Aanvulling? Meld het hier.
<<

Haven en vaarwater (1740 - 1746)

Verlanding vaarwater

In april 1741 bespreekt het stadsbestuur een plan om de Staten van Zeeland voor te stellen de hoek aan de Goese Polder af te snijden tot voorkoming van een totale verlanding. De regenten mr. Cornelis Keetlaar en mr. Jacob Dominicus worden in december 1741 aangewezen om de inspectie bij te wonen door de heren van de Rekenkamer van Zeeland 'van het vaarwater bij Ter Logt en het leggen van een rijsberm aldaar, waartoe ter Staatsvergadering is gedaan enig soulaas, die het weren van de droogten voor en omtrent het Hoofd zoude kunnen toebrengen'. Na een half jaar ziet Keetlaar het niet meer zitten en verzoekt ontslag uit zijn functie 'tot het assisteren bij de inspectie der droogtens omtrent het hoofd van de stad mitsgaders om middelen te helpen beramen waardoor deselve nog van dag tot dag accresserende droogten zouden kunnen worden geweerd'. Het lijkt er op alsof de Staten van Zeeland de problemen van de verlanding van het vaarwater niet al te serieus nemen. Er wordt erg laks op de pleidooien en verzoeken van het Goese stadsbestuur gereageerd.

Op 6 april 1743 constateert het stadsbestuur dat - niettegenstaande alle aangewende pleidooien en middelen door de gedeputeerden van Goes - de staten nog steeds niet bewilligd hebben om middelen in het werk te stellen die door ingenieur Wiltschut en enige inspecteurs tot voorkoming van verdere verlanding van de stad in september 1738 aan de hand zijn gegeven. Overwogen wordt 'dat de droogten beoosten het hoofd naar Cattendijke sedert dien tijd niet alleen considerabel zijn geaccresseerd en op het punt staan van inreparabel te worden, maar dat ook bewesten het hoofd alwaar over weinige jaren de geladen hoekers op laag water vlot lagen, sedert enige tijd het vaarwater door een van dag tot dag aanwassende plaat zodanig is en wordt belemmerd, dat ordinaire geladen vaartuigen niet anders als met hoog water en veeltijds niet dan met springtije daar over kunnen passeren. Dat ook het seizoen sterk begint in te schieten tot het maken van de voorgeslagen werken en dat dus te vrezen is dat, indien ten allerspoedigste daarmede niet voortgegaan wordt, de vaart van en voor deze stad ten eene male en voor altoos zal wezen gestremd'.

De Goese gedeputeerden naar de eerstkomende statenvergadering krijgen opdracht om in te brengen 'dat het stadsbestuur van Goes met leedwezen ondervindt dat na zo langdurige deliberatiën de staten zich tot heden toe niet favorabel hebben geuit om in het werk te stellen een der voorgeslagen plannen om, ware het doenlijk, een gehele verlanding voor deze stad te voorkomen'. Betoogd wordt 'dat de heren van Goes altijd hebben meegedacht met verzoeken van andere steden om gelden voor zulke calamiteiten. Dat het stadsbestuur van Goes daarom verwacht had dat de andere leden nu ook oog zouden hebben voor de grote problemen waarmee de stad nu kampt. Daarom ziet Goes zich genoodzaakt voortaan ook tegen verzoeken van andere steden te stemmen'.

In juli 1743 verzoeken Gecommitteerde Raden 'om bij provisie den triangel aan het schorre van Goenje te doen afbreken en removeren ten minste koste van den lande'. De stadsbestuurders Dominicus en Vogel krijgen machtiging om 'de Triangel ten spoedigste te doen afbreken en daartoe de nodige orders te stellen'. Eindelijk, in maart 1744, komt er bericht van Gecommitteerde Raden over 'het aanleggen van werken tot removering der droogtens voor en ten wederzijden van het hoofd deser stad genomen'. Het stadsbestuur moet aangeven 'hoe en wanneer die werken te doen maken en aanleggen gediend te mogen worden, dit tot voorkoming van verdere verzanding voor deze stad'. Op 23 mei 1744 rapporteren de daartoe aangewezen gedeputeerden dat de werken 'tot voorkoming van verdere verlanding voor en omtrent het hoofd van de stad' ingevolge het plan van ingenieur Van Doeveren door Gecommitteerde Raden publiek zijn aanbesteed.

Burgemeester Canisius doet in september verslag van zijn inspectie met ingenieur Van Doeveren over het afbreken van de oude rijswerken aan de triangel en de grote dam van Vloe, die de oude dammen aan elkaar hecht, aangenomen door Jan de Geus. Gecommitteerde Raden krijgen bericht dat de werken conform de bestekken zijn gemaakt. De gedeputeerden voor het opnemen van de gemaakte werken op het schorre van Goenje en de Mosselbank rapporteren uiteindelijk in december 1744 dat de werken door de inspecteur Van Doeveren zijn geëxamineerd en overeenkomstig het bestek zijn bevonden.

Niettegenstaande deze uitgevoerde werken beklagen de beurtschippers Jacobus de Wolf, Hermanus Buijs, Cornelis Imanse, Pieter de Windt, Jan van Baalen en Jan van Schakerloo zich in oktober 1745 'dat door de meer en meer toenemende droogte in het Goese diep, de beurtschippers van Goes op Rotterdam genoodzaakt zijn een man of twee meer mee te voeren als in vorige tijden om hun schip over de droogten heen te helpen arbeiden'.

Dreigende dijkdoorbraken

Grote zorgen zijn er over dreigende dijkdoorbraken bij Ellewoutsdijk. In juli 1740 klagen de directeuren van de calamiteuze watering van Ellewoutsdijk opnieuw, evenals in voorgaande jaren, over de gevaarlijke toestand waarin de watering zich steeds bevindt. De situatie is door een onlangs daaraan ontstane val zeer verslechterd. Het is noodzakelijk dat die ten spoedigste wordt hersteld. Ze wijzen op de volkomen onmacht 'waarin deselve zich door zovele en extra-ordinaire toevallen en mede voornamelijk door dat haar edelmogende Heren Staten van Zeeland tot nog toe op derselver verzoek omme te hebben continuatie van vorige genoten subsidie, niet hadden gedisponeerd, was bevindende, so met opsicht tot den staat harer cassa als het descredit om enige penningen te kunnen negotiëren en vervolgens hebbende verzocht dat zij de goedheid geliefden te hebben om hen te autoriseren onder garantie van de stad ten laste van de watering een som van 1800 ponden Vlaams te negotiëren'. Hiertoe wordt besloten.

Ook in juni 1741 rapporteren de directeuren van de calamiteuze watering van Ellewoutsdijk over 'de miserabele en jammerlijke toestand van de watering en dat zich wederom een considerabele val in de teen van de dijk over enige dagen was gevallen'. Er is ten spoedigste een reparatie nodig om het onmiddellijke verval te voorkomen. Het stadsbestuur besluit opnieuw toestemming te geven om onder garantie van de stad een som van £ 2000 te lenen. In maart 1742 is er weliswaar enige hoop dat, door het aanzienlijk afnemen van de voor de kust liggende zandplaat, het tij in het vervolg zo sterk tegen de wal niet zal dringen. Niettemin is het absoluut nodig ten spoedigste enige werken aan het Lange Hoofd en elders af te zinken.

De watering heeft daarvoor geen geld en is bovendien niet in staat om het in 1740 geleverde rijs aan deze watering te betalen. Ze zijn daarom weer genoodzaakt hun toevlucht tot de stadsregering te nemen. Het stadsbestuur overweegt 'dat de verzoeken aan de Staten tot voorkoming van derselvers anderszins imminente ondergang tot nu toe nog steeds niet zijn geaccordeerd geworden'. Besloten wordt opnieuw garantie van de stad te verlenen voor het aangaan van een geldlening van £ 2500. Ook in mei 1744 blijkt het noodzakelijk dat werkzaamheden worden verricht voor het versterken van de zuidzijde van het eiland. Onder garantie van de stad krijgt de watering machtiging om een geldlening aan te gaan van £ 3000.