Aanvulling? Meld het hier.
<<

Zorg (1734 - 1739)

Hygiëne

De stadskarreluiden verzoeken in 1738 de as van de godshuizen particulier te mogen verkopen. Het stadsbestuur besluit hen tot wederopzegging toe te staan om de as, die door hen uit de drie kerken en het oude manhuis, het weeshuis en het gasthuis wordt opgehaald, van de andere vuilnis af te zonderen en deze apart te verkopen.

Apothekers

De apotheker Abraham Levendale overlijdt in 1737. Zijn vader, Johannes Levendale, houdt de apothekerswinkel aan de Lange Kerkstraat nummer 10 gaande totdat deze verkocht kan worden. De dekenen van het chirurgijns- en apothekersgilde, Pieter de Vroe, Pieter Ossewaarde, Jacob Coomans en Hendrik van Holst, uiten hun ongenoegen dat Levendale senior de winkel heeft verkocht, maar desondanks voortgaat met medicamenten te verkopen. Op hun verzoek gelast het stadsbestuur Johannes Levendale de apothekerswinkel van zijn overleden zoon Abraham te sluiten en verder geen medicamenten daaruit te verkopen. In oktober 1737 wordt de apotheek van Levendale gekocht door Johan Frederik Vola. Deze geeft te kennen dat hij zijn proeve als apotheker ten overstaan van twee heren uit de magistraat wenst te doen. Tevens verzoekt hij van nu af aan de door hem gekochte apotheek te mogen openen en medicamenten te verkopen. Voor het bijwonen van de proeve wijst het stadsbestuur aan de secretaris Cornelis Ossewaarde en mr. Johan Willem van Roseveld. Een beslissing op het andere verzoek wordt overgelaten aan de dekenen van het chirurgijns- en apothekersgilde.

Chirurgijns

In 1734 overlijdt de stadschirurgijn Adam van de Lerse, wonend in het pand 'Zierickzee' aan de Grote Kade 12. Tot nieuwe chirurgijn wordt benoemd Hendrik van Holst, afkomstig uit Middelburg.

De chirurgijn Adriaan Huysman krijgt in november 1738 toestemming 'om het lichaam van seker vreemd persoon, voor desen te Middelburg gegeseld en in het gasthuis alhier overleden, te anatomiseren'. Het overschot van het geanatomiseerde lichaam moet op het ordinaire kerkhof worden begraven. Een zekere Johan Joseph Nentwig, wonende te Boer in Duitsland, geeft in 1739 te kennen dat hij 'sig eenigen tijd geoeffend had met het genesen van blindheijd, doofheijd, breuken en veel andere qualen meer en daar in soo verre geavanceerd is dat hij daar van diverse curen heeft gedaan, dewelke van de gewenste uijtslag sijn geweest'. Hij verzoekt vergunning 'om gedurende twee maanden of zolang het haar achtbaren behaagt sijne konsten binnen dese stad te mogen exerceren'. Zijn verzoek wordt afgeslagen.

Vroedvrouwen

De stadsvroedvrouw Cornelia van de Putte vertrekt in 1737 naar Vlissingen. Het is daarom nodig dat deze plaats hoe eerder hoe beter vervuld wordt. Na ontvangst van een gunstig rapport over een sollicitante, wordt tot stadsvroedvrouw aangesteld Maria de Fijts, wonend in het eiland van Wolphaartsdijk, op een tractement van £ 25.

In augustus 1737 dienen de stadsvroedvrouwen ernstige klachten in. Naar aanleiding daarvan besluit het stadsbestuur 'een ieder te verbieden enige functie of excercitie als vroedvrouw in en onder deze stadsjurisdictie te doen, op pene dat die sulks echter mocht komen te onderstaan, verbeuren zal een boete van 15 guldens'. Hiervan worden nochtans uitgezonderd 'extra-ordinaire gelegenheden, waarin evenwel geen particuliere vrouwspersonen sullen mogen worden geëmployeerd dan na verkregen permissie van de burgemeester'.

In november 1737 besluit het stadsbestuur, 'op het ernstige en ootmoedige verzoek van verscheidene vrouwspersonen wonende in de Voorstad en onder deze stadsjurisdictie' alle vrouwen, die buiten de stadspoorten wonen, die Cornelia Jans, vroedvrouw in de Groe onder Cloetinge, in barensnood tot hun assistentie gebruikt hebben, toe te staan om Cornelia Jans verder als vroedvrouw te gebruiken.

Het blijkt in augustus 1739 dat, doordat de vroedvrouwen onderling geen verdeling hebben gemaakt over het bedienen van arme luiden, sinds enige tijd verscheidene ongeregeldheden zijn voorgevallen. Het stadsbestuur besluit de vroedvrouwen te gelasten 'om in het vervolg de luiden, die zij gratis en om niet moeten helpen, bij beurten van drie maanden te bedienen met deze bepaling nochtans dat, ingeval het mocht komen te gebeuren dat die het haar tour was en bij een ander eerder mocht geroepen wezen en dus aldaar vast zat, de tweede vroedvrouw, schoon het hare drie maanden niet zijn, zodanig arm persoon zal moeten bedienen. En dat wijders geen vroedvrouw, die reeds bij iemand om in barensnood te assisteren in huis van dezelve is, zal vermogen daarvan af te gaan en een ander, in hope of in verwachting van meerder profijt te bedienen, op een boete telkens van twintig Zeeuwse rijksdaalders'.

Simpelhuis en gasthuis

Pieter Baroen krijgt in 1738 toestemming om zijn vrouw Cornelia Duijnkerke, 'die sedert vijf maanden van het gebruik van haar sinnen is beroofd en zich ten enenmale buitensporig is aanstellende, in een verbeterhuis tot 's Hertogenbos of elders, daar het hem bekwaamst en civielst zou voorkomen, te doen'. In oktober 1739 deelt Pieter Baroen mee 'dat zijn vrouw over enige maanden naar Dordrecht in het aldaar zijnde simpelhuis getransporteerd zijnde, door des Heeren goedheid het gebruik van haar oordeel en zinnen zodanig machtig was geworden dat deselve klaarblijkelijk schijnt in staat te sijn om op nieuws het bestuur van haar huishouden te kunnen aanvaarden'. Hij krijgt toestemming zijn vrouw weer op te halen.

Het stadsbestuur besluit in december 1739 'een vreemd persoon, wiens been gebroken is, in het Gasthuis op te nemen. Als hij nog geen jaar en zes weken in de stad gewoond mocht hebben en dus als vreemdeling beschouwd moet worden, zal hij ten laste van het Gasthuis worden genomen; heeft hij hier langer gewoond dan komt hij ten laste van de armen'

Arm- en weeshuis

Door het overlijden in 1734 van mr. Johan Leijdekker ontstaat een vacature van buitenregent van het huis. In deze vacature wordt benoemd de stadssecretaris Cornelis Ossewaarde. Ook in 1738 overlijdt een buitenregente, Johanna Hobius. In haar plaats komt Elisabeth Johanna van Dorth, dochter van de vroegere burgemeester Johan van Dorth en echtgenote van mr. Jacobus Dominicus.

In september 1734 maken de buitenregenten bekend dat het huis aan verscheidene personen over de £ 600 verschuldigd is. Ze zijn niet in staat het huis langer gaande te houden en verzoeken een middel aan te wijzen om de schulden te voldoen. Het stadsbestuur besluit een kapitaal te verstrekken van £ 1000, dat door de stad voor de armen is verkregen uit een legaat.

In 1736 melden de buitenregenten van het arm- en weeshuis 'dat in 1731 door Crijn de la Sable, op order van het stadsbestuur, ter secretarie waren gebracht enige stukken silver, bestaande in drie silveren bekers en een hoorn met silvere banden, behoord hebbende aan een zeker, doch onbekend, uitgestorven gilde. En dat door niemand tot nog toe op dat zilver enig recht gepretendeerd zijnde, het onwaarschijnlijk is dat sulks ooit zoude geschieden'. Ze verzoeken dit zilver nu aan het arm- en weeshuis te schenken. Het stadsbestuur besluit 'dit aan de huizen te vereren'.

In november 1736 geven de buitenregenten opnieuw 'de beklaaglijke toestand van de innekomens van het huis' te kennen. Hierdoor zijn ze niet in staat om aan de ontvangers van de staten- en waterpenningen te betalen de excessieve achterstallige gelden, bedragende alleen al over 1735 ongeveer £ 650, als ook niet aan de winkeliers over gedane leveranties van allerhande waren en anderen tot circa £ 350 en dus in het geheel een som van circa £ 1000. Ze verzoeken een middel aan te wijzen om de onkosten te betalen. Het stadsbestuur overweegt dat de stad aan het huis nog verschuldigd is een kapitaal van £ 666.13.4. Dit bedrag zou tot betaling kunnen worden gebruikt. De rentmeester krijgt machtiging 'om die som af te leggen' en de buitenregenten mogen een lening aangaan van £ 333.6.8.

 

Sociale zorg

In juni 1737 ontvangt het stadsbestuur een rekwest van Casimirus de Ottenhaus en Johannis de Perrin, gedeputeerden van de Synode van het Groothertogdom van Pools Litouwen van de Gereformeerde belijdenis. Daarin wordt 'ootmoedig verzocht dat deselve tot ondersteuning van de kerken en maintenu van het vrije Evangelium aldaar, gelieven te assisteren, met eene charitable gifte'. Het stadsbestuur besluit de gedeputeerden te vereren met een som van twintig Zeeuwse rijksdaalders. Tevens krijgen ze toestemming om binnen de stad en jurisdictie 'bij de goede borgerij en ingesetenen te doen een collecte'.

De rector van de Latijnse school, Carel Coenraad Reitz, dient in juli 1737 een rekest in. Hij verzoekt voor een zekere Anna Veronia Elisabeth Rundin, die om de gereformeerde religie te Coblenz ter dood is veroordeeld, 'doch echter op een wonderlijke wijze in een bijna naakt wegjagen uit die stad geconverteerd', toe te staan om in de stad een collecte te doen voor het oprichten van een zeepziederij. Het stadsbestuur besluit dit verzoek om de gevolgen hiervan af te slaan, doch 'aan deze vrouw uit consideratie over haar erbarmenswaardige toestand uit stadskasse te geven de som van vijf ponden en twee schellingen'.