Aanvulling? Meld het hier.
<<

Orde en veiligheid (1734 - 1739)

Openbare orde

In 1734 besluit het stadsbestuur Aarnout Verplakke, wonend op de Molendijk, vanwege zijn ‘ergerlijk en verfoeijelijk comportement door 's Heeren dienaars in apprehensie te laten nemen en voor matroos naar Indiën weg te zenden, mitsgaders de heer Van Westkapelle, bewindhebber van de Oostindische Compagnie te Middelburg, bij missive te verzoeken hem op het boek van de compagnie als matroos te laten aanteijkenen’. Echter dit gaat niet door, want de stadschirurgijn rapporteert dat Verplakke door het dangereus ongemak hem overkomen niet in staat is zwaar werk te doen als matroos.

Het stadsbestuur staat in maart 1735 ‘twee vrouwspersonen van de kant van Heidelberg, welker woonplaatsen door de Franse partijen zijn geplunderd en verbrand, niet toe binnen de stad een collecte te houden’. Wel krijgen ze ieder een gift van zes Zeeuwse rijksdaalders met permissie om zich te richten tot de diaconieën van de Nederduitse en Waalse gereformeerde gemeenten binnen de stad.

In 1739 krijgen Bernard Kruijsman en zijn vrouw Janna de Puijt door ’s Heeren dienaars de aanzegging om vanwege hun ongebonden leven binnen drie dagen met hun kinderen de stad en jurisdictie te ruimen voor altoos.

In een brief aan mr. Martinus Johan Veth, heer van Westcapelle en Nieuwland, schepen en raad van de stad Middelburg, bewindhebber van de Oost-Indische Compagnie ter Kamer Zeeland, biedt het stadsbestuur in 1735 twee personen aan ‘voor de nu seijlree leggende Oost-Indische schepen, bij ons om haar quaad comportement gedaan apprehenderende’. De stadsrekening van 1735 vermeldt hiervoor de volgende uitgaven: aan Johannis Meijer voor geleverde equipage voor Claas Sonius en Laurens Verbrugge, door het stadsbestuur naar Oostindië gedaan transporteren; aan ’s Heeren dienaars voor Claas Sonius en Laurens Verbrugge aan boord van de Oost-Indiëvaarder op het Vlacke te konvooieren; aan de stadsbode om deze twee personen aan het Oost-Indische schip ‘het Vliegende Hart’, liggende op het Vlacke, te brengen.

Justitie

In juli 1734 treedt de baljuw Hubertus Eversdijk op tegen de gedetineerde Pieter van der Logt, 34 jaar oud, uit Bergen op Zoom, die zich enige tijd als timmermansknecht in de stad heeft opgehouden. Hem is het burgerrecht van de stad geweigerd, volgens hem omdat hij van de roomse religie is. Daarop heeft hij geprobeerd de Ganzepoort binnen te komen. Dit is hem belet, waarop hij de poortier met stenen gegooid heeft. Hij heeft zich dan eens hier dan eens daar in de Voorstad ‘in boosen moede uitgedrukt dat de gereformeerden van onder de paepen gekomen waren en wederom paeps moesten worden omdat er maar een geloof en eene God is, dat de roomsgezinden nu van de gereformeerden bespot wierden gelijk Jezus van de Joden bespot was geworden’. Hij dreigt huizen in brand te steken. De baljuw stelt als eis dat hij met de strop om de hals strengelijk met roeden gegeseld, gebrandmerkt en voorts in een spinhuis gevangen gezet zal worden. Burgemeesters en schepenen zijn wat milder en veroordelen hem tot verbanning voor altoos uit Holland, Zeeland en Westfriesland.

In september van dit jaar doet zich een gerechtszaak voor tegen de 25-jarige Jan Vermeule uit Turnhout. Hij is in 1733 in de ‘s-Heer Hendrikskinderenstraat komen wonen in het huis van Jan de Fouw. Hij heeft uit een buurhuis gestolen een nieuwe mans lakense rok en vest. De baljuw stelt als eis dat hij met de strop om de hals strengelijk zal worden gegeseld en daarna verbannen. Burgemeesters en schepenen veroordelen hem om strengelijk gegeseld en gebrandmerkt te worden en voor altoos verbannen uit Holland, Zeeland en Westfriesland.

In juni 1735 treedt de baljuw Eversdijk op tegen het dode lichaam van Sara Kuypers. Onder haar bed in het oude manhuis is een dood kind gevonden. Vermoedelijk is dit kind omgebracht. Na weggevlucht te zijn is haar dode lichaam in de vest gevonden. De baljuw oordeelt dat haar dode lichaam op een horde naar het galgenveld gesleept en daar in een mikke gehangen moet worden totdat ze zal zijn verteerd. Op het smeekschrift van haar familieleden oordelen burgemeesters en schepenen dat ze wel op een horde naar het galgenveld gesleept zal worden, maar daar in een los opgeslagen kist onder de galg begraven zal worden.

Ook spreekt de baljuw Eversdijk in augustus van dit jaar een eis uit tegen Jan Janse, oud 33 jaar, afkomstig uit Castel. Hij heeft het bestaan in Driewegen verscheidene bedelaars en landlopers, en dat soms bij gehele troepen, verscheidene dagen te logeren te leggen, op deze wijze herberg voor hen te houden en daardoor deze aan te lokken, niettegenstaande dit bij plakkaten verboden is. De eis van de baljuw is dat hij strengelijk met roeden zal worden gegeseld en voorts gebannen ten eeuwigen dage uit Zeeland, Holland en Westfriesland. Burgemeesters en schepenen veroordelen hem tot bannissement voor altoos uit de provincies Holland, Zeeland en Westfriesland.

Ook in 1736 spelen enkele gerechtszaken. In januari treedt de baljuw Eversdijk op tegen ene Berbel en Mari, zijnde heidense of Egyptische vrouwspersonen, landloopsters. De baljuw stelt als eis dat ze strengelijk gegeseld, met het stadswapen gebrandmerkt en verbannen uit de provincie. Komen ze hier weer dan zullen ze met de dood worden gestraft.

In februari van dit jaar doet zich een geding voor tegen de ketelboeter Gerard Berboye uit  Mechelen. Hij heeft zich in de maand augustus 1735 met zijn ketelboetergereedschap in het eiland begeven om daar dit handwerk uit te oefenen. Hij is door de bediende van de roode roede achterhaald en in de stad opgebracht. Al eerder is hij te Goes veroordeeld tot verbanning uit het eiland. Nu komt hij er voor de tweede maal weer terug met zijn gereedschap. Hij heeft zijn handwerk aangeboden op de hofstede van de stadssecretaris Jacobus Dominicus onder de jurisdictie van Wemeldinge op de 8e februari 1736. Daar is hij achterhaald en in de stadhuistoren gevangen gezet. De baljuw stelt als eis dat hij binnenskamers zal worden gegeseld met roeden en gelast wordt om binnen twee dagen uit de provincie te vertrekken. De advocaat De Losanne pleit voor clementie ‘met deze ellendige, onnozele man, die nu al zes dagen in een ellendige toestand in een deplorabele gevangenis is gezet geweest’. Het college van burgemeesters en schepenen veroordelen hem tot een mildere straf, namelijk om binnen twee dagen uit de provincie te vertrekken.

Het ‘Register en de rol van criminele zaken van de Vierschaar’ vermeldt over 1738 twee gerechtszaken. In februari treedt baljuw Hubertus Eversdijk op tegen de zakkedrager Pieter Tack. Op zaterdag 8 februari heeft deze zich des namiddags met de mede zakkedrager Marinus van der Linde ten huize van de kroeghouder Pieter den Boer op de Kaaij in de zogenaamde Papekerke (Grote kade nummer 38) begeven en aldaar een paar glaasjes jenever gedronken. ‘s Avonds om half negen heeft hij Van der Linde, die afscheid wilde nemen, op een kwaadaardige manier bedreigd en met een mes aan zijn borst verwond, waarop een hevige woordenwisseling volgde. De behandelend chirurgijn Steenaart heeft hem door ‘s Heren dienaars in hechtenis laten brengen. Hij wordt veroordeeld tot zes weken gevangenschap te water en te brood en een boete van £ 37.10.

In maart treedt de baljuw op tegen Anthony Grielens, zijn zoon Wilhelmus, oud 21 jaar, en Cornelis Medegaals, oud 28 jaar, allen wonend te Turnhout. Ze zijn bevonden, de eerste al gedurende tien jaar, te leuren met tijken. Ze zijn zich wel bewust dat binnen het eiland en de stad geen goederen mogen worden omgedragen om daarmee te leuren, deze te veilen of te verkopen. Tijdens de arrestatie hebben ze zich zeer agressief gedragen. Voor het eerste feit wordt voor Grielens senior als straf geëist een boete van honderd gulden en voor het tweede om de scherprechter te worden overgeleverd en met een strop om de hals met roeden te worden gegeseld en gebrandmerkt en daarna voor altoos uit de provincie verbannen. Burgemeesters en schepenen veroordelen de eerste tot vijf jaar tuchthuis, waarna hij voorgoed uit de provincie zal worden verbannen.

Veiligheid

In augustus 1738 komt informatie 'dat het regiment van colonel Soute van geweer zal moeten veranderen en dat hetselve voor een civiele prijs te bekomen zou wezen'. Overwogen wordt dat het niet ondienstig zou zijn een partij snaphanen met patroontassen en zijgeweer voor rekening van de stad (die tegenwoordig niet anders dan enige oude onbruikbare snaphanen heeft) te kopen. Het stadsbestuur besluit van kolonel Soute omtrent 200 snaphanen met de daartoe behorende patroontassen en zijdgeweren te kopen en de oude snaphanen tot het meeste voordeel van de stad te verkopen.

Baljuw en 's Heeren dienaars

In april 1734 overlijdt de baljuw van de stad, Adriaan Vogel, heer van Steenvliet. Het stadsbestuur oordeelt dat dit ambt zo spoedig mogelijk en wel in de eerstvolgende statenvergadering dient te worden vervuld. Met eenparige stemmen worden voor de baljuwplaats genomineerd Huibertus Eversdijk, Mattheus Eversdijk en oud-burgemeester Boudewijn Verselewel. De Goese afgevaardigden ter statenvergadering krijgen opdracht de persoon van Huibertus Eversdijk aan te bevelen. Eversdijk wordt benoemd. Door de promotie van Huibertus Eversdijk tot baljuw vaceert een kapiteinsplaats in de schutterij van de voetboog. In deze plaats wordt verkoren Joos de Jonge.

In februari 1738 besluit het stadsbestuur 'na deliberatie, om goede redenen en inzichten en ten einde haar edel achtbarens politieke resolutiën beter zouden kunnen worden geëxecuteerd', het schoutambt van de stad, dat sinds enige jaren onvergeven is gebleven, 'bij dezen te declareren voor vacant en impetrabel'. De griffier Boudewijn Landschot neemt vanaf juni 1738 de functie van civiele schout van de stad voorlopig waar tot wederopzegging.

Brandweer

De generale brandmeesters delen het stadsbestuur in 1735 mee dat bij het proberen van de brandspuiten telkens ongeregeldheden voorvallen doordat vele schutters weigeren daarbij te assisteren. Ter voorkoming hiervan besluit het stadsbestuur aan iedere schutter toe te leggen vijf ponden Vlaams per jaar. Het stadsbestuur besluit op advies van de generale brandmeesters om voor de twee brandspuiten 'twee sogenaamde aanbrengers of soogers' te laten maken. De stadsrekeningen van 1735, 1736 en 1737 vermelden uitgaven aan Adriaan van Beysselaar voor het repareren van 68 stads brandemmers £ 3.19; de brandspuitmakers te Amsterdam Van der Heyden en Alnieuw voor het leveren en maken van 1 grote koperen zuigpomp met drie einden zuigbuis (lang 18 voeten) voor £ 28.6.8, 1 kleine koperen zuigpomp met drie einden zuigbuis (lang 18 voeten) £ 25 en twee leren riemen achter over de spuit, blansen gemaakt, 4 knop boutjes in het deksel en een stokje voor in de kleine blans, het slepen naar het schip, Cornelis Ymanse voor verschot en vracht, al te zamen £ 57.0.2.

In april 1737 verzoekt Francois de Keijser, uit naam van de eigenaren van de zoutketen, 'te accorderen zoveel erve aan of omtrent de meestoof de Son als ze nodig sullen hebben tot het laten maken van een huisje om daarin te bewaren de brandspuit met desselfs gereedschappen, die de eigenaren van de zoutketen tot meerdere securiteit van derselver kostbare panden voornemens zijn te laten maken'. Hiertoe wordt besloten. De generale brandmeesters betogen daarop dat door het aankopen van een nieuwe brandspuit 'door die van de zoutnegotie' het getal van de spuiten met één is vermeerderd. Daardoor is het noodzakelijk het aantal van vier brandmeesters uit te breiden tot zes en dus met twee, zoals bij iedere spuit behoren, te vermeerderen. Het stadsbestuur besluit tot nieuwe brandmeesters aan te stellen Adriaan Boddingius en Quirijn de la Sable.

In januari 1738 wordt een sleutel van de Bleijkveldse Poort onder bewaring gegeven van de eerste knecht in de dichtst bij de stad gelegen zoutkeet van de weduwe van Petrus de Meijer. De knecht krijgt de sleutel overhandigd 'in een toegezegeld papier met expresse aanzegging en verbod van hetselve niet te openen of daarvan enigerhande gebruik te maken ten ware bij gelegenheid van brand'.

Schutterijen

In oktober 1736 komt het tot een tumult in de schutterij van de handboog. Marinus Wauwelaar, ter gelegenheid van de jaarlijkse bijeenkomst van de schutters, 'ontziet zich niet om de heer mr. Jacob Dominicus, schepen en raad van de stad, in zijn kwaliteit als eerste deken van de schutterij op een enorme wijze te bejegenen en heeft ook de hardiesse gehad van haar edelachtbaren aldaar op een ongehoorde wijze te schelden en hetselve in genen dele overeenkomende is met het respect die hij aan haar edelachtbaren als regeerders dezer stad verschuldigd is en ook hetselve niet ongeremarkeerd kunnende worden gelaten'. Wauwelaar wordt door een gerechtsbode aangezegd dat hij binnen 24 uur in gijzeling dient te gaan in de herberg 'de Gouden Leeuw' aan de Grote Markt en aldaar te verblijven totdat over hem nader zal zijn besloten. Enige dagen later verzoekt Wauwelaar hem uit gijzeling te ontslaan. Het is nooit zijn bedoeling geweest de magistraat te beledigen.

In maart 1737 vragen de conciërges van de drie schutterijen toestemming om voortaan 'met één lijkbidder te mogen omgaan en de respectieve schutters de wete te doen en ter begraving te verzoeken en vervolgens de lijkbidders te gelasten de schutterijen daar omtrent niet meer hinderlijk te zijn zoals ze tot nu toe gedaan hebben'. Het stadsbestuur besluit echter hier niet in te treden en het verzoek af te slaan.

In deze jaren komen nogal wat wisselingen voor in de leiding van de schutterijen. Marinus Gorsse, kapitein in de schutterij van de kolveniers, verzoekt vanwege zijn hoge jaren en lichaamszwakheden, ontslag. In zijn plaats komt Arnoldus Verkat, tot nu toe vaandrig in deze compagnie. In de plaats van de luitenant Johan Adriaan van Dorth, die als commies mede vrijgesteld is, komt de stadssecretaris Adolf Hageman, tot nu toe vendrig onder de compagnie van Johan Snoep. Vendrig in de plaats van Verkat wordt Cornelis Pieroom. In de plaats van Simon van Heland, luitenant bij de kolveniers onder kapitein Snoep, die salvo honore is ontslagen, komt de procureur Adriaan Gort en in de plaats van de stadssecretaris Adolf Hageman als vendrig onder die compagnie Johannes Haring. Johan Snoep de oude, kapitein van de kolveniers en brandmeester, verzoekt, als gekomen tot de ouderdom van over de 60 jaren, ontslagen te worden. In zijn plaats benoemt het stadsbestuur tot kapitein Adolf Hageman, tot nu toe luitenant onder de compagnie van de kapitein Arnoldus Verkat. Diens plaats als luitenant onder de compagnie van kapitein Arnoldus Verkat wordt ingenomen door Cornelis Pieroom, tot nu vendrig onder deze compagnie. De vaandrigplaats wordt ingenomen door Pieter Coomans.

Extra-ordinaire compagnie

In september 1735 oordeelt het stadsbestuur dat de dienst van de extra-ordinaire compagnie zeer gemakkelijk kan worden waargenomen door vier personen, zonder dat het noodzakelijk is een kapitein aan te stellen. Besloten wordt dan ook de kapiteinsplaats 'te mortificeren' en tot luitenant aan te stellen Zeger Coorn, de zeefmaker.

De luitenant van de extra-ordinaire compagnie ten plattelande krijgt in 1737 opdracht om 'in het vervolg exact te onderzoeken welke personen continueel de jacht onder dese stedelijke jurisdictie komen te exerceren en, deselve attrapperende, te calangeren, gelijk mede zodanigen die zich niet ontzien des zomers de putten en sloten, door het steken van paling, voor de beesten ondrinkbaar te maken en dus aan de eigenaars van deselve een groot nadeel toe te brengen'.

In 1739 krijgt de extra-ordinaire compagnie nadrukkelijk opdracht met 's Heeren Dienaars 'te verhinderen het omlopen van bedelaars, het spelen van de jongens in de kerke en het werpen van as en vuiligheden op verboden plaatsen'.

Burgerwacht

In september 1734 sluit het stadsbestuur een akkoord met Cornelis Andriesse 'over het slaan van de trommel en het waarschuwen van degenen die de wacht moeten houden gedurende de burgerwacht'. Andriesse krijgt hiervoor een vergoeding van £ 10 per jaar. In 1735 wordt 'een nieuwe en ampele ordonnantie of reglement op de borgerlijke wacht van deze stad vastgesteld, zoals deze in het zwart ordonnantieboek is geregistreerd'. In januari 1735 krijgt de stadsmajoor Jacobus van Cogelenberg, evenals zijn voorgangers genoten bij dergelijke gelegenheden, gedurende de tijd dat de burgerlijke wacht wordt gehouden £ 25 Vlaams traktement in het jaar. Nu de burgerlijke wacht 'niet meer de parade en nachtwacht doet en houdt' wordt in juli 1735 het traktement van de majoor gereduceerd en gebracht op het bedrag zoals het voorheen was, namelijk £ 14 Vlaams, en dat van de trommelslager geheel afgeschaft.

In juli 1735 beraadt het stadsbestuur zich over het functioneren en voortbestaan van de burgerwacht. De voornaamste reden waarom de burgerwacht van nut wordt geoordeeld is 'dat een ieder van behoorlijk geweer zal voorzien zijn mitsgaders van de noodzakelijkste orders en oefeningen, beneffens de officier en compagnie, kundig wezen'. Maar daaraan kan worden voldaan 'sonder dat bestiptelijk ydere avond de parade en nagtwagt wierde waargenomen'. Het stadsbestuur besluit dan ook 'de parade en nagtwagt in soo verre te discontinueren dat deselve van nu af aan, nadat de laatste officier met deselfs corps zijn wacht zal hebben volbracht, niet bestiptelijk ydere avond en nagt als tot heden, maar alleen bij soodanige tijden en gelegentheden als de respectieve officieren daartoe expresse orders zullen ontvangen, sullen worden waargenomen, blijvende voor het overige de ordonnantie op de borgerwacht deser stede gearresteerd in haar geheel, mits aanschouw genomen wordende op de vermindering van de compositie en wachtgelden'.