Aanvulling? Meld het hier.
<<

Openbare voorzieningen (1740 - 1746)

Openbare werken

Het opzicht over stadswerken hebben de drie daartoe aangestelde stadsdirecteuren. In maart 1740 krijgen ze toestemming van het stadsbestuur om de gevallen muur aan de sluis bij de achterhaven op de minst kostbare wijze te repareren. Ook de stenen brug aan de 's-Heer Hendrikskinderenpoort verkeert in 1741 in een slechte toestand. Het stadsbestuur voelt er niet voor om de brug weer opnieuw van steen te maken. Dit zou een aanzienlijke som vergen. Besloten wordt de brug nu van hout te maken.

De stadsrekening van 1741 vermeldt hierover de volgende uitgaven: aan aannemer Jacobus Huisman voor het maken van de nieuwe houten brug bij de poort £ 449.17.11; Joos Tog en Hubrecht den Boer voor metselwerk aan de poort £ 136.1.10; Jan Lepelaar voor het wegruimen van de aarde en het vullen van de putten ter weerszijden van de brug £ 3.6.8 en op rekening van de dam bij de poort £ 32.6.8; Pieter de Vroe en Hubrecht den Boer het restant wegens het maken van 25 roeden en 77 voet metselwerk aan de poort £ 68.0.11; de smid Jan Duynkerke voor smeedwerk aan de 's-Heer Hendrikskinderenpoort £ 32.4.

In 1743 besluit het stadsbestuur voortaan geen straatsteen, 'hondejagers' genaamd, meer weg te geven. Voor ieder voer zal ten gunste van de stad moeten worden betaald £ -.8.6. Het wordt aan de stadsdirecteuren overgelaten om, als die steen niet meer nodig is om voor de stad bewaard te worden, deze voor die prijs voor de stad te verkopen. In juni 1743 overlijdt de stadsarchitect Jacob Huijsman. Tot nieuwe 'stadsfabriek' wordt aangesteld Boudewijn Cramer op een traktement van 400 gulden.

Stadsvesten

Het blijkt in juni 1741 dat de 'Ordonnantie op het vissen door particulieren in de stadsvesten' door vele personen 's avonds en bij ontijden wordt overtreden met netten, hengelroeden of ander vistuig. Besloten wordt een ieder die daartoe niet bevoegd is 'strictelijk te verbieden het vissen met enige netten, hengelroeden of ander vistuig in stads soete vesten'. Maar enkele maanden later blijkt dat sommigen het bestaan om bij nacht en ontij in de vesten te vissen en de vis aan de huizen te koop aanbieden. Het stadsbestuur verordonneert dat degenen die met riviervis zoals baars, karper en voorn binnen de stad leuren en die te koop aanbieden, verplicht zijn aan te tonen waar die vis gevangen is of van wie ze deze bekomen hebben. Kan men dat niet, dan volgt een boete.

Maarten Franse krijgt in 1743 de pacht van het bevissen van de stads zoete vesten. Daarvoor moet hij deze vesten, de Bijstermanse, Karnemelkse en Schotte putten ordentelijk van alle vuiligheden zuiveren, de riolen behoorlijk uithalen en op de vesten zetten tweeduizend baarzen, dit alles op zijn kosten.

Houden van schapen

Het stadsbestuur sluit in 1744 een pachtcontract met een schaapherder om het schorre van Goenje te beweiden met schapen. De schaapherder moet zorgen voor 'een stelletje of keete' en onderhouden de kleine kreekjes en, indien enige schade aan de grote dammen geschiedt, daarvan aanstonds aan het stadsbestuur kennis geven. Pieter Zegers krijgt vergunning om zijn schapen gedurende de maanden december, januari en februari op eigen gehuurde of door gunst verkregen weien onder de jurisdictie van de stad te laten weiden. In het najaar 1744 krijgen ook Quirijn de la Sable, Marinus Wauwelaar en Jan Musse toestemming om hun schapen in de winter op eigen gehuurde en door gunst verkregen weien onder stads jurisdictie te doen weiden.

Begravingen

In 1744 ondernemen de grafdelvers het 'om in een familiegraf te synken, zonder van tevoren de nabestaanden hiervan te verwittigen en daarvoor te eisen het ordinaire loon van tien schellingen'. Dat is in strijd met de goede orders en praktijk. De grafdelvers worden gelast om de 10 schellingen voor 'het synken' te restitueren. Verder worden ze streng verboden voortaan geen 'synkingen in familiegraven' te ondernemen of in het werk te stellen als na voorafgaande kennisgeving aan de naastbestaande.