadeel ondervinden dat hun hantering 'door het groot aantal dergenen die deze nering hebben ter hand genomen als ook door het van buiten inbrengen van keersen, merkelijk is afgenomen'. Ze zijn beducht dat hun nering daardoor geheel en al te gronde zal gaan. Hun verzoek is 'de keersmakers binnen de stad (alzo deze te weinig zijn om op zich zelf een gilde uit te maken) te brengen hetzij onder het beenhouwersgilde (ook klein zijnde en met het keersmaken best overeenkomende) of onder zodanig proefgilde als haar achtbaren oorbaarst zullen achten te brengen'. Tevens verzoeken ze van nu af aan niemand tot vrijmeester in het kaarsenmaken toe te laten tenzij hij vooraf twee volle jaren bij een meester geleerd en gedaan heeft het proefstuk. Dit proefstuk bestaat uit 'een smeltsel roet van 500 liter smelten zonder dat de kaarskoek daaraf komende meerder zal wegen dan uiterlijk 15 liter, als ook een maaksel keersen van 80 speetjes, namentlijk van 20 speetjes korte vieren à 16 stuks ieder, 20 speetjes korte zessen à 18 aan ieder, 20 speetjes korte achten à 18 aan ieder en 20 speetjes lantaarntjes à 12 in een liter en 20 aan ieder speetje, te maken ten hoogste op 3 liter op al de 80 speetjes boven of onder haar juiste wigte zonder deselve onder het maken te mogen wegen'. Het stadsbestuur besluit hier niet in te treden en het verzoek af te slaan.

Azijnmakerij

De bierbrouwer van brouwerij 'de Gans', Marinus Lurkus, krijgt in 1735 vergunning voor het oprichten van een azijnmakerij. Vanwege de zware kosten die hij daarvoor moet maken krijgt hij het recht om voor een periode van 28 jaar alleen, met uitsluiting van alle anderen, de azijnmakerij te bedrijven. Na het overlijden van Lurkus in juni 1738 wordt zijn bierbrouwerij samen met de azijnmakerij te koop gezet. Bernard Rimmers uit Middelburg neemt de brouwerij over.

Samen met de bierbrouwers Johan Verschuijl en Johan de La sable dient Rimmers in juli 1738 een verzoek in om binnen de stad een azijnmakerij op te richten en daarin negotie te doen. Het stadsbestuur besluit hen gezamenlijk en ieder in het bijzonder toe te staan om elk binnen de stad te stichten en met uitsluiting van alle anderen te hebben en gaande houden een azijnmakerij.

Brouwersbaas Bernard Rimmers van brouwerij 'de Gans' vraagt in 1739 om 'het gebruik van een einde van stadswalle, strekkende van het wegeling achter zijn brouwerij tot voorbij de gortmolen, tot facilitering van de vervoering van de asijnvaten uit zijn hof in de pakhuisen'. Hij wil het einde dijk opzanden en geschikt maken en het gedurende zijn gebruik als een geschikte rijweg onderhouden.

Touwslagerij en lijnbaan

Pieter van Strien, geboren te Goes maar tegenwoordig lijnslager te Middelburg, deelt in 1738 mee wel genegenheid te hebben om de touwslagerij binnen de stad uit te oefenen. De lijnbaan in de stad is nu ongeveer zes jaar buiten werking. Hij verzoekt, zolang hij het lijnslagen in de stad zal doen, hem het gebruik van de lijnbaan toe te staan en aan een ieder te verbieden enig touwwerk van buiten in te brengen dat hier in gelijke soort wordt gemaakt. Graag zou hij zien dat de gareelmakers, die zich ook met het maken van touwwerk generen, het touwwerk voor een zodanige prijs verkopen als het touwwerk dat van buiten de stad bij de winkeliers verkocht wordt.

Smederijen

De koperslager Jan van der Weele krijgt in 1735 toestemming om in zijn huis aan de Vlasmarkt nummer 8 'een fournais te mogen zetten'. Ditzelfde jaar vestigt zich nòg een koperslager in de stad. Jan Cats, die in het huwelijk is getreden met Catharina Petitepas, krijgt toestemming om in het huis van Catharina 'de Verloren Schapen' in de Ganzepoortstraat nummer 13 'te mogen zetten een smitsje' voor zijn koperslagerij. Hier zal de familie Cats tot 1787 hun smidse hebben. Cornelis Ossewaarde Czn. mag in 1736, nadat hij tot vrijmeester in het smedengilde is toegelaten, het zilversmedenambacht uitoefenen in zijn huis aan de Lange Kerkstraat nummer 18 en daar 'een fornuis tot een nieuwe werkplaats stichten'.

In 1736 vestigen zich ook vier goudsmeden in de stad, namelijk Johan van Stigt, Pieter Coomans, Thomas Snoep en Johan van Beijsselaar (in het huis van zijn vader Antony van Beijsselaar, Grote Markt nummer 19). Ook vestigt zich in 1737 nog een zilversmid in de stad. Het is Enoch de Rapper uit Middelburg. Hij krijgt vergunning om in zijn huis op de Kreukelmarkt een fornuis of oven tot het uitoefenen van de zilversmedenstijl te zetten. In april 1739 mag hij in zijn nieuw gekochte huis aan de Lange Kerkstraat nummer 50 een fornuis of smeedoven maken om aldaar de zilversmederij uit te oefenen. In augustus 1737 doet ook Bastiaan Coomans zijn proeve als zilversmid.

De goud- en zilversmeden Van Stigt, Coomans en Ossewaarde verzoeken het stadsbestuur 'tot voorkoming van alle zwarigheid te ordonneren en vast te stellen dat van nu voortaan niemand tot goudsmid zal worden toegelaten, tenzij hij hebbe gedaan een proeve van een goud buijsken met een moesring gemaakt van draadwerk'. Goudsmid Thomas Snoep is het hier niet mee eens. Hij pleit er voor niet op het verzoek van de andere drie goud- en zilversmeden in te gaan en geen verandering te brengen in de bestaande regeling voor proefstukken. De dekenen van het smedengilde wijzen er op, dat Snoep zich als proefmeester had aangegeven voordat de drie andere goudsmeden hun verzoek indienden. Het stadsbestuur besluit dat Snoep en Van Beijsselaar, die zich ook als proefmeester van het goudsmedengilde bij de dekenen van het gilde hebben aangemeld, mogen volstaan 'met het maken van een goud buijsje, tsij glad of van draadwerk, soo als ze sullen goedvinden, doch worden de dekenen van het smedengilde geordonneerd na desen niemand buiten de voorseide twee personen als goudsmid te admitteren tenzij alvorens op de wijnkel van de deken wegens de goudsmeden en hetwelk ook zijn betrekking zal hebben tot de proeve van een zilversmid, hebben gemaakt een goud buyske en moesring van draadwerk'.

De goudsmid Jacobus Wouterse betoogt in 1737 dat de dekenen van het smedengilde hebben kunnen goedvinden hem voor het maken en verkopen van goud (hij heeft in 1734 zijn proeve alleen maar als zilversmid gedaan) 'te calangeren, met bedreiging van hem daarover in rechte te zullen betrekken'. Hij verzoekt te verklaren dat hij, zowel als de andere zilversmeden Laurens Soeteling, Adriaan Boddingius en Jan van Cogelenberg, die evenals hem goud bewerken en verkopen, heeft genoeg gedaan. Of anders dat allen, die nog geen proeve in het goud hebben gedaan, deze mede in goud moeten doen. Tevens verzoekt hij te verbieden dat geen winkelier enig gemaakt zilver- of goudwerk van buiten de stad laat komen. Het stadsbestuur besluit niet op dit verzoek in te gaan.

Leendert Mus krijgt in 1737 toestemming om in de vloer van zijn gehuurde huis 'de Sije Speck' in de Ganzepoortstraat nummer 3 een fornuis te bouwen tot het uitoefenen van de smidsnering. Ook Jan Duijnkerke mag in 1739 in zijn huis 'het Moriaenshoofd' aan de Lange Vorststraat nummer 24 een smidswinkel houden en die stijl daar uitoefenen. Dit jaar vestigt zich ook een koperslagerij op de Grote Markt. Johannis van der Weele heeft nu sinds vier jaar binnen de stad de koperslagerij uitgeoefend in zijn huis op de Vlasmarkt nummer 8. Hij is nu verhuisd naar een door hem gekocht huis aan de Grote Markt, waar hij die nering doet. Hij krijgt vergunning om in de achterkeuken een koperslagersmidse te bouwen. In 1745 vraagt kopersmid Van der Weele de Staten van Zeeland het recht tot het maken van alle soort van brandspuiten met de reparatie daarvan.

Andere bedrijvigheid

De in de Voorstad wonende zeefmaker Zeger Coorn schrijft in 1735 dat hij het recht heeft verkregen tot het maken van zeven met uitsluiting van ieder ander. Nu heeft een zekere David Cotvis, wonend in de Lange Vorst, het bestaan om ook zeven te maken en binnen de stad te verkopen. Het stadsbestuur besluit zeefmakerbaas Coorn 'bij zijn octrooi te mainteneren', Cotvis het maken van zeven nadrukkelijk te verbieden en te bepalen dat Coorn gehouden is 'aan een ieder goede en bekwame zeven en ten civielen prijse te leveren'.

In 1738 verzoekt Marinus Rijkaart in zijn nieuwe schuur aan de 's-Heer Hendrikskinderenstraat zijn ambacht als vellenbloter (dit is iemand die vellen van dieren schoonmaakt) en handschoenmaker te doen en voor dat doel de daarvoor nodige kuipen aan te laten brengen. Hij krijgt hiervoor echter geen vergunning. In de directe omgeving heeft namelijk ook Reinier Beto zijn hantering van vellenbloter en handschoenmaker.

Winkeliers

De boekverkopers Leendert Eyermeet de oude, Leendert Eyermeet de jonge en Jacobus Visser verzoeken het stadsbestuur in 1736 'alle en een iegelijk (behalve degene die tegenwoordig in possessie van deze stijl en nering zijn) op een boete van zes Carolus gulden te verbieden in het toekomende binnen deze stad en jurisdictie te verkopen enigerhande boeken, schrijfpapier, pennen, schoolgoed, almanakken, couranten, kaarten, lak en wat verder tot der supplianten stijl en nering behoort, tenzij zodanige personen, die deze stijl en nering bij de hand willen nemen, twee jaren lang bij een meester op het boekbinden zijn geweest. En daarenboven, ter goedkeuring van de in der tijd wezende dekenen van het kramersgilde en een der oudste boekbinders binnen deze stad, hebben gemaakt de volgende proeve, namelijk het binden van drie boeken in folio, als een in een ribben hoorne band, een in Franse band en een in Pruijsleren band, de laatste met koper beslag daar aan'. Aan de dekenen en oudste boekbinder dient voor het opnemen van de proeve te worden betaald twee ponden en door anderen vier ponden Vlaams.

Ook in 1736 betogen deze boekverkopers dat ze, tot voortzetting van hun stijl en nering, naar het verkregen burgerrecht binnen de stad, niets anders nodig hadden als dat ze in het kramersgilde werden opgenomen. Het gevolg hiervan is geweest 'dat een menigte burgers, mede in het cramersgilde wezende, hun nering hebben ter hand genomen. Daardoor is hun stijl en nering zodanig verminderd, dat ze tegenwoordig geen kans zien op een borgerlijke manier de kost te winnen. Hun stijl en nering staat tot verder verval te geraken en de borgerie staat daardoor meer en meer afgeschrikt te worden omme hunne kinderen het boekebinden te laten leren. Het stadsbestuur moet ook in aanmerking nemen dat hun stijl een van de fatsoenelijkste en nuttigste is onder de stijlen, dewelke binnen deze stad worden geëxerceerd en derhalve nodig dient te worden geconserveerd'.

In 1739 koopt Meerten Antonisse het huis van de erfgenamen van Nicolaas La grappe, staande op de opperhel van de Grote Markt (Opril Grote Markt nummer 4). Zijn echtgenote, Maria Tekelenburg, wil hier winkel houden in zijden, wollen en andere stoffen. Hij vraagt vergunning om aan het huis een luifel te mogen hangen, want 'zijn winkelwaren van stoffen, op den marktdag als anders op den venster volgens ordinair gebruik ten toon gesteld zijnde, zoude te allen tijde door de regen, stof en sterke zonneschijn bloot gesteld wezen. En dewijl op dezen ganschen opperel alle de huizen met luifels behangen zijn, uitgezonderd dit woonhuis alleen, zo zal het hangen van deze luifel geen ongemak noch het minste oncieraat bij brengen'. Hij krijgt hiervoor vergunning.

Bakkerijen

Paulus Heijn verzoekt in 1734 om in zijn huis in de Voorstad te stichten een bakoventje 'voor het bakken van dikke boekweijkoektjes ende boekweijbrootjes'. De dekenen van het bakkersgilde, Jacobus Gorsse, Marijnis Schelstrate. Anthony Rottiers en Adam Kolve, adviseren negatief. Toestemming zou tot groot nadeel van het gehele gilde en tot ruïne van de bakker in de Voorstad Jan de Lamaire zijn. Het stadsbestuur wijst het verzoek om die reden dan ook af.

De suikerbakkers Joos de Jonge en Huybertus van Opsaal laten in maart 1735 van zich horen. In een rekest betogen beide suikerbakkers 'hoe dat nu enige jaren en nog dagelijks, verscheidene broodbakkers binnen de stad zichzelf ophouden met het bakken en verkopen van amandeltaarten, soezen en suijkerbrooden, tgeen ze vermenen alleen tot hun stijl te behoren'. Dit is tegen het heilzame besluit van het stadsbestuur om te zorgen dat de leden van de gilden (elk in het zijne) ieder zijn brood op een eerlijke wijze zal kunnen verdienen en van zijn nering bestaan. Maar het is ook tot grote schade en nadeel van hen, die op deze wijze in hun nering worden benadeeld en afbreuk gedaan. Hieruit kunnen grote onenigheden tussen de leden van het bakkersgilde voortkomen. Er is juist een bepaling op het suikerbakken vastgesteld, dat geen brood- of peperkoekbakker iets mag bakken of verkopen dat de suikerbakkers bakken. Ze verzoeken door een stadsbode aan alle brood- en peperkoekbakkers te laten verbieden enige soezen, amandeltaarten, suikerbroden of iets dat de suikerbakkerij raakt, te mogen bakken of verkopen. Het stadsbestuur besluit op hun verzoek 'aan alle broodbakkers binnen de stad het bakken en verkopen van soezen benevens de suikerbakkers te permitteren en voor het overige deselve wel expresselijk te verbieden het bakken en verkopen van enige amandeltaarten, suikerbroden of iets de suikerbakkersnering rakende'.

Markten

Vanouds is er elke dinsdag zuivelmarkt in een gedeelte van de Lange Vorststraat. In 1738 dient een aantal bewoners van de huizen aan deze straat een klacht in. Ze betogen dat ze 'bij eigen bevinding als bij het ter kennis doen van hare voorsaten, van immemoriabele tijden hebben gehouden zitbanken des dinsdags voor hare deuren en van iedere boerin, voor een reijs sitplaats te houden, geprofiteerd hebben een halve stuiver. Dat sulk een usance van tijd tot tijd sterk in het houden van der boerinnen zitten is verminderd en daarentegen het staan bij de boerinnen zodanig deurbreekt, dat zij ter zake weinig ofte niets meer als het ware komen te profiteren. Hetwelk causeert dat des dinsdags nauwelijks een mensch zonder sterk gedrongen te worden meer over de sogenaamde zuivelmarkt kan gaan. Indien de boerinnen, met hun waren ter markt komende, in het geheel toegelaten worden om te staan, zij buiten staat zijn om hare stoepen zelf vrij te houden, hetwelk die dewelke sinds tot en van hen komen om enige waren te kopen, de vrije toegang komt te verhinderen'. Ze verzoeken als vaste grondslag te nemen 'dat soo boerin als alle anderen sitplaats op de marctdag des dinsdags, wanneer met boter of eijers en allerhande andere waren willen ter markt komen, zullen moeten houden en voor iedere reijs betalen een halve stuiver'.

Al van onheugelijke tijden is er in augustus de jaarmarkt of Goese kermis. De duurt gewoonlijk twee weken. Het stadsbestuur staat Christiaan Majetto in augustus 1735 toe 'om met een troep koorddansers gedurende de aanstaande jaarmarkt te mogen voorstaan, mits accorderende met de heren regenten van het gecombineerde arm- en weeshuis'. Ook wordt goedgevonden de occulisten Valentijn Rothermel en Johan Daniël Schouwerman 'op hun ten dien einde gedaan schriftelijk verzoek te permitteren om gedurende deze jaarmarkt met een theater te mogen voorstaan en hunne medicamenten te veijlen en verkopen, alsmede omme menschen van blindheijd en andere qualen te genesen'. Ook in augustus 1739 geeft het stadsbestuur Catharina van der Pals, weduwe van Adriaan van Til, toestemming 'om op de aanstaande jaarmarkt te mogen opslaan een loge ter vertoning van enige blij- en treurspelen, mits accorderende met de regenten van het gecombineerde arm- en weeshuis'.

Hoekerschepen

In 1735 worden namens de minderjarige erfgenamen van Jacoba Westhoek, weduwe van wijlen mr. Pieter Lammens, publiek verkocht 3/32 gedeelte van de van deze stad varende drie hoekerschepen.

De boekhouder van de van de stad varende hoekerschepen, Francois de Keijser, beklaagt zich in mei 1735 'dat, wanneer de hoekerschepen op stroom moeten gelicht en te dien einde van de schippers verzocht worden, het soms komt te gebeuren dat dit door deselve, onder deze of gene pretexten, wierde geweigerd'. Omdat dit strekt tot nadeel van de commercie, verzoekt hij daar tegen maatregelen. Het stadsbestuur besluit dat de schippers, die geen vaste beurt hebben, het lichten van de hoekers op hun toerbeurt (gelijk die het veer van deze stad op Middelburg komen te bevaren) zullen hebben te doen.