Aanvulling? Meld het hier.
<<

Openbare voorzieningen (1734 - 1739)

Openbare werken

In maart 1736 overlijdt de stadsarchitect, ook wel genoemd de stadschaffer, Marinus Cramer. Bij deze gelegenheid beraadt het stadsbestuur zich over het opnieuw invullen van deze functie. Het besluit 'alle de reparaties, die aan stadswerken gedaan moeten worden zoals timmer-, metsel- en ijzerwerk, glasemaken en wat dies meer is, zonder enige uitzondering bij publieke aanbesteding te doen geschieden'.

Tot nieuwe 'fabrycq van deze stad' wordt aangesteld Jacob Huysman op een traktement van 400 gulden per jaar. Hiervoor is hij gehouden en verplicht 'de reparaties, die aan stadswerken gedaan moeten worden, op tijd exactelijk te examineren, de onderscheidene bestekken daar van te formeren, mitsgaders de werken, besteed en voltooid zijnde, op te nemen en daarvan aan de heren directeuren de ordonnantiën van betaling op te stellen'.

De in 1736 gehouden veiling voor de verkoop van olmenbomen langs de stadssingel, van de Oostvest tot de Ganzepoort, brengt een bedrag op van £ 193.2.9.

De stadsarchitect houdt zich deze jaren bezig met enkele bijzondere opdrachten. In 1739 heeft hij 'een tekening gemaakt van een kas, die haar achtbaren voornemens zijn op de vertrekkamer van het stadhuis tot het bewaren van enig geweer te laten maken en die op huiden gesien zijnde, is goedgevonden om conform dat model een geweerkas aldaar te maken in daggeld'. Ook constateert hij in 1739 dat 'de ophalende brug door het voeren van de bomen, wanneer die aan de westzijde van de nieuwe haven komen gelegd te worden, grotelijks komt te lijden en dat aan de oostzijde overvloedig daartoe plaats is'. Het stadsbestuur besluit voortaan geen bomen aan de westzijde van de haven maar alleen aan de oostzijde te leggen.

Veel aandacht vereisen deze jaren de havendijken en rijshoofden. Zo krijgen de stadsdirecteuren in 1738 machtiging om voor vijf of zeven jaar aan te besteden het jaarlijkse onderhoud van de matwerken aan de westzijde van de havendijk. In 1739 inspecteren de stadsdirecteuren samen met de dekenen van het panneluidengilde de dijk, liggende tussen de oude en nieuwe haven. Ze zijn van oordeel 'dat die dijk, tot voorkoming dat het water bij een hoge vloed uit de nieuwe haven over hetselve in de oude haven lopende, van achter in vele keten soude kunnen dringen, behoort te worden verhoogd'. Het stadsbestuur besluit om de verhoging van de dijk in daggeld uit te laten voeren.

Spui en watermolen

In 1735 rapporteren de stadsdirecteuren over de slechte toestand van het spui en de watermolen aan de Kleine Kade. Ze hebben hierover advies ingewonnen van de stadsarchitect Jacob Huysman en Jan de Jonge die het werk nauwkeurig hebben geïnspecteerd. Reparaties zullen geen effect hebben en tevergeefs zijn. Ze zijn van oordeel dat het spui volledig vernieuwd moet worden.

Het stadsbestuur besluit geen reparaties aan het spui meer te verrichten, maar dit geheel en al nieuw te laten maken en de besteding daarvan ten stadhuize te doen. 'En omdat de financiën van de stad zeer gesurchargeerd zijn en tenminste niet in staat om dat werk te doen maken, wordt eenparig besloten dat door iedere Raad aan de stad zal worden gefourneerd op 3% interest een capitale som van één honderd ponden Vlaams op obligatie'.

In augustus 1735 is het maken van het spui tot het gaande houden van de watermolen aanbesteed. Cornelis Schaleven krijgt het metselwerk voor £ 925 en David Steur het houtwerk (het ijzerwerk daaronder begrepen) voor £ 740. De 'aannemers van het swaarwichtige werk tot het herstellen en opmaken van stads vervallene watermolen' delen burgemeester Ysebree 'de extra-ordinaire en onvoorziene onkosten, die ze genoodzaakt zijn te doen voor het leggen van den Dam ter tegenhouding van het van buiten inkomende zeewater, mee met verzoek van daar omtrent enigszins te worden gesubleveerd'. Besloten wordt hen 'als een vrijwillige gift, ter hunner aanmoediging en onder recommandatie van met het werk te maken alle bedenkelijke spoed, toe te leggen een som van tweehonderd Carolus guldens'.

Tot opzichter over het nieuw te maken spui en de watermolen wordt aangesteld Christiaan van der Stelle. Door de werkzaamheden ligt de waterkorenmolen stil gedurende de periode 27 juni 1735 tot 24 augustus 1736. De pachter van de watermolen, Digman Carron, lijdt hierdoor schade. Normaal is de pacht £ 110, maar omdat de molen stil heeft gelegen, 'omdat ze geheel moest worden vermaakt en vernieuwd', hoeft hij dit jaar slechts £ 73 te betalen.

In januari 1736 beoordelen de metselaars Cornelis Breeweg, Francois Wijtiers en Michiel de Visser op verzoek van het stadsbestuur de steen, die door de aannemers van het metselwerk wordt gebruikt voor het opmaken van de watermolen. Ze rapporteren 'dat deze steen geen allerbeste klijnker moppen, zoals het bestek luidt, zijn, maar alleenlijk plaveijmoppen'. Het stadsbestuur besluit de steen, als niet accorderende met het bestek, af te keuren. Maar in juli 1737 kan opzichter Van der Stelle rapporteren dat hij het spui en de watermolen meer dan eens nauwkeurig heeft geïnspecteerd. Hij kan niet anders verklaren dan dat dit conform het bestek is gemaakt. Het stadsbestuur stelt het restant van de aanneemsom betaalbaar en schenkt Van der Stelle voor zijn moeite een beloning van honderd guldens.

De stadsrekening van 1735 vermeldt over de vernieuwing van het spui en de watermolen de volgende uitgaven: Michiel de Visser, Cornelis Breewegt en Francois Wittiers voor het examineren van het nieuw te maken spui of de watermolen door de aannemers van het spui £ 4.13; Leendert Eyermeet voor het besteden van de nieuwe watermolen zesmaal in de Amsterdamse Courant te insereren en andere kantoorbehoeften £ 32.17; Pieter de Vroe voor aan twee meester metselaars van Vlissingen (tot het bekeuren van de tot de watermolen gebruikte steen ontboden zijnde) gedaan verschot £ 6.1.

Kruittoren

In 1737 krijgt de smidsbaas Crijn Mus een jaarlijkse toelage van £ 4.3.4 voor het oppassen op het kruit en de lonten in de kruittoren aan de 's-Heer Hendrikskinderenpoort. Tevens besluit het stadsbestuur om het grootste gedeelte van het kruit en lood, 'dewijl hetselve mettertijd maar onbruikbaar soude worden', aan Gecommitteerde Raden retour te zenden. Het gaat om een restant van twaalf vaten buskruit, anderhalf vaatje snaphaankogels en een bos lont.

Stadsvesten

In 1738 worden de stadsvesten opnieuw verpacht. Het recht van bevissing krijgt Meerten Franse voor de tijd van drie jaar, mits 'de vesten en de Bijstermanse, Karnemelkse en Schotteputten ordentelijk van alle vuiligheden zuiverende en de riolen beter uithalende als door vorige pachters is gedaan'. Franse wordt ook aangesteld tot oppasser van de zwanen in de vesten op een jaarlijks traktement van £ 5.2.-. Na een week moet hij al in actie komen 'ter oorzaak dat een zwaan is doodgebeten'. Hij krijgt toestemming 'alle honden sonder aansien wie deselve ook mogten toekomen, die de zwanen of hun jongen werkelijk komen te attaqueren en aan te vallen, de facto onder de voet te schieten, echter daaromtrent gebruikende alle voorzichtigheid'.

Het blijkt ook nodig het maximaal toegestane aantal zwanen in de stadsvesten te regelen. Het aantal vermindert soms nogal door het toezeggen van koppels zwanen aan inwoners. Zo wordt de vrouw van Wassenaar in 1738 op haar verzoek 'met een koppel zwanen vereerd'. Ook krijgen Pieter de Vroe en Cornelis Pieroom toestemming 'om ieder een dergelijk koppel uit de vesten te laten opvangen en behouden, mits daaronder niet begrepen zullen mogen zijn zodanige zwanen die bereids komen te nestelen en dat die twee heren ook gehouden zullen zijn aan de administrerende rentmeester der stadsmiddelen ten behoeve van de stad te voldoen de som van twee ponden en twaalf schellingen voor ieder paar'.

Het stadsbestuur wil echter voorkomen dat de vesten het op den duur zonder zwanen moeten stellen. Het notulenboek vermeldt: 'En opdat de stad van zwanen niet onvoorzien zou kunnen worden, dewijl het zou kunnen gebeuren dat vele inclinatie hadden om zwanen voor die prijs te bekomen, is tot voorkoming van dien vastgesteld dat vooralsnog geen zwanen zullen worden verkocht en dat het getal derselve zal moeten accresseren op dertig, die genoeg hun voedsel in de vesten zullen kunnen bekomen'. Voortaan zullen er altijd dertig zwanen in de stadsvesten gehandhaafd worden. Niemand krijgt toestemming zwanen uit de vesten te bekomen, tenzij het aantal boven de dertig is toegenomen.

Verlanding vaarwater

Zorgen zijn er deze jaren over de dreigende verlanding van het vaarwater voor de stad. Op 23 oktober 1734 komt een brief van Gecommitteerde Raden van Zeeland binnen met het bericht dat ze ingenieur Wildschut en directeur Van Doeveren hebben opgedragen de werken tegen de verlanding van het vaarwater voor de haven van de stad op te nemen. Ze verzoeken het stadsbestuur deze inspectie door enige gedeputeerden uit hun midden te laten bijwonen. Hiervoor worden afgevaardigd burgemeester Verselewel en de schepenen Francois de Keijser en Jacob Dominicus.

In juli 1735 sturen Gecommitteerde Raden een concept toe van ingenieur Wildschut 'tot het opruimen van enige dammen of hoofden aan de Goese Polder tot verbetering van de droogtens aldaar'. Ze vragen het oordeel van het stadsbestuur of dit tot verbetering van het vaarwater zal strekken en of zij het werk onder hun opzicht willen laten maken. Het stadsbestuur is van oordeel dat dit tot groot nut van het vaarwater zal zijn en is bereid het werk onder hun opzicht te laten verrichten.

Het blijkt in februari 1738 dat 'de droogten, voornamelijk beginnende bij de Cloetingse inlage tot omtrent Cattendijke, zodanig van dag tot dag komen te accresseren dat het te vrezen is dat aldaar geen schepen eerlang zullen kunnen passeren tot de uiterste ruïne van de stad en ingezetenen'. Gecommitteerde Raden van Zeeland worden hiervan in kennis gesteld en verzocht maatregelen te nemen.

Dreigende dijkdoorbraken

In juni 1734 komt er een noodkreet binnen van directeuren, dijkgraaf en gezworenen van de watering van Ellewoutsdijk. Niettegenstaande voortdurend is gewezen op het uiterste gevaar waarin de dijk door verzinkingen en vallen is komen te verkeren, het stadsbestuur in 1732 een geldlening van £ 1.500 garandeerde voor het voorlopig bezinken, de Staten van Zeeland ook middelen beschikbaar stelden, alle werkzaamheden effectief zijn geweest en er ook hoop was de dijk te behouden, is er op de 7e juni 1734 een verzakking in het dijklichaam ontstaan met een lengte van 23 roeden langs de oever en op enige plaatsen aan de teen van de dijk tot een diepte van 6 á 7 vademen. Op de 13e juni doet zich een tweede verzakking voor naast de vorige voor met een lengte van 10 roeden. Bovendien ontstaat op de 7e juli een derde val met een lengte van 30 roeden.

Ze zijn 'daardoor buiten staat en vermogen enige penningen te negotiëren en zijn daardoor gebracht in de uiterste ontsteltenisse. En bedenkende de zware gevolgen die het abandonneren van deze dijk, dewijl de inlaag, zo de dijk doorbrak, niet in staat is om zo een sterke inval te resisteren, en doorbrekende alle de binnendijken te laag en zonder een goed talud naar zich zouden kunnen slepen, de wateringen van Borssele, Baarland, Oudelande en Hoedekenskerke, tesamen tussen de 11 en 12 duizend gemeten groot, in het hoogste gevaar van te inunderen zijn gebracht en buiten alle twijfel verloren moeten worden geacht'. Op hun indringend verzoek besluit het stadsbestuur een garantie te verlenen voor een geldlening van £ 1.500 om de half weggezonken zeedijk te herstellen.

Op 20 juni 1735 beraadslaagt het stadsbestuur zich opnieuw 'op het serieust' over een verzoek van de directeuren, dijkgraaf en gezworenen van de watering van Ellewoutsdijk. Deze betogen dat ze nu al diverse malen hebben gewezen op het uiterste gevaar waarin de dijk door verzinkingen en dijkvallen verkeert. Weliswaar heeft het stadsbestuur vorig jaar een garantie verleend voor een geldlening van £ 1.500 om de grondbraken te bezinken en de meer als half weggevallen zeedijk te herstellen. Dit geld is niet alleen verbruikt, maar bovendien hebben ze nog aan kosten een bedrag van £ 4.517.8.2 moeten maken. Met de uiterste ontsteltenis en verlegenheid hebben ze ondervonden dat het de Staten van Zeeland niet heeft behaagd hun enige tegemoetkoming te verlenen.

Gevreesd moet worden dat, als niet binnen veertien dagen aan het werk wordt gegaan, de watering volstrekt verloren moet worden geacht. Niemand zal meer in staat zijn om deze voor de aanstaande winter te herstellen. Ze twijfelen niet of het stadsbestuur zal daaruit zonneklaar zien dat de watering, indien ze binnen de gestelde tijd geen onderstand verkrijgt, verloren zal gaan en in de aanstaande winter niet alleen Ellewoutsdijk, maar ook Baarland, Oudelande en Driewegen zullen inunderen. Hun dringend verzoek is een fonds van tenminste £ 6000 beschikbaar te stellen. Het stadsbestuur beraadslaagt hierover 'op het serieuste en besluit tot voorkoming van de anderszins inevitabilen ondergang deser wateringe dijkgraaf en gezworenen te autoriseren om, onder garantie van de stad, ten laste van de watering te negotiëren een capitale som van 6000 ponden Vlaams'.

Opnieuw komt in april 1738 een alarmbericht bij het stadsbestuur binnen over de hoge nood waarin de watering van Ellewoutsdijk zich thans weer bevindt. Bij gebrek aan geldmiddelen is hierop door de Staten van Zeeland nog niet beslist. Het is van de uiterste noodzakelijkheid om verscheidene werken te vermaken en aan te leggen. Het stadsbestuur besluit de directie van de watering van Ellewoutsdijk te machtigen onder garantie van de stad een geldlening aan te gaan van £ 1.200 Vlaams.