Aanvulling? Meld het hier.
<<

Gilden (1740 - 1746)

Arbeiders-, zakdragers- en bierdragersgilde

Het stadsbestuur besluit in januari 1741 om 'bij desen dueren tijd' de gilden van de bierdragers en arbeiders met enige van de behoeftigste personen uit de stad aan te vullen. 16 personen worden tot bierdragers en 22 tot zakkedragers aangesteld.

De dekenen van het arbeidersgilde geven in 1742 te kennen 'dat van onheugbare tijden bij een iegelijk schipper, binnen deze stad Schotse kolen lossende, van iedere lading aan het gilde is gegeven ten dienste en nutte van de gemene gildebroeders te gebruiken, een stuk kole van omtrent 20 à 25 ll, hetwelk hun voorkomt tot zeer veel nut voor de borger en koopman te wezen, dewijl de gildebroeders te meer zich in gemeld huisje bevinden en dus in staat zijn om zoveel te spoediger de burger en koopman te helpen. Dat hun het geven van genoemd stuk kole bij dese en gene geweigerd wordende, zij vervolgens haar edel achtbaren met alle eerbied verzoeken van een iegelijk schipper te ordonneren om van elke lading Schotse kolen aan het gilde zodanig stuk kole of wel de kwantiteit van dien te geven, anders zoo veel meer of min als haar edel achtbaren zullen gelieven te stellen'. Het stadsbestuur vindt dat niet in dit verzoek kan worden getreden en wijst het af.

Opnieuw besluit het stadsbestuur eind december 1743, 'om vele personen vooral in dit winterseizoen enigszins te ondersteunen', 23 personen in het Sint Jansgilde voor de arbeiders en 22 personen het bierdragersgilde aan te stellen.

De dekenen van het bierdragersgilde geven in 1743 te kennen dat altijd aan de gildebroeders is toegestaan om, tot gerief van de aankomende schippers, burgers en koopluiden, zowel op zaterdag als dinsdag tussen twaalf en een uur te smakken. Dit is altijd een oude gewoonte geweest. Maar volgens de ordonnantie op het gilde kan niet worden aangetoond dat dit zowel op zaterdag als op dinsdag is toegestaan. Daarover hebben enige gildebroeders moeilijkheden gemaakt. Het stadsbestuur besluit de arbeiders in het bierdragersgilde toe te staan om zowel op zaterdag als op dinsdag 's middags tussen 12 en 1 uur te smakken, mits ze zich wat betreft het verwerken van wijn, bier en azijn aan de letter van de ordonnantie houden.

Ook in 1743 wijzen de dekenen van het arbeidersgilde het stadsbestuur op het bepaalde in een oude resolutie. Op 5 januari 1664 is namelijk bepaald dat het iedere burger die goederen heeft te bewerken vrij staat ten alle tijde daartoe te verkiezen een vrijman uit de gildebroeders van het gilde naar zijn believen. Het is echter verboden met iemand van buiten het gilde te werken indien er enige gildebroeders te krijgen zijn. Ze doen hun beklag over de gortmolenaar Steven Poelman van de molen 'de Grenadier' op het Ravelijn de Grenadier. Deze heeft het, 'tot groot nadeel, ja zelfs tot een genoegzame tenietdoening en ondergang van het gilde, waarvan een menigte personen met vrouw en kinderen hun bestaan hebben, ondernomen op dinsdag 6 augustus 1743 uit zijn graanwasserij, staande aan zijn gortmolen, door zijn knecht en Jan Ouwendijk als vrijman, doen bewerken en op zijn wagen brengen 120 zakken graan, zonder daartoe iemand anders van het gilde te gebruiken dan voornoemde Ouwendijk als vrijman, en ook weigerig geweest te gebruiken dan alleenlijk om die granen met zijn wagen op de kaai gebracht zijnde, af te laden en scheep te brengen etc'. Maar het stadsbestuur verklaart deze klacht ongefundeerd. Het vindt 'dat Poelman en zijn graanwasserij, mitsgaders Jan Ouwendijk, door Poelman niet als vrijman maar als actuele moolknecht tot het bewerken van de tarwe op de molen is gebruikt'.

Schoenmakers- en zadelmakersgilde

De dekenen van het gareel- en schoenmakersgilde, het Sint Crispijngilde, geven in 1741 te kennen 'dat door de tegenwoordige droevige tijdsomstandigheden, het swaar borgen en de vermeerdering der gildebroeders, alsmede dat op de alhier zijnde jaarmarkt het verkopen van schoenen, muilen, paerdeharnassen, etc. tot heden toe is gepermitteerd geworden, die van hun gilde zig buiten staat bevinden om door hun handwerk hare familie verder, zelfs in een geringe borgerstaat, te konnen onderhouden'. Daarom voelen ze zich genoodzaakt het stadsbestuur te verzoeken iedere 'vreemdeling' te verbieden op de aanstaande jaarmarkt enig schoen- of gareelmakerswerk in te brengen. Het stadsbestuur heeft hier begrip voor en besluit aan alle vreemdelingen te verbieden het inbrengen van enig schoen- of gareelmakerwerk op de aanstaande jaarmarkt. Voortaan zal buiten de jaarmarkten dergelijk werk niet mogen worden ingebracht om verkocht te worden.

Opnieuw komt er, in juli 1743, een rekest van het schoen- en gareelmakergilde binnen naar aanleiding van de resolutie van 16 maart 1743. Daarbij is op het verzoek van de stadsregeringen van Rotterdam en Gorinchem aan de schoenmakers binnen die steden toegestaan om op de jaarmarkt te Goes hun gemaakt werk te verkopen. Tot voorkoming van hun totale ruïne verzoeken ze het verkopen of inbrengen van vreemde schoenen en muilen te verbieden en daarom die resolutie in te trekken. Verder verzoeken ze hun het recht te verlenen 'dat geen vreemdeling of iemand buiten hun gilde binnen deze stad en jurisdictie zal vermogen enige huiden in te kopen dan alleen de vellenbloters alhier en dat deselve, door de meerdere last dan voordeel aan het gilde sijnde, ieder jaarlijks daarvan, ten profijte van het gilde, zullen moeten betalen drie guldens'. Maar het stadsbestuur besluit dat niet in hun verzoeken kan worden getreden en wijst deze af. De dekenen van het gilde, Joris de Vrindt, Kleeuwaart Leene en Jacob Soetebier, komen in 1746 nogmaals terug op deze kwestie. Verscheidene schoenmakersbazen uit Rotterdam en Gorinchem hebben op de Goese jaarmarkt zeer veel schoenmakerswerk ingebracht en verkocht. Dit is zeer tot hun nadeel. Het maakt niet uit of de Goese schoen- en gareelmakers toestemming hebben of niet, om hun gemaakt werk op de jaarmarkten te Rotterdam en Gorcum in te brengen en te verkopen. Het is 'buiten geheugen van mensen dat iemand uit deze stad met zijn gemaakt werk daarheen verreist is en het is buiten alle bedenken dat iemand zulks ooit doen zal'. Echter, de armoede onder sommige schoenmakers binnen Goes is sinds hun rekest zo toegenomen, dat enige gildebroeders in de afgelopen winter van de armen moesten worden onderhouden. Het is te vrezen dat door vermindering van werk, duurte van het leer, en dergelijke nog meer gildebroeders tot de armen zullen vervallen. Daar komt nog bij dat de meeste bazen nauwelijks in staat zijn om hun families in een geringe burgerstaat te onderhouden. Ze verzoeken nogmaals dringend om een voorziening. Het stadsbestuur blijft echter van oordeel dat in hun verzoek niet kan worden getreden en dat gepersisteerd dient te worden bij de resolutie van 16 maart 1743.

Schippersgilde

In maart 1741 beklaagt een Amsterdamse schipper zich over de invordering van haven- of boomgeld in de Goese haven. Naar aanleiding hiervan besluit het stadsbestuur de havenmeester te gelasten voortaan van geen vreemde schippers haven- of boomgeld te eisen als alleen van schippers van die plaatsen waar dit ook van de Goese beurtschippers wordt afgevorderd 'en dus deselve egaal met de schippers van deze stad in dusdanige gevallen te tracteren'.

De dekenen van het schippersgilde geven in maart 1741 te kennen hoeveel het jaarlijks inkomen van het gilde bedraagt en welke lasten zij daar tegenover hebben. Ze verzoeken uit consideratie met het gering inkomen van de schippers maatregelen te nemen. Het stadsbestuur besluit de dekenen (om deze in het verval van hun jaarlijkse lasten zo veel doenlijk tegemoet te komen) toe te staan om van iedere schipper, onvrij en geen gildebroeder zijnde en hier willende laden, ten profijte van hun gilde af te vorderen een schelling en van de buitenschippers, zo dikwijls ze komen in te laden en zonder onderscheid of de goederen weinig of veel waard zijn, vijf schellingen en voor de knape één schelling. Dit besluit wordt echter in juni 1741 weer ingetrokken. Het blijkt namelijk dat door deze belasting op alle vreemde schippers die binnen de stad komen inladen 'de commercie een groot nadeel ondervindt'.

In april 1741 geeft schipper Dignus Boutens uit naam van zijn zoon Cornelis te kennen dat hij genegen is om een nieuw schip met een berghout, 'soo als jegenwoordig op vele plaatsen komt te geschieden', te laten maken. Hij krijgt hiervoor toestemming. Ook schipper Lucas van Nakke krijgt toestemming om een nieuw schip met een berghout te laten maken of een dergelijk schip te kopen. Schipper Johannes van de Steene mag in juni 1741 als schipper van deze stad in het schippersgilde varen op zijn gekochte smalschip. Dit naar aanleiding van een verzoek van Van de Steene 'om hem niet jegenstaande hij professie doet van de Roomse religie, te accorderen om in het schippersgilde als schipper te mogen werden aangenomen'. Ook schipper Antony van Schakerloo verzoekt in 1744 vergunning om met een schip met een berghout in het gilde te mogen varen. Dit is ook al aan andere schippers toegestaan. Het stadsbestuur vindt het bij nader inzien wat al te ver gaan zich hier druk over te maken. Het besluit dan ook 'alle schippers, alhier nu zijnde of naderhand in het gilde komende, toe te staan om, zonder daartoe een verzoek te doen, met een schip met een berghout in het gilde te mogen varen'.

Nòg een zaak houdt de dekenen van het schippersgilde in 1741 bezig. Ze betogen dat 'door een groot gedeelte van de gevrogten in de zoutketen en buiten hen nog door anderen binnen de stad, zogenaamde hoogaesjes ofte bootjes, sloepjes en verdere kleine vaartuigjes gehouden worden, dit onder het voorwendsel dat zij het alleen voor hun plaisier zijn doende om nu en dan daarmee wat te gaan vissen of mosselen of kreukelen te rapen of krabben te vangen etc. Echter zij komen hun vaartuigjes mede te gebruiken tot het wegbrengen of varen van passagiers die elders naar toe willen'. Dit is tot groot nadeel van de beurtschippers. Ze verzoeken het stadsbestuur een ieder te verbieden met zogenaamde hoogaarsjes, zonder dat men met een vaartuig in het schippersgilde vaart, passagiers te vervoeren.

Bakkersgilde

Het blijkt dat de dekenen van het bakkersgilde in 1740 ondernomen hebben om het witte en gebuilde brood, tegen het uitdrukkelijke verbod, hoger te laten verkopen als op het pas door de 'keurmeesters van den broode' gesteld. De dekenen moeten ter vergadering van het stadsbestuur komen. Ze krijgen een berisping over het eigenmachtig verhogen van de prijs van het brood.

Ook in december 1740 doen zich klachten voor 'dat de dekenen van het bakkersgilde te meermalen sedert enige tijd zich hebben durven verstouten enige verschikking te maken in het pas van den broode, zoals hetselve bij de respectieve heren pasmeesters was afgegeven en hun geïnsinueerd, hetgeen van dangereus gevolg is'. Het stadsbestuur besluit hen voor het toekomende dit nadrukkelijk te verbieden.

Maar ook in 1741 is er onvrede bij het bakkersgilde. De dekenen en gildebroeders betogen dat het stadsbestuur besloten heeft om elke zak graan, door hen op de molen gebracht om te worden gemalen, te belasten met één groot Vlaams ten behoeve van de stadswegers. Niettegenstaande dat zijn er nooit meer granen in het stadsweeghuis door de stadswegers afgewogen en is het weeghuis sinds lange tijd in onbruik. Niettemin hebben de stadswegers één groot Vlaams per zak genoten, zonder daarvoor de minste moeite te doen. Ze verzoeken om nu, ter gelegenheid van het overlijden van de stadsweger Marinus Gerardse, deze wegersplaats op te heffen en hen te bevrijden van het weeggeld van één grootje per zak, temeer omdat buiten Goes geen bakkers in de gehele provincie daarmee zijn belast. Het verzoek is ondertekend door de bakkersbazen Jan van der Stelle, Joos de Jonge, Pieter Huysman, Gillis de Breu, Willem Beijaard, Marinus Stevense, Jan Trimpe, Cornelis Oversluijs, Matthijs Ratel, Jacob Gorsse, Adam Kolve, Daniël van der Meerse, Cornelis Snoep, Joannis de Lamaire, Sander Visser, Cornelis van den Berge, Jan Soetebier, Marijnis Schelstrate, Jan de Seijne, Pieter Verdonck, Cornelis Ooms en Jacob van Stee.

Timmerluidengilde

De dekenen van het timmerliedengilde vragen in 1744 aandacht 'voor het van tijd tot tijd door hen en op aanklagte van verscheidene bazen ontwaren dat vele en verscheidene knechts, geen vrije bazen zijnde, zich verstouten om niet alleen voor zich zelf even of ze vrij bazen waren te werken, maar dat hetselve zo verre gaat dat deselve knechts van de burgerij in het publiek werken komen aan te nemen tegen haar edel achtbarens goede oogmerken en ordonnantiën'. Het stadsbestuur besluit 'te ordonneren dat geene knechts, enig timmer-, metsel of ander werk, tot het gecombineerde timmerluidengilde betrekking hebbende, hetzij publiek of onderhands in het vervolg voor eigen rekening zal vermogen aan te nemen'. Ook zullen geen knechts in deze werken voor iemand in daggeld mogen werken dan alleen onder een baas of weduwe.

Smedengilde

Het smedengilde betoogt in augustus 1740 dat, niettegenstaande dit bij resolutie verboden is, het meermalen komt te gebeuren dat vreemde personen buiten de jaarmarkt binnen de stad met allerlei gemaakt zilver- en goudwerk te koop omleuren en dus de ordonnanties komen te overtreden. Ze verzoeken, tot bevordering van de welstand van hun gilde en tot voorkoming van de ruïne van sommige gildebroeders, daar tegen te voorzien met het verhogen van de boeten. Ze verklaren dat Pieter de Zager de jonge heeft kunnen goedvinden 'die resoluties sedert een geruime tijd publiek te overtreden met niet alleen zich zelf door een geschilderd uithangbord voor horologiemaker of verstelder uit te geven, maar dit ook dadelijk te ondernemen. Ze verzoeken De Zager en in het algemeen een ieder te verbieden het maken, vermaken of repareren van huis- en torenhorologiën tot zolang dat aan de ordonnanties zal worden voldaan'. Het stadsbestuur besluit de boete tegen degenen die, buiten de jaarmarkt, van buiten met gemaakt goud of zilverwerk binnen de stad komen te leuren, te verhogen tot twintig gulden, waarvan drie gulden tot profijt van het smedengilde en het resterende tot profijt van het weeshuis. Verder wordt Pieter de Zager gelast zijn uitgehangen bord te verwijderen en geen reparatie aan enig huis- of torenhorloge te doen zolang hij de daartoe staande proeve niet heeft gemaakt.

In 1744 - als alle weerbare burgers zich van een schiet- of sijdgeweer moeten voorzien -menen de dekenen van het smedengilde dat alleen de Goese smeden snaphanen mogen verkopen. Maar het stadsbestuur - doordrongen van de noodzakelijkheid dat de burgerij bewapend wordt - besluit met enige irritatie 'dat snaphanen en sijdgeweer niet gecomprehendeerd zijn onder of betrekking hebben tot het smedengilde en dat verder een ieder vrijheid heeft om deze schiet- en sijdgeweren ten alle tijde te verkopen'.

Beenhouwersgilde

De beenhouwer Leendert van Hoorn betoogt in september 1744 dat hij al een geruime tijd geleden aan de dekenen van het beenhouwersgilde zijn wens kenbaar heeft gemaakt om de vleeshouwerproeve te doen. Maar de dekenen verzinnen allerlei uitvluchten en, nu hij zich metterwoon in de stad heeft gevestigd, hebben ze hem dit geweigerd, omdat hij geen twee jaar bij een baas in Goes zijn leerjaren heeft doorlopen. Hij heeft dit echter bij een vrijbaas te Middelburg gedaan en is daardoor tot het doen van een proeve ten volle toelaatbaar. Het stadsbestuur gelast de dekenen hem de proeve af te nemen.