Aanvulling? Meld het hier.
<<

Gilden (1734 - 1739)

Arbeiders-, zakdragers- en bierdragersgilde

In juli 1736 overweegt het stadsbestuur 'dat sedert ettelijke jaren geen of tenminste weinige personen in het arbeiders- en bierdragersgilde zijn toegelaten, waardoor het getal derselve merkelijk is verminderd, alsmede ook om de continuele sollicitatiën van behoeftige luiden te voorkomen'. Besloten wordt 23 personen tot arbeider in het Sint Jansgilde en 23 personen tot arbeider in het bierdragersgilde aan te stellen.

De dekenen van het arbeidersgilde betogen in 1737 'dat aan de arbeiders voor het dragen van een mand kersen, hetzij groot of klein - deselve in de alhier zijnde waag of elders gewogen zijnde - , betaald is geworden 1½ groot. Voortdurend komt het voor dat over het betalen van het draagloon disputen ontstaan doordat sommige koopluiden zich onderwinden om de kersen voor de vaartuigen op de kaai met een drypikkel te doen wegen als wanneer ze maar half geld willen betalen, dat het hun niet mogelijk zijnde om sulks te beslissen zij zich vervolgens genoodzaakt vinden haar edelachtbaren te verzoeken dat dezelve het dragen van manden kersen nader gelieven te bepalen, hoeveel voor arbeidersloon in het dragen uit de balans of waag of van de wagens in de schepen in het vervolg betaald zal moeten worden en dat haar edelachtbaren gelieven het draagloon altoos, hetzij in het bewerken van de kaai in de schepen, hetzij uit de balans, te reguleren op 1½ groot'. Het stadsbestuur besluit de arbeiders van het Sint Jansgilde voor het dragen van een mand kersen van de kaai in de vaartuigen toe te leggen ¾ groot en uit de balans of andere plaatsen zonder onderscheid 1½ groot Vlaams.

Schoenmakers- en zadelmakersgilde

De dekenen van het schoenmakersgilde laten in 1736 van zich horen. Ze betogen dat het stadsbestuur 'het nieuw gemaakt werk, van buiten inkomende als binnen de stad van onvrije gemaakt wordende, van schoenen als anders, uitdrukkelijk op verbeurte van hetselve werk en een boete van £ 1 hebben verboden. Echter een zekere Jacob Gelderland jegens het verbod van dekenen menigmalen soo door hen als haar knape gedaan, sig onderwindt telkens nieuw werk te maken en te verkopen, gelijk zij daar van de bevinding hebben gehad. En verder, omdat Jacob Gelderland weigert de boeten van een pond Vlaams, bij hen door hun knape doen invorderen te voldoen, en dat doen van Gelderland grotelijks soude strekken tot ruïne van het schoenmakersgilde, verzoeken ze zodanige maatregelen te nemen als tot nut van het gilde best en convenabelst zullen bevinden te behoren. Mitsgaders te ordonneren dat geen oude kleerkopers zo van onvrije als vrije in het schoenmakersgilde enig nieuw gemaakt werk om te verkopen, zullen mogen inkopen'.

Het stadsbestuur besluit Jacob Gelderland door een gerechtsbode aan te zeggen dat hij voortaan geen nieuwe schoenen en muilen zal mogen maken. Op de eerste klachten zal hij de stad moeten verlaten. Verder worden de dekenen van het gilde gelast, in geval enig onvrij persoon nieuw werk komt te maken en te verkopen en weigert de daartoe gestelde boete te betalen, aanstonds het stadsbestuur daarvan in kennis te stellen. De oude kleerkopers wordt verboden nieuw gemaakt werk van onvrije en vrije in het gilde in te kopen om te verkopen.

In 1737 wijzen de dekenen van het schoenmakersgilde het stadsbestuur er op 'dat ze wegens de geringe emolumenten van hun gilde genoegzaam buiten staat zijn hetgeen tot onderhoud van de kerkeglazen door het gilde jaarlijks moet worden betaald, op te brengen'. Ze verzoeken iedereen buiten het gilde te verbieden huiden binnen de stad te kopen ofwel anderszins dit alleen toe te staan aan degenen die het gilderecht betalen. Het stadsbestuur besluit dit verzoek af te slaan.

Schippersgilde

In september 1734 beklagen zowel de dekenen van het schippersgilde als Antonie Weije, de havenmeester, en de weduwe Lafonteijne, de brugophaalster, zich bij het stadsbestuur over het gedrag van de beurtschipper uit Zierikzee. Ze betogen 'dat, wanneer een schip van Goes op Zierikzee varende, binnen de brugge van die stad niet aankomt en maar aan het hoofd of in de haven blijft leggen, van de schippers echter afgevorderd wordt en welke zij genoodzaakt worden te betalen een schelling havengeld en vier stuivers bruggegeld en dat de schippers die van Zierikzee op deze stad tzij met zout of anderszins varen en met hun vaartuigen niet binnen de brugge maar aan de keeten of elders aankomen, geen penningen van haven- of bruggegeld willen betalen'.

Het stadsbestuur verleent de havenmeester en de brugophaalster het recht om van de schippers, die van Zierikzee met hun vaartuigen in de Goese haven komen, 'schoon binnen de brugge niet mogten gaan leggen', mede af te vorderen een schelling havengeld en vier stuivers bruggegeld.

Later in het jaar wordt de resolutie ingetrokken waarbij schippers uit Zierikzee haven- en bruggegeld moeten betalen. Het is namelijk gebleken dat het havengeld dat te Zierikzee moet worden betaald maar twee stuivers en voor bruggegeld drie stuivers is. Vooralsnog worden de schippers vrijgesteld van het betalen van haven- en bruggegeld. In januari 1735 stelt het stadsbestuur een ordonnantie of reglement vast, 'waaraan zich de potschippers en damlopers omtrent het verkopen van hun goederen in het vervolg zullen moeten reguleren'.

Bakkersgilde

De dekenen van het bakkersgilde dienen in 1735 een rekest in bij het stadsbestuur. Ze verwijzen naar de resolutie van 1720, 'waarbij het aan alle wijnkeliers, die buiten het suikerbakkersgilde zijn, verboden wordt het banquet van andere plaatsen, om te debiteren en te verkopen, te ontbieden'. Sommige winkeliers ontzien het echter niet banket of suikergebak van Bergen op ten Zoom en andere plaatsen te ontbieden en te verkopen. Ze verzoeken om, evenals dit ten aanzien van het brood en peperkoek bakken plaats heeft, tot handhaving van het suikerbakkersgilde te bepalen 'dat geen banquet of ander suikergebak om te verkopen van buiten ingebracht of ontboden mag worden, op verbeurte van deselve waren ten profyte van het weeshuis te laten komen'. Het stadsbestuur besluit te persisteren bij haar resolutie van 1720 en alle winkeliers buiten het suikerbakkersgilde te verbieden enig suikergebak van andere plaatsen te laten komen om in de stad te verkopen.

Kleermakersgilde

De dekenen van het kleermakersgilde, Johannes van Uije, Jan de Visser, Johannes Haak en Johannes Landschot, geven in 1735 advies aan het stadsbestuur over een rekest van de kleermaker David de Rijke. Deze vraagt om rijglijven, buitenslands gemaakt, binnen Goes te mogen inslaan om daarmee op buitenlandse markten te verreizen. Ze betogen dat De Rijke 'verkeerdelijk en gansch abusievelijk voorgeeft Hollandse stiklijven in te slaan om daarmee naar buitenlandse markten te verreizen, maar niet nalaat deze onderhands te verkopen'. Ze adviseren De Rijke het inslaan en verkopen van buitenlandse rijglijven te verbieden. Aldus wordt besloten.

Ook in 1735 geven de dekenen van het kramers- en kleermakersgilde het stadsbestuur advies over een rekest van Adriana Zwaan. Deze winkelierster heeft de dekenen van het gilde verzocht de baleijne rokken, die zij van buiten de stad ontboden heeft en door de dekenen, op grond van het verbod tot het inslaan van kleermakerswerk verbeurd zijn verklaard, aan haar te restitueren. Het stadsbestuur overweegt dat zowel in Holland als te Middelburg de baleinen rokken door degenen die een Franse kramerijwinkel houden, ofschoon door hen van buiten hun woonplaatsen ontboden en in die steden niet gemaakt zijn, publiek en zonder enige tegenspraak worden verkocht. Besloten wordt 'dat baleinen rokken niet begrepen kunnen worden onder het kleermakerswerk, vervolgens dat de inslag van deze artikelen bij de ordonnantie op het kleermakersgilde niet is verboden en dat derhalve zulke rokken door degenen die een Franse kramerijwinkel houden, als tot die nering grote relatie hebbende, binnen deze stad mogen worden verkocht, schoon ze alhier niet mochten gemaakt zijn'.

In 1739 gaat het over de zogenaamde 'wollenaaisters'. De dekenen van het kleermakersgilde, Jan de Visser, Jan Casper de Raadt, Adolf Eckhart en Lowijs Landschot, geven het stadsbestuur te kennen dat het van inmemoriabele tijden praktijk is dat, wanneer een inboorling in het gilde als kleermaker vrij wordt of een vrouwspersoon als wollenaaister voor anderen buiten haar huisgezin enig werk maakt, dit in het gildeboek aangetekend en aan het gilde inkomstrecht betaald wordt. Ze beklagen zich er over dat sommige wollenaaisters geen inkomstrecht betalen.

Kramersgilde

De dekenen van het kramersgilde, Francois Oversluijs, Johannes Levendale, Joost de Jonge en Arnoldus Verkat, verzoeken in 1735 'de smousen ende landloopers, die hare goederen en waren ten plattelande komen te venten, door zodanige middelen als best zullen oordelen te weren en verder dat deselve smousen het door de stad leuren en verkopen wordt verboden en hun een plaats op de markt of elders, om met hun goederen te staan, aangewezen'. Het stadsbestuur besluit alle 'smousen en landlopers' te verbieden om met generlei goederen, bij de plakkaten van den lande verboden, op het platteland te leuren of deze te verkopen.

In 1736 beklagen de dekenen van het kramersgilde zich erover 'dat de hoveniers, schale en gewigt gebruikende, weigeren te betalen twee schellingen jaarlijks, met verzoek bij haar oud recht gemainteneerd te mogen worden'. Het stadsbestuur overweegt dat bij resolutie van 1613 nadrukkelijk is bepaald 'dat onvrije cramers en hoveniers, elle, mate, schale of gewigt gebruikende, aan het gilde jaarlijks moeten betalen twee schellingen'. Besloten wordt bij die resolutie te persisteren en de dekenen toe te staan om van iedere onvrije kramer en hovenier, die el, maat, schaal of gewicht gebruikt, te ontvangen twee schellingen per jaar. Dit is aanleiding voor een aantal burgers, die zich generen met het hoveniersbedrijf en de verkoop van groente te verzoeken hen onder een apart gilde te brengen en hen daarvoor een gildebrief te verlenen. Hun nering is geheel anders dan die van de kramers. Bovendien is hun aantal groot genoeg om een eigen gilde op te richten, evenals dat in Middelburg het geval is. Het stadsbestuur besluit echter daar niet in te treden en slaat dit verzoek af.

In 1737 verzoeken de dekenen van het kramersgilde en de hoedenmakers - tot voorkoming van verdere schade en nadeel - 'een ieder te verbieden met hun waren aan de huizen om te lopen en een iegelijk die met enige waren of goederen te koop wil komen, te ordonneren deselve niet anders op te veilen of te verkopen dan op de alhier zijnde grote jaarmarkt'. Het stadsbestuur besluit 'allen en een iegelijk te verbieden gedurende de jaarlijkse vrije markten (zoals tot nu toe is geschied) hun waren en goederen aan de huizen der ingezetenen te venten op pene dat die sulks mogt komen te doen en daar op geattrapeerd wierde, verbeuren zal een boete van 25 guldens'. Niettemin wordt 'een ieder ingezetene de vrijheid gelaten om deselve met hun koopmanschappen aan zijn huis te ontbieden in welk geval de zodanige buiten calange zullen zijn'.

In 1739 geeft de hoedenmakersbaas Jan Stein te kennen dat hij tot voortzetting van zijn stijl genoodzaakt is in zijn werkplaats, boven een daar reeds aawezig formuis te doen maken een tweede fornuis van een kleiner soort.

Timmerluidengilde

De dekenen van het gecombineerde gilde van de timmerlieden, metselaars, kuipers, draaiers en mandenmakers dienen in augustus 1736 een rekest in. Ze verklaren dat hen 'dagelijks door vele en menigvuldige van haar gildebroeders rechtveerdige redenen van klachten worden gegeven, over dat sommige onvrije personen - en wel voor het tegenwoordige ene Antony Lepierre - in het gilde zowel verboden waren verkopen als de exercitie van hun handwerk plegen, zonder proeve gedaan te hebben'. Ze verzoeken daarom het stadsbestuur haar resoluties van 13 maart 1697, 25 februari 1705, 14 maart 1712 en andere te handhaven.

Er komt ook een verzoek binnen van Antony Lepierre, afkomstig uit Brugge en getrouwd met de weduwe van Joos de Vos. Hij verzoekt toestemming om wat tot het ambacht van een stoeldraaier niet behoort te mogen verkopen. Tevens wil hij graag dat de dekenen van het timmerluidengilde geordonneerd worden hem op te geven welke houtwaren daaronder gerekend worden. Het stadsbestuur besluit echter Antony Lepierre te verbieden geen van de volgende goederen te verkopen: 'allerhande soort van stoelen, spinnewielen, kinderwagentjes, wagentjes, rolwagens, kruiwagens, bakwagens, allerhande soort van houten bollen, rijven, gaffels, schoppen, swijngels, vluijers, vliegers, klossen, noten, spillen, pesen, rokken, haspels, klikken, kolven, toppen, jokken, speuijten, siften, trommels, allerhande soort van houten doosen, allerhande soort van Brabants houtwerk als schotels, bakken, boterbussen, allerhande soort van houten lepels, allerhande soort van houten maten, evenaeren, allerhande soort van geschilderd houtewerk, kassen, kabinetten, tefels, kakstoelen, teeblaeren, schenkborden, schermen, lessenaren, keesebakken, sout- en lijnwaadbakken, allerhande soort van rekken, stoven, schoolborden, mostaartmolens, matten, biesen, strijkplanken, blaasbalken, vogelkooijen, allerhande soort van borstelwerk, kamer- en handvagers, buijwagens, kalkquispels, vleken, verwquispels, teerquasten, platteborstels, kas-, kleer-, wevers- en schoenborstels, haijrborstels, rooboenders, schotelwassers, besem- en luijwagenstokken en koppespinnevagers'. Als blijkt dat Lepierre dergelijke goederen wel verkoopt, dan zal z'n winkel worden gesloten.

Panneluidengilde

De dekenen van het panneluidengilde beraden zich in augustus 1739 over een rekest van de dekenen van het Sint Jansgilde voor de arbeiders. Deze verzoeken met aantoning van enige invonveniënten en om de schippers en koopluiden beter te gerieven, de dekenen van het panneluidengilde toe te staan 'om, wanneer een schip met zout, turf of andere waren dient te worden gelost, de present zijnde arbeiders (sonder als van ouds verplicht te wezen dan in noodzakelijkheid een overnachte wete te doen) te mogen constringeren om aanstonds zonder tijdsverzuim aan te smakken zonder dat de andere arbeiders, die niet aangesmakt hebben, daarvan iets zouden mogen afvorderen of van de arbeid profiteren en om die onwillig zijn aan te smakken zodanige censuur op te leggen als haar edel achtbaren zullen bevinden te behoeven'.

Het stadsbestuur besluit 'dat het werk, tgeen eerst geroepen wordt, door de arbeiders die present zijn en zonder naar anderen te wachten, ook eerder zal moeten worden afgesmakt en zo het tweede en vervolgens, zonder naar enig ander werk te mogen smakken, op pene dat die daartoe onwillig mogte zijn (wordende daaronder nochtans niet begrepen die het werk in de keeten geheel hebben opgezegd) door de dekenen waartoe deselve bij dezen worden geautoriseerd voor de eerste reize het roeren van de teerling voor acht dagen zal worden verboden, de tweede reize veertien dagen en meerder voorvallende, op arbitrale correctie'.