Aanvulling? Meld het hier.
<<

Stadsbestuur (1734 - 1739)

Verhouding stadsbestuur en kerken

In 1734 komt er een opmerkelijk gebeuren aan het daglicht in de verhouding tussen kerk en staat. In de vergadering van het stadsbestuur van 30 oktober 1734 wordt de presiderende burgemeester Matthaus Eversdijk door de meerderheid van de leden van de raad 'de noodzakelijkheid onder het oog gebracht om aan haar edelachtbaren een propositie (voorstel) te doen wegens de buitengewone en strenge wijze van handelen van de baljuw Hubertus Eversdijk, officier deser stede, omtrent het verbod van handelen, kopen en verkopen op zondagen, door hem aan de gansche burgerij van deze stad gedaan en door drukkende calanges en procedures achtervolgd, ten fine naar gehouden deliberatie daar tegen (als een poinct het welke, ingevolge de wijse, op welke welgemelde heer Officier daar omtrent ageerde, bij vervolg, buiten alle tegenspraak, de sekere ruïne van stad en borgerij moeste na sig slepen) door haar edelachtbaren soodanige middelen mogten worden beraamd als salutairst souden voorkomen'.

'En sijn wel edele beneffens de heer burgemeester Verselewel als tweede burgemeester vervolgens en daar toe insgelijks versogt, sulks beide declinerende, is, om een afkomst daar af te maken, ingevolge van het 15e artikel van het reglement op de raad, na gedane omvraag van de heer Francois de Keijser, als eerste in rang volgende raad der presente leden achter de tweede burgemeester Verselewel, of ter oorzaak als voren propositie zou worden gedaan ja dan neen, met verre de meerderheid van de aanwezende leden goedgevonden dat het voornoemde voorstel in propositie zoude worden gebracht en vervolgens aan burgemeester Eversdijk of bij zijn absentie aan de tweede burgemeester daar toe gegeven en vergund tijd tot de naastvolgende zaterdag, met expresse bekendmaking dat, indien zij hetselve alsnog zouden declineren, zulks als dan door de naast volgende heer in de raad zoude worden gedaan'.

Op de volgende zaterdag weigeren beide burgemeesters opnieuw een voorstel te doen over het als te streng beoordeelde optreden van de baljuw Hubertus Eversdijk bij de handhaving van de zondagsheiliging. Daarop brengt de schepen Francois de Keijser de zaak 'in omvraag'. Verre de meerderheid van de stadsbestuurders neemt daarop een uitvoerig besluit, wat samengevat neerkomt op het volgende.

De baljuw, ook wel genoemd de heer Officier, Hubertus Eversdijk heeft nu sinds enige tijd op 'een seer particuliere en strenge wijse ondernomen de gansche borgerije deser stede het koopen en verkoopen op sondagen, bijsonder onder de kerktijden, niet alleen te interdiceren maar ook een ijder over de minste geringheden ten dien opsigte te calangeren en actioneren, mitsgaders beneffens 's Heeren dienaar op geseijde sondagen de gansche stad door te gaan ende op het onverwagtse, als om de soogenaamde contraventers (overtreders) te ontdekken, sonder onderscheijd in alle huijsen te vallen, de goede borgerije ten hoogsten te intimideren'.

Verder wordt in overweging genomen 'de droevige toestand, waartoe dese voormaals soo florissante stad en borgerije door het dagelijks aanwassend verval van nering en koophandel tsedert eenigen tijd ende dagelijks meerder ende meerder is en werd gebragt. Dat een der deelen van de weijnige neringe, waarvan de goede borgerije als nog jouisseert, deselve mede bijsonderlijk werd toegebragt door de menigte van Rooms Catholijken, dewelke sondags alhier ter kerke komen en in het naar huijs gaan, hetwelk altoos is te midden onder de oeffening van onsen godsdienst, sig van allerhande eetwaren als anders voorsien, ende dat sulks te willen weeren niet alleen is tegengaan het oogmerk dat haar edel achtbaren voormaals hebben gehad van alleen daarom geen Roomscatholijke kerken ten platten lande maar alleen binnen dese stad meerder te willen dulden, maar ook al de voornoemde Rooms Catholijken te noodsaken de voorseide waren op de naastgelegen dorpen in te koopen en dus tot ruïne van de stad deselve te doen floreren. Dat mede bijsonderlijk op meergenoemde sondagen sig veel inwoonders welke het de occasie andersints niet toelaat uit de eilanden van Noord-Beveland en Wolphaartsdijk sig alhier van allerhande noodzakelijkheden komen te voorsien, die door een diergelijk empeschement buiten alle tegenspraak van hier souden worden gediverteerd en genoodzaakt zig ten voornoemde einde naar Zierikzee en Veere te begeven. Dat vervolgens om die en menigvuldige andere redenen van diergelijke natuur uit de voortgang van voorseide tentames van de heer Officier notoirlijk niet anders te verwachten staat als een totale ruïne van de voorgeadvanceerde weinige neringe en koophandel alhier nog vigerende ende eene reductie tot het uiterste verval en ellende van stad en borgerije. Dat de tentames van de heer Officier bestaan in een suivere nieuwigheid, direct aanlopende jegens de ordre, soo inevitabel noodsakelijk tot soutien als boven, daar omtrent tsedert onheugbare jaren geobserveerd en de intentie van het placcaat van policie van het jaar 1583, waar op deselve sig voornamenlijk fundeert, geenszins (niet alleen in soo verre als volgens desselfs sustenue) ten desen is van applicatie, maar ook het selve soo hier als elders alomme buiten geheugen met betrekking tot dit poinct is van disobservantie'.

Het stadsbestuur besluit ter vierschaar bekend te maken 'haar edel achtbarens begeerte te zijn dat met opzicht tot het voornoemde poinct alles werde gelaten in die staat als hetselve, nu sedert een tijd buiten mensengeheugen alhier is geobserveerd en deselve dierhalve niet alleen in judicando sig dien conform sullen gelieven te reguleren, maar deswegens geene aanteijkening van enige eisen ter rolle admitteren of enige voortgang van procedures toestaan, behoudens en uitgezonderd alleen sodanige gevallen, waarin exces omtrent de gewone ingetogen ordentelijkheid ofte anders directe aanstootelijkheden souden mogen wesen begaan, die haar edelachtbaren begeeren dat werden gestraft'.

Tegen deze resolutie protesteren burgemeester mr. Matthaus Eversdijk en schepen mr. Cornelis Keetlaar. Met deze resolutie gaan akkoord Francois de Keijser, Pieter de Vroe, mr. Pieter Parker, Johan Versteeg, Pieter Coomans, Marinus Canisius, J. Keetlaar A. fil, J. Keetlaar D.fil, J. Coomans, Willem Vogel, Cornelis Ossewaarde en Pieter Ossewaarde.

Op 17 september 1735 beklaagt de baljuw Huibertus Eversdijk zich erover dat de procureur Huibertus Craan weigert 'denselven in gelegentheden dat luijden op sondagen in kroegen sittende te drinken wierden ontdekt, te dienen of deswegens jegens deselve enige actie te institueren'. Hij verzoekt dit aan hem op te dragen. Bij meerderheid van de aanwezige leden oordeelt het stadsbestuur dat het hierover bij resolutie van de 30e oktober 1734, over het kopen en verkopen op zondagen gearresteerd, een duidelijk besluit heeft genomen. Ze verklaren nadrukkelijk 'dat ze wel expresselijk begeeren dat na rigeur sullen worden gestraft alle soodanige gevallen, waarin exces omtrent de gewone ingetogen ordentelijkheid of andere directe afstotelijkheden zouden mogen worden begaan, vervolgens daar door de gevallen, in welke een practisijn gehouden is den heer Officier ten dienste te staan, genoegzaam zijn bepaald, en dat derhalve de procureur Craan en alle anderen wel zullen doen sig daar naar te reguleren en de heer officier in diergelijke gelegentheden alle gegronde redenen van klachte te benemen'.

Stadsbestuur

In de eerste vergadering van het nieuwe jaar 1734 houdt het stadsbestuur zich als vanouds bezig met het vermaken van de dekenen en officieren van de gilden. Beslist wordt op de rekesten van de schoolhouders, de herbergiers en tappers, de twee coffyschenkers, de broodbakker in de Voorstad, de zoutverkopers bij de kleine maat en de kleine brandewijn- en meeverkopers. Allen krijgen verlenging van hun functie. Pieter Gunters, Jan Baden en Ysaak Maars blijven deurwaarders van het landrecht. Hetzelfde gebeurt met de drie gerechtsboden, de drie lijkbidders en crieerders en de kapitein en verdere bedienden van de extra-ordinaire compagnie ten plattelande. Sara de Vos, de weduwe van de stadsdrukker Lonis, mag het drukken aan de hand houden.

Al aan het begin van 1734 ontstaan er twee vacatures in het stadsbestuur. De schepen, stadsdoctor Pieter Coomans, verzoekt ontslag van zijn eed als schepen. In zijn plaats treedt aan Jacob Keetlaar Azn. Ook door het overlijden van de licentmeester Johan Leijdekker komt er een schepen- en raadsplaats vacant. In zijn plaats komt als schepen Jakob Coomans en als raad Pieter Ossewaarde.

In 1734 volgt Boudewijn Verselewel de afgaande burgemeester mr. Adriaan Isebree op. In de plaats van de afgaande schepenen Pieter de Vroe, mr. Cornelis Keetlaar, mr. Jakobus Dominicus en Jacobus Keetlaar Azn. treden aan mr. Gillis Cornelis van der Nisse, Johan Versteeg, doctor Marinus Canisius en Willem Vogel, heer van Steenvliet. De afgetreden burgemeester mr. Adriaan Isebree krijgt de functie van pensionaris-honorair.

In 1735 wordt Adriaan Isebree weer in de plaats van de afgaande burgemeester Mattheus Eversdijk verkoren. De afgaande schepenen Johan Rondvis, heer van Wemeldinge, mr. Pieter Parker, J. Keetlaar Dzn, Pieter de Keijser en J. Coomans Jzn. worden opgevolgd door Francois de Keijser, Pieter de Vroe, doctor Pieter Coomans, mr. Cornelis Keetlaar en mr. Jacob Dominicus. Op 3 oktober 1735 overlijdt het lid van het stadsbestuur Johan Rondvis, heer van Wemeldinge, raad van de stad. In zijn plaats komt Adriaan Gort.

In 1736 volgt mr. Mattheus Eversdijk de afgaande burgemeester Boudewijn Verselewel op. Tot schepenen in de plaats van mr. Gillis Cornelis van der Nisse, Johan Versteeg, doctor Marinus Canisius en Willem Vogel worden verkoren mr. Pieter Parker, Jacob Keetlaar Azn, Jacob Keetlaar Dzn. en Cornelis Ossewaarde. De stadssecretaris Cornelis Ossewaarde verzoekt echter hem van zijn eed als schepen te ontslaan. In zijn plaats wordt verkoren z'n broer Pieter Ossewaarde. In november 1736 overlijdt het lid van het stadsbestuur Johan Versteeg. In de vacant gekomen raadsplaats wordt verkoren Johan Willem van Roseveld. Hij betaalt de stad hiervoor een recognitie van £ 100.

In 1737 volgt Boudewijn Verselewel de aftredende burgemeester Adriaan Isebree op. In de plaats van Francois de Keijser, Pieter de Vroe, doctor Pieter Coomans, mr. Cornelis Keetlaar en mr. Jacobus Dominicus worden tot schepenen verkoren doctor Marinus Canisius, Pieter de Keijser, Willem Vogel, heer van Steenvliet, Jacob Coomans en mr. Jan Willem van Rosevelt.

In september 1737 komt het secretariepersoneel in opstand. De secretarissen vinden dat ze al te weinig verdienen. Ze betogen dat hun revenuen door het afgaan van de aanzienlijkste boedels van de weeskamer gering zijn en dat bijna geen penningen ter griffie geconsigneerd worden. Dit zijn twee posten waarin in vorige tijden het grootste gedeelte van hun inkomen bestond. Dit is van jaar tot jaar zo sterk verminderd, dat ze niet langer kunnen nalaten hen enige verbetering van hun inkomen toe te staan.

Het stadsbestuur overweegt dat de revenuen die de secretarissen tegenwoordig genieten zeer gering 'en op verre na naar derselver ambten niet geproportioneerd zijn'. Besloten wordt de secretarissen te ontheffen van de 200 gulden die zij jaarlijks aan de oppergriffier moeten betalen. Die som zal in het vervolg door de stad worden voldaan. In deze periode is Johan Levendale oppergriffier en Boudewijn Landschot ondergriffier.

In 1738 wordt in de plaats van Mattheus Eversdijk tot burgemeester verkoren mr. Adriaan Isebree. De aftredende schepenen mr. Pieter Parker, Jakob Keetlaar, mr. Jakob Keetlaar Azoon en Pieter Ossewaarde worden opgevolgd door Pieter de Vroe, mr. Cornelis Keetlaar, mr. Jakob Dominicus en Cornelis Ossewaarde. In 1738 besluit het stadsbestuur de maaltijd, die jaarlijks ter gelegenheid van de verpachting van ´s lands middelen van consumptie geschiedt, van nu af aan te houden in één van de schutterijen 'bij beurte en bij anders niemand, sullende de voetboge daar van hebben de eerste tour´.

In 1739 volgt Mattheus Eversdijk de afgaande burgemeester Boudewijn Verselewel op. Tot schepenen worden verkoren Francois de Keijser, mr. Pieter Parker, doctor Pieter Coomans, Jacob Keetlaar D.fil. en mr. Jacob Keetlaar A.fil.

Functies en bedieningen

Door het overlijden van mr. Johan Leijdekker ontstaat in 1734 de vacature van licentmeester. Het is nodig dit ambt hoe eerder hoe beter te vervullen. Het Goese lid van Gecommitteerde Raden van Zeeland, Antony Nollens, heer van Bruinisse, wordt verzocht ter Admiraliteit van Zeeland te bevorderen dat de heer Pieter de Keijser, regerend schepen en raad van de stad, 'tot die vacante plaats wordt gepromoveerd en de effectieve collatie van licentmeester op zijn persoon te defereren'. Door de promotie van Pieter de Keijser tot licentmeester vaceert de functie van ontvanger over de goederen aankomende de armen, het weeshuis en het gasthuis. Het stadsbestuur vindt het 'van de uijterste necessiteijt' dat een capabel persoon tot ontvanger over deze goederen wordt aangesteld. De nieuwe administrateur en ontvanger wordt Adolf Hageman.

In 1734 fungeren als procureurs voor de vierschaar en het landrecht Huibertus Craan, Adriaan Gort en Cornelis de Losanne. In 1738 komt er een vierde procureur bij in de persoon van Leonard de Fouw. In 1735 krijgen Jacobus Dominicus Dzn, Leonard de Fouw, Cornelis Harinck en Bernardus Rimmers brieven van voorschrijving aan Gecommitteerde Raden van Zeeland om aangesteld te worden tot notaris. De Fouw, 'nu al vijf jaar aan het comptoir van de heer secretaris Keetlaar in de kennisse der Notarie geoefend hebbende', mag vanaf september 1735 optreden als notaris. Dominicus, die 'nu een geruime tijd door de notaris Adriaan Gort in de gronden van de notarie zo verre is geïnstrueerd geworden', mag vanaf september 1735 het ambt van notaris uitoefenen. Harinck en Rimmers worden in 1735/1736 toegelaten als notarissen. Ook Abraham Lopse krijgt in 1737 zo'n brief van voorschrijving. Hij heeft nu vier jaar op het kantoor van notaris Adriaan Gort in de praktijk van het notarisschap geoefend. Na korte tijd mag ook hij dit ambt in de stad uitoefenen.

In augustus 1737 komt door het overlijden van Johan Versteeg de ontvangersplaats van de 100e penning op de huizen binnen en onder de stad en die van 's lands wachten en van de domeinen van Borssele vacant. In deze functie wordt benoemd de stadssecretaris Cornelis Ossewaarde. Jacobus Dominicus wordt ontvanger van de inkomens van 's landswachten en de domeinen van Borssele.

In 1738 geeft de koopmansbode van Goes op Middelburg, Pieter Gunters, te kennen dat Jan de Saine wekelijks brieven en pakjes naar Middelburg meeneemt en van daar weer terug brengt. De Saine wordt uitdrukkelijk verboden pakjes of brieven van hier naar Middelburg mee te nemen of van daar naar Goes te brengen.

Bloemlezing uit de stadsrekeningen van 1734 tot 1739

1734

Voor uitgevoerde werken voor de stad worden betalingen gedaan aan Pieter Blaaubeen voor reparatie van de stadslantaarnen; Adriaan Tavenier voor stratenmakerwerk; Josias Antonisse voor metselwerk; Marinus Kraamer en Reynier Beto voor timmerwerk; Cornelis de Munck voor reparatiewerk aan de brandspuiten; Jacob Huisman voor timmerwerk aan de stadshuizen en windkorenmolen; Marinus Wauwelaar voor schaliewerk aan de stadsgebouwen; Adriaan van Beijsselaar voor geleverd touwwerk; Dignus Proost voor gedaan schilderwerk en Jan van Exem voor geleverde glazen aan de stadshuizen; de beul Willem Blom, meester van den scherpen sweerde te Bergen op Zoom, voor het met roedengeselen en brandmerken op de 28e september 1835 van Jan Vermeule.

1735

Betaald is aan de stadsdrukster Sara de Vos voor 'het op beste schrijvpapier drukken van twee boek paspoorten en het drukken van de ordonnantie rakende de potschippers en damlopers'; David de Klerk voor geleverde 3800 mutsaardbonders en dertig gemaakte nieuwe tenen manden; juffrouw Isabella Soute voor geleverde 123 ellen lijnwaad £ 23.3; Isaac Tavenier voor levering van 211 olmen bomen £ 10.11; Johannes van Thiel voor aan de stad voor de zwanen geleverde haver en bonen £ 3.9.6; de scheepstimmerman Cornelis Welle voor enige reparaties aan de slikpont en het maken van een nieuwe boot voor de boomsluiter £ 39.5.

1736

Betaald is wegens voor de stad gekochte groot plakkaatboeken £ 38.4.4; de stadsdrukster Sara Lonis-de Vos voor het drukken van 200 exemplaren van de Ordonnantie op de wijnkopers, tappers en herbergiers; Floris Schaleven voor aan de draaibrug en de daarbij staande poort gedaan timmerwerk £ 108.6.8; Jacob van der Baan voor reparaties aan de stadsbleyk bij de Ganzepoort £ 16; Job Dobbeldam voor het volaarden, matten en krammen van de westzijde van de havendijk en arbeid £ 48.10; Hendrik Nieuwburg voor het volaarden, matten en krammen van de oostzijde van de havendijk £ 23.10.

1737

Betaald is aan Francois Wittiers voor metselwerk van de riolen op het plein voor de schutterij van de handboog £ 4 en voor het metselwerk van vijf op de stadswallen nieuw te maken privaten £ 18.1; Zeger Lammens voor het schilderen van de Ganzepoort en de stadsbalans £ 27; David Steur voor het maken van enige bruggetjes en leuningen aan de Karnemelkseput £ 32; Mahieu Rijkaart voor timmeren en geleverd hout wegens gemaakte 'swaane hocken' £ 27, aan de watermolen gedaan timmerwerk £ 16, aan de oude haven £ 30, voor geleverd hout en timmerwerk aan het boomhoofd £ 36 en voor nieuw gemaakte secreten op de stadswallen £ 24.14; Steven van de Werken voor vier tonnen beste Moskovische teer £ 3.18; Hendrik Nieuwburg voor het opmaken en met tuinen en zoden bezetten van een gedeelte van de westzijde van de havendijk £ 89; Jacob Goosse voor het volaarden, matten en krammen van de westzijde van de havendijk, lang 239 roeden, £ 19.18.

1738

Betaald is aan aannemer Jacob Huysman voor metselwerk aan de riolen op de Beestenmarkt £ 22; schilderbaas Jacob Louwaart voor het schilderen van de Oostpoort, de 's-Heer Hendrikskinderenpoort, de Koeypoort en de Bleykveldse poort £ 52.14; wagenmaker Marinus Vertregt voor twee nieuwe bakwagens, een voor het ruimen van de riolen en een tot gebruik van het visperk £ 1.11; Adriaan Huysman in het gasthuis een dood lichaam geanatomiseerd hebbende £ 1.11.6; de scheepstimmerman Cornelis Welle voor het maken van een nieuwe baggerboot en reparaties aan twee oude baggerboten, £ 84.12; stadskarreluiden voor hetgeen deze met hun paarden en wagen hebben genoten om het dijkje tussen de oude en nieuwe haven bij de zoutketen te helpen volaarden en verhogen £ 12.8.6; Hendrik Nieuwburg voor het rijswerk voor de sluis aan de oude haven hebbende aangenomen £ 66.13.4; Michiel Visser heeft de omvergevallen muur aan het kasteel van Engelenburg aangenomen op te metselen mitsgaders aan de muur bij de windkorenmolen, alles tezamen voor £ 129.1.9; Florentius Schaleven voor het maken 'van een schuythuysje in de soete veste' £ 11.10 en voor het maken van een kalk- en steenkot buiten de Bleykveldse poort £ 11.

1739

Betaald is aan David Steur voor het timmerwerk aan de te repareren sluis van de oude haven £ 70; Michiel de Visser voor het maken van 23 roeden metselwerk aan de kaai en de muur bij de Oostpoort en het toezetten van 4 roeden groeven in de kaaye £ 47.8.8; Pieter Bruinincx voor het diepen en uitgraven van het vak tussen de Hoofdpoort en de Stenen beer £ 10; Marinus van Leeuwen het restant voor het aanvullen van de nieuwe kaayingen bij de oude haven £ 3.16; Lieven Temperman, 's Heeren dienaar, voor hetgeen hij wegens het setten van Johanna van de Velden in het tuchthuis te Middelburg had betaald £ 28.0; Hendrik Nieuwburg het restant van het voor de sluis van de oude haven aangenomen werk wegens zinkwerk van rijs, steen en zoden £ 22.4.6; Pieter van Strien voor geleverde 54 pond touw voor de sluis bij de keeten en de mol £ 2.6.0; Boudewijn Craamer voor de kaayinge bij de spuisluis bij de zoutkeeten £ 23.7.6; David Steur voor aan de sluis en stortebedde bij de oude haven gedane reparaties £ 37.3.10; stadskarreluiden voor het met paarden en wagens gevoerde zand aan de zandweg bij de sluis aan de oude haven bij de keeten £ 3.6; Jan van Thiel tot onderhoud van deser stede swaanedrift in de winter geleverde 83 zakken haver £ 28.3.7; Adriaan Tavenier voor het maken en verleggen van 300 roeden wandelpad aan de havendijk £ 44.5.