Aanvulling? Meld het hier.
<<

Stadsbestuur (1740 - 1746)

Stadsbestuur

In de eerste vergadering van het nieuwe jaar 1740 beraadslaagt het stadsbestuur weer als vanouds over de benoeming van de officieren van de gilden en ander bedieningen. De herbergiers, brandewijn- en zoutverkopers, schoolhouders, koffiehuishouders en broodbakker in de Voorstad krijgen weer voor een jaar vergunning. Ook verschijnen ter vergadering de stadsboden, lijkbidders, deurwaarders en die van de extra-ordinaire compagnie met het verzoek om continuatie van hun bediening. Dit wordt toegestaan evenals aan de stadsdrukster Sara de Vos weduwe van Nicolaas Lonis. Ze krijgt weer een jaar traktement van tien ponden Vlaams 'mits het drukken aan de hand houdende'.

In 1740 volgt Adriaan Isebree de aftredende burgemeester Boudewijn Verselewel op. In de plaats van de afgaande schepenen Pieter de Vroe, mr. Cornelis Keetlaar, mr. Jacob Dominicus en Cornelis Ossewaarde worden verkoren doctor Marinus Canisius, Willem Vogel, heer van Steenvliet, Pieter Ossewaarde en mr. Johan Willem van Roseveld.

Op de 29e oktober 1740 overlijdt burgemeester mr. Mattheus Eversdijk, 'in zijn edel leven regerend burgemeester en raad van de stad'. Hij wordt in het koor van de Grote Kerk begraven. Bij de begrafenis luidt de doodsklok anderhalf uur lang. Met eenparige stemmen verkiest het stadsbestuur tot nieuwe burgemeester doctor Pieter Coomans, heer van Wemeldinge, tot nu toe regerend schepen en raad van de stad. In zijn plaats als raad komt mr. Johan Lodewijk Vogel, die in 1731 vanuit Rotterdam in de stad is komen wonen. In zijn plaats als schepen treedt aan mr. Cornelis Keetlaar. Al in juni 1741 verzoekt Keetlaar hem van zijn eed als schepen te ontslaan.

Na ruim drie maanden, op de 4e februari 1741, overlijdt ook burgemeester Boudewijn Verselewel. In zijn plaats als burgemeester komt de stadssecretaris mr. Jacob Keetlaar Azn en als raad Johan Ysebree. Door de promotie van secretaris Keetlaar vaceert een schepenplaats. Daarin wordt verkoren de heer Johan Ysebree.

Bij de jaarlijkse verkiezingen in 1741 volgt mr. Adriaan Ysebree burgemeester Pieter Coomans op. In de plaats van Francois de Keijser, mr. Pieter Parker, Jacob Keetlaar Dzn, mr. Cornelis Keetlaar en Johan Ysebree worden als schepenen verkoren Pieter de Vroe, Pieter de Keijser, mr. Cornelis Keetlaar, mr. Jacob Dominicus en Jacob Coomans Jzn. Dominicus krijgt van de stadsbestuurders, in hun hoedanigheid als heren van Borssele, toestemming voor het houden van koeien en schapen op zijn hofstede aldaar.

Al in mei 1742 verklaart burgemeester mr. Jacob Keetlaar Azn in de vergadering van het stadsbestuur 'dat hij wil desisteren en vervolgens in handen van haar edelachtbaren resigneren desselfs burgemeestersambt, de directeurs- en kerkmeesterambten, het curatorschap van de Latijnse school en het regentschap van het Gasthuis'. Door de presiderende burgemeester Ysebree 'worden wel enige instantiën gedaan om, ware het mogelijk, burgemeester Keetlaar te permoveren (bewegen) tot continuatie van zijn ambten en bedieningen, doch daarover heeft hij niet kunnen reüsseren'. Keetlaar blijft bij zijn besluit. In zijn plaats wordt tot burgemeester verkoren doctor Marinus Canisius, regerend schepen en raad van de stad.

De reden van zijn plotselinge vertrek schrijft de scheidende burgemeester Jacob Keetlaar op 26 mei 1742 in een brief aan het stadsbestuur. Hij betoogt in een uitvoerig rekest 'dat hij sedert enige tijd herwaarts, indien niet volgens klare bewijzen tenminste volgens gans geen (zo vermeijnde) ongegronde omstandigheden, heeft ondervonden dat deze of gene persoon of personen hem sekerlijk niet seer genegen schijnen, onderstaan te hebben hem op alle wijzen verdriet aan te doen en zoveel mogelijk te ruïneren, te dien einde zo het schijnt ondernomen hebbende aan deze of gene zijner principaalste crediteuren, van welke ter waarneming van zijn stadsrentambt als anderszins penningen heeft genegotieerd, verhalen en heimelijke insinuaties ten sijnen respecte te doen, die noodzakelijk het opeisen dier capitalen tot haar gevolg moesten hebben. Middelen die door zodanigen genoegzaam overlegd konden worden van vrucht, ter bereiking van het voorseide oogmerk te zullen zijn, als iedereen bekend zijnde, dat hem noch door behouwlijking noch door erfenisse nooit enige goederen zijn aangekomen, en dat vervolgens alleenlijk eigen naarstigheid en conduite tot zijn behulp en nooit dusdanige winsten heeft gehad, dat het jaarlijks overschot derselve hem zoveel zouden hebben kunnen suppediteren, om het gevolg van diergelijke intriges niet merkelijk te gevoelen. Dat hij dan ook ondervonden heeft dat hem sedert begin maart ettelijke en merkelijke capitalen zijn opgeëist. Maar vanwege de toestand in Europa en grote onzekerheid van oorlog en tengevolge daarvan moeilijkheid om geld te lenen tenzij van veel hogere rente, mitsgaders dat voorseide intriges telkens opnieuw en gestadig konden worden gecontinueerd en hem in een gedurige onrust en moeilijkheden inwikkelen, heeft hij besloten zijn rentambt ter waarneming van een ander te besteden en de middelen bij de hand te nemen om in het geheel met alle zijn crediteuren te vereffenen. Bovendien hebben hem gedurende zijn 19-jarig huwelijk verscheidene zware en kostbare familieongelukken getroffen. Hij verzoekt een sequester over zijn boedel aan te stellen'.

In juni 1742 verzoekt ook de schepen Jacob Coomans, broer van burgemeester Pieter Coomans, ontslag. Er ontstaan daardoor twee vacatures van schepenen, te weten een door de promotie van doctor Canisius tot burgemeester voor enkele maanden en een door het ontslag van Jacob Coomans.

Op zondag de 24e juni worden met eenparigheid van stemmen verkoren tot burgemeester doctor Pieter Coomans in de plaats van doctor Marinus Canisius. In de plaats van de afgaande Canisius, Willem Vogel, Jacob Coomans, Pieter Ossewaarde en Van Roseveld worden tot schepenen verkoren mr. Pieter Parker, Jacob Keetlaar Dzn, Cornelis Ossewaarde, Johan Isebree en mr. Johan Lodewijk Vogel. Tot pensionaris-honorair wordt aangewezen de afgaande burgemeester Marinus Canisius.

Op de 11e januari 1743 overlijdt de schepen en dijkgraaf Jacobus Keetlaar Dzn. Daardoor komt een plaats in het stadsbestuur als schepen en raad vacant. Tot president-schepen wordt verkoren de oud-burgemeester mr. Jacob Keetlaar Azn en tot raad mr. Dignus Keetlaar, raadpensionaris van Zeeland. Mr. Cornelis Keetlaar, mr. Jacob Dominicus en Johannes Lodewijk Vogel nemen in juni 1743 ontslag als schepenen. Doctor Marinus Canisius volgt in juni 1743 de aftredende burgemeester Adriaan Isebree op. In de plaats van Pieter de Vroe, Pieter de Keijser en de drie heren (Cornelis Keetlaar, Jacob Dominicus en Johannes Lodewijk Vogel) die ontslag is verleend, worden als schepenen verkoren Francois de Keijser, mr. Cornelis Keetlaar, mr. Jacobus Dominicus, mr. Johan Willem van Roseveld en mr. Johan Lodewijk Vogel.

Op 3 augustus 1743 verzoekt de raadpensionaris van Zeeland, mr. Dignus Keetlaar, ontslag uit zijn functie van raad van de stad. Hij dankt het stadsbestuur voor de bewezen eer. In de vacature wordt verkoren mr. Francois Nicolaas Keetlaar. Op 6 juni 1744 vraagt mr. Jacob Keetlaar ontslag als schepen. In 1744 volgt mr. Adriaan Ysebree de aftredende burgemeester Pieter Coomans op. In de plaats van de aftredende schepenen mr. Jacob Keetlaar, mr. Pieter Parker, Cornelis Ossewaarde en Johan Ysebree komen mr. Jacob Keetlaar, Pieter de Vroe, Jacob Coomans Jzn en Pieter Ossewaarde.

Op 9 december 1745 overlijdt Antony Nollens, heer van Bruinisse, raad van de stad en namens Goes lid van Gecommitteerde Raden van Zeeland en ter Admiraliteit. Maria Nollens schrijft het stadsbestuur: 'God Almagtig na Sijn vrijmagtig Raadsbesluit, hebbende mijn seer waarden en geliefden oom, de heer Antony Nollens, Heere van Bruinisse, Botland, in sijn weledele leven mede Raad deser Stad Goes en namens Uw edelachtbaren gecommitteert in het Collegie van de Heren Gecommitteerde Raden van de Heren Staten van Zeeland en ter Admiraliteit aldaar, tot mijn overgrote droefheid heden namiddag, na een langdurige, pijnelijke siekte uijt dit aardse tot Sijn hemels Koninkrijk over te halen. So hebbe ik van mijn plicht geagt uw edelachtbaren van dit sterfgeval en verlies behoorlijk tijdige kennis en communicatie te geven...'. In zijn plaats wordt tot Gecommitteerde Raad van Zeeland verkoren mr. Johan Willem van Roseveld. Hij betaalt hiervoor een recognitie aan de stad van £ 250. Doctor Cornelis Lopse volgt de overleden Nollens op als Raad.

Hogere overheden

Het stadsbestuur overweegt in november 1741 'dat de secretarissen met hun beiden alle de colleges, zo van de Raad, Vierschaar, Weeskamer, Landrecht als anderszins, mitsgaders de Staatsvergaderingen moetende waarnemen, daardoor dikwerf inconveniënten komen te ontstaan, dewijl bij enig verlet, absentie, ziekte of ongemakken van een van hen, door één alleen zulks alles niet behoorlijk kunnende worden verricht, het een en andere college zich menigwerf zonder minister komen te bevinden of ten tijde van de Staatsvergaderingen zich alle daarvan wel in het geheel vinden gedestitueerd'. Het stadsbestuur besluit een extra-ordinaire pensionaris-honorair aan te stellen, zonder toelage behalve alleen de gewone vacatiepenningen. Het benoemt mr. Johan Willem van Roseveld, 'mits gehouden blijvende bij ongelegenheden van de ordinaire ministers alle de functies van het ministerie te exerceren en waar te nemen'.

In januari 1742 overlijdt de heer Hyniosa, president van den Hove over Holland, Zeeland en Westvriesland. Ingevolge de akkoorden tussen de Staten van Holland en Zeeland dient dit ambt nu door Zeeland ingevuld te worden. Het stadsbestuur nomineert voor de vacerende presidentplaats mr. Nicolaas Keetlaar, namens deze provincie raadsheer in de Hoge Raad.

Stadhuis

In april 1740 overweegt het stadsbestuur 'dat alhier geen plaats is alleen gedestineerd voor een gijzelkamer en dat de personen, die tot gijzeling gecondemneerd zijn, gebracht worden op de ordinaire plaats van gevangenen op den toorn van het stadhuis'. Besloten wordt 'tot voorkoming van de inconveniënten die zich daardoor tegenwoordig opdoen, de kamer alwaar de heren commissarissen van het Landrecht hare vierschaar houden, tot een gijselkamer te doen appropriëren'. Dit betekent dat de commissarissen van het landrecht, evenals de weesmeesters, voortaan hun vergaderingen zullen houden in de kamer van de vierschaar.

In 1746 is de grote klok van de stadhuistoren gebarsten. Uit de stadsrekening van 1746 blijken de volgende uitgaven voor het vergieten van de oude klok in een nieuwe klok door de klokkengieters Dumercy te Brugge:

  • Jan van Halle en Hendrik Zegerse voor het afhalen van de oude en het inbrengen van de nieuwe klok van en in de toren van het Stadhuis £ 42.2.7;
  • Jacob van Flierenburg wat in juli 1746 bij de klokgieters Dumercy ten zijnen huize is verteerd £ 11.3;
  • Lucas van Nakke voor het wegbrengen 'van de oude Klokke' naar Sluis £ 8.0;
  • schipper Pieter de Wind, die actie hadde van Albert Goddijn, die weer actie had van Georgius Dumerci, klokgieter te Brugge, 'voor het vergieten van de klokke van den Stadhuistoren' £ 145.16.0;
  • bode Pieter Quinten namens Jan Maquet die actie had van Albert Goddijn, die weer actie had van Georgius Dumerci, klokgieter te Brugge, over inkomende rechten van de oude en uitgaande rechten van de nieuwe klok, het maken van de klepel en van het wapen, enige onkosten van het voeren der oude klokke van Sluis naar Brugge £ 33.12.8;
  • de smid Jan Duijnkerke voor smeedwerk aan de klokken £ 6.14;
  • Joos de Jonge weduwe voor verschot 'van de klokke in de stadhuistoren gehangen' £ 7.9.4.

Functies en bedieningen

Soms is het geschuif met functies en bedieningen onder de regentenfamilies nauwelijks te volgen. Zo vraagt de licentmeester van de stad, Pieter de Keijser, in juli 1740 ontslag uit zijn ambt. Het stadsbestuur besluit dit ambt toe te kennen aan Jacob Coomans Jzn 'en dat favorabel zal worden geschreven aan de heer Nollens, heer van Bruinisse, teneinde sijn weledele die directie gelieve te houden dat aan de intentie van haar edelachtbaren in dezen werde voldaan'. Jacob Coomans is tot nu toe ontvanger van het familiegeld over de stad en het eiland. In deze openvallende plaats wordt aangesteld mr. Jacobus Dominicus. Dominicus is tot nu toe ontvanger van de middelen van 's lands wachten en domeinen van Borssele. In deze functie wordt aangesteld Adriaan Gort.

Door het overlijden van burgemeester Mattheus Eversdijk vaceert de ontvangersfunctie van de gemene middelen van consumptie. Voor deze functie wordt voorgedragen mr. Pieter Parker. In de plaats van Parker komt als ontvanger van de zogenaamde geestelijke goederen Jacob Coomans Jzn. Ook komt de functie van dijkgraaf van de brede watering bewesten Yerseke vacant. De gedeputeerden naar de statenvergadering krijgen machtiging om namens het stadsbestuur voor te dragen doctor Marinus Canisius. Canisius is ontvanger van de 100e penning. In deze functie wordt benoemd mr. Jacob Dominicus, tot nu toe ontvanger van het familiegeld. In de plaats van Dominicus komt als ontvanger van het familiegeld Pieter Ossewaarde.

In 1741 deelt de stadsdrukster Sara de Vos mee door haar aanhoudende ziekte niet meer in staat te zijn om haar affaire als stadsdrukker gaande te houden. Ze is met Adriaan Huijsman overeengekomen om de drukpers over te nemen. Het stadsbestuur besluit Huijsman hiervoor vergunning te verlenen. Wel wordt in 1742 besloten 'om goede redenen en insigten de drukker te gelasten om voortaan geene geschriften te drukken als met kennis en toestemming van de twee regerende burgemeesters, wordende daaronder begrepen plackbiljetten, catalogi en diergelijke publieke stukken'.

Cornelis Dijkwel krijgt in 1743 op zijn verzoek brieven van voorschrijving om toegelaten te worden als notaris. In 1744 mag hij binnen de stad het ambt van notaris uitoefenen. In 1744 overlijdt één van de vier procureurs van de stad, de uit Axel afkomstige Cornelis de Losanne. In zijn plaats wordt - naast de fungerende procureurs De Craane, Gort en De Fouw - aangesteld Samuel Aarnouts.

In 1743 overlijdt de dijkgraaf van de Goese Polder en de Jan Pier & Pinxpolder, Jacob Keetlaar. In deze functie wordt op voordracht van het stadsbestuur verkoren de oud-burgemeester Jacobus Keetlaar Azn.

Het stadsbestuur moppert in juli 1742 op het personeel van de griffie. Ondervonden wordt 'dat in de respectieve procedures, voor de Vierschaar van tijd tot tijd aanhangig, veel train en veragteringe werd veroorzaakt door het niet altoos ter griffie tijdig in gereedheid brengen van de onderscheidene extracten der termijnen in deselve gehouden ofte door dien de practysijns veeltijds in gebreke blijven, deselve ter behoorlijker tijd ter griffie te lichten, en dus, wanneer deselve ter vervorderinge der zaken benodigd zouden hebben, daarvan sig menigmaal versteken bevinden'. Het stadsbestuur besluit de klerken ter griffie op te dragen alle extracten van de procedures in die week gehouden, buiten wettelijke verhindering, tegen vrijdagavond of op zaterdag in gereedheid te brengen en, zonder te wachten tot de practysijns deze komen lichten, door een van de gerechtsboden die aan hun huizen te laten brengen en dat daarentegen de practysijns gehouden zullen zijn de gebruikelijke leges aan de klerken te voldoen.

Financien

 

Duurte en schaarste

In 1740 is er een algemene duurte en schaarste. Het stadsbestuur laat in november 1740 'serieuslijk haar gedachten gaan op een bekwaam expediënt (middel), waardoor de godshuizen en de arme gemeente binnen deze stad in deze algemene duurte der granen, waarin deze bereids zijn gesteigerd tot een zeer hoge prijs en bij continuatie nog hoger staan te lopen, enigermate zouden kunnen worden gesoulageerd en vele gevreesde disordres en kwade gevolgen voorkomen'.

De baljuw Johan Landschot moet met de meeste spoed voor rekening van de stad duizend zakken rogge kopen. De drie stadsboden krijgen het beheer over de rogge en moeten een regeling treffen voor de huur van opslagzolders. Voor de distributie van de rogge wordt een reglement vastgesteld. Bij deze gelegenheid besluit het stadsbestuur 'de keurmeesters van het brood te autoriseren om tot soulaas van de armen het brood, van zomertarwe gebakken wordende, mede op een pas te stellen'. De drie stadsboden bespreken in januari 1741 met de burgemeesters de distributie van de rogge die voor de stad is gekocht. Tot nu toe is niet geregeld hoe of voor welke prijs de rogge moet worden verkocht. Ze krijgen toestemming om de rogge af te leveren voor zeventien schellingen de zak onder de volgende bepalingen:

  • aan niemand mogen ze enige rogge afgeven dan tegen contant geld en aan geen andere personen als die van de armen worden ondersteund; deze moeten een bewijs van de diakenen of aalmoezeniers van de Nederduitse of Waalse gemeente of andere bevoegden kunnen tonen;
  • ze moeten nauwkeurig notitie houden hoeveel, aan wie en op welke tijd ze hebben afgeleverd om aan het stadsbestuur rekening te kunnen doen met de bewijzen van de afgifte;
  • tot voorkoming van misbruik zullen de stadsboden aan niemand meer rogge mogen afgeven dan een zodanige hoeveelheid als de afhalers en hun families naar inschatting binnen zekere tijd zullen consumeren.

In februari 1741 beraadt het stadsbestuur zich over 'de subyten en excessieven (buitengewone) afslag der granen en dat de stad bij langer uitstel aan de rogge, die voor rekening van de stad en tot soulaas van de arme gemeente tot een zeer hoge prijs drie à vier maanden geleden is gekocht, nog groter nadeel sou komen te lijden'. De baljuw Landschot wordt gemachtigd om de voor de stad ingekochte rogge met de meeste spoed en op de naar zijn oordeel beste manier te verkopen. Het stadsbestuur besluit in juni Francois Oversluijs te machtigen om de rogge, die vorig jaar voor rekening van de stad is ingekocht, 'bij kleine partijtjes te doen trijselen en ten meeste prijse mogelijk te verkopen'.

In oktober vindt beraad plaats over de aflossing van het kapitaal van £ 1100 dat vorig jaar voor de inkoop van de rogge voor rekening van de stad is geleend. De stad heeft als gevolg van de kort daarop gevolgde aanzienlijke afslag van het graan, bij de verkoop daarvan tussen de 400 en 500 ponden verloren en is daaraan tekort gekomen. Dat verlies kan uit de lopende middelen van de stad niet worden voldaan. De stadsrentmeester krijgt opdracht uit de verkoopgelden en enkele fondsen het kapitaal op de vervaldag af te lossen.

Financiële toestand

In januari 1741 geeft de stadsrentmeester Huybert Craan opening van zaken over de slechte staat van de stadsfinanciën. Het is voor hem niet meer mogelijk de traktementen en andere schulden te betalen. Het stadsbestuur besluit daarop dat ieder lid van het stadsbestuur aan de stad, tegen een jaarlijkse rente van 3%, 'altoos vrij van lasten zal fourneren een kapitaal van £ 100 en dus in het geheel een som van £ 2100 en dat daarvoor aan iedere raad zal worden gegeven een ambtobligatie ten laste van de stad'.

In januari 1743 oordeelt het stadsbestuur 'het ten uiterste noodzakelijk dat de stad door enkele middelen in hare meer en meer beswaarde financiën werde gesubleveerd (verlicht)'. Dit leidt er toe dat een aantal stedelijke ambten met recognities worden bezwaard en verscheidene traktementen bij versterf of anderszins worden beëindigd. Besloten wordt tot o.a. de volgende maatregelen:

  • het opzienerschap over de zwanen in de stadsvesten zal worden toegevoegd aan de functie van poortier van de Ganzepoort; het traktement wordt op die wijze beëindigd;het uitdelen van oly zal voortaan moeten worden gedaan door de stadsbode die het huis onder of naast het stadhuis bewoont, zonder daarvoor iets te genieten;
  • het fiscaalschap van het landrecht zal na de dood van de tegenwoordige fiscaal Johan Dankert Westhoec worden gevoegd bij het stedelijke schoutambt, zodat die twee functies voortaan door één persoon worden bediend; het traktement voor de schout zal dan worden afgeschaft;
  • het stadsmajoorambt zal na het overlijden van de tegenwoordige majoor Jacob van Cogelenberg worden opgedragen aan de luitenant van de extra-ordinaire compagnie, doch zonder traktement en dus alleen voor de emolumenten;
  • de bezoldiging van de conciërge van de schutterij van de Voetboog wordt beëindigd;
  • ook zal worden gestopt met 'het schaapsbuijk dat deselve schutterije van de stad genoten heeft' ter somma van £ 4.14.6;
  • evenals met de vergoeding die de schutterij van de Handboog jaarlijks placht te profiteren van £ 1.13.4 en het traktement van de bode van de krijgsraad van £ 6;
  • 's Heeren dienaars zullen worden ontheven van het leggen van almanakken op het stadhuis, doch daarentegen wordt hun nieuwejaarsgift met £ 4 Vlaams verminderd;
  • de maaltijd die sinds enige jaren elk jaar door de stad aan de kiesmannen werd gegeven zal worden afgeschaft en aan ieder van hen evenals aan de heren schepenen in het beschouwen van de wegen gepraktiseerd werd, toegelegd voor vacatie £ -.13.4, waardoor de stad jaarlijks omtrent £ 7.10 zal kunnen profiteren;
  • de verhuurders of verhuursters van rouwmantels, het weeshuis uitgezonderd, zullen voortaan gehouden zijn tot profijt van de stad boven het stedelijke ambtgeld te betalen een recognitie van £ 4 ieder;
  • het traktement van £ 28 dat Crijn Mus wegens het oppassen en gadeslaan van stads horologien jaarlijks geniet zal worden afgeschaft; dit zal publiek worden besteed;
  • hetzelfde gebeurt met het schoonmaken van de stadsriolen, te beginnen bij de dood of bij wandebvoir van de tegenwoordige rioolruimer, die hiervoor jaarlijks geniet £ 18.13.4;
  • alle mogelijke zuinigheid zal worden betracht omtrent de verteringen ter gelegenheid van de jaarlijkse verpachtingen van de gemene middelen van consumptie;
  • nader zal worden overlegd of het water in de oude haven tot het schuren van de nieuwe haven zou kunnen worden gemist en de zoutketen door het opslymen van deze haven niet merkelijk benadeeld worden als wanneer de sluiswachterambtjes zouden kunnen worden opgeheven, waardoor de stad jaarlijks £ 6 zou profiteren;
  • voortaan zullen alle houders van herbergen moeten betalen een recognitie van £ 3 en de kroeghouders ieder £ 1;
  • ook wordt in beraad genomen de veelheid van honden, die binnen de stad en onder haar jurisdictie bijna door een ieder, schoon daartoe bevoegd of niet, worden gehouden; er wordt een belasting ten profijte van het gecombineerde arm- en weeshuis gelegd van £ -.3.4 op iedere hond, klein of groot. Alleen zullen daarvan uitgezonderd zijn de honden van de bleijkers en velleblooters die nochtans op zeker scherp penaal niet dan gemuilband overdag zullen mogen los lopen;
  • de hoogbaljuwage van Borssele, in 1702 opgeheven, zal weer 'levendig worden gemaakt' en aan een stadsbestuurder, zonder enig traktement, worden verkocht voor diens leven op zekere jaarlijkse recognitie;
  • het heerlijke recht van de jacht over de baronie van Borssele zal in drie à vier partijen aan de meestbiedende worden gegeven;
  • degenen die in het vervolg genegen mochten zijn in de stad de wijnkopersnering te doen zullen voortaan, inplaats van de huidige 50 guldens, ten profijte van de stad moeten betalen een recognitie van £ 42.10.

Eind januari 1743 geeft de stadsrentmeester Hubert Craan te kennen dat nog menige rekeningen, waartoe geen geld in voorraad is, moeten worden betaald. Het stadsbestuur besluit, gelet op de te verwachten aanzienlijke verbetering van de stadsfinanciën door de opgelegde recognities en bezuinigingen, een kapitale som van £ 2.400 te lenen.

Bloemlezing uit de stadsrekeningen van 1740 - 1746

1740

Betaald aan uitgevoerde werken voor en geleverde materialen aan de stad door Adriaan Antonisse voor het twaalf maal schuren van de stadshaven £ 4.4.0; Pieter Smakker voor het effenen van het wandelpad rondom de stadswallen £ 2.11; Marinus Gouwenaar voor het maken van brandijzers en het beslaan van zoutvaten £ 5.15.2; Hubregt den Boer voor het witten en schoonmaken van de Franse kerk £ 3; Adriaan Blommert voor levering van 44 steenkaarsen £ 8.1.0; Dingenis Proos voor geleverde verf en gedane arbeid aan het schavot £ 2.12.0; Jacob Huijsman voor het verdiepen en rondom vergroten van de put voor de watermolen £ 51.13.0; Cornelis Welle voor scheepstimmerwerk aan de bagger- en boomsluitersboten, de mol en het schoonmaken en teren van de boom £ 9.15.0; David Steur voor timmerwerk aan de sluis en het stortebedde van de oude haven £ 22.1.2 en voor het maken van kaeijingen rondom de put bij de olymolen aan de 's-Heer Hendrikskinderenpoort £ 21 en voor het maken van kaeijingen van de steenen beer tot de 's-Heer Hendrikskinderenpoort aan de wal £ 24 en voor de kaeijingen aan de buitensingel £ 20; Jacob Huijsman voor het maken van een nieuwe ast in de watermolen £ 60; de kaarsenmakers Dirk van Steken en Adriaan Blommaart voor het leveren van 96 steenkaarsen.

1741

Betaald aan Pieter de Munnink, brandmeestersknape, de bij het stadsbestuur gestelde premie wegens het blussen van de brand in de zoutkeet van Pieter van den Helk in de zomer van 1741 £ 6.13.4; Adriaan Antonisse en Willem Ribbe voor het acht maal schuren van de stadshaven van februari tot en met augustus £ 2.16; Leendert Eyermeet voor het leveren van vier boek Royaal papier, het binden van stadsrekeningen, het leveren van prijzen en het leveren van ouwels £ 24; Florentius Schaleven de laatste termijn van de kaeije onder de wal van de 's-Heer Hendrikskinderenpoort om de olijmolen £ 25, de laatste termijn van de kaeije van de 's-Heer Hendrikskinderenpoort om de cingel op het Stoofweitie £ 27 en de laatste termijn van de nieuwe diepte om het stamphuis van de meestoof de Fortuijn £ 21.5; Pieter van der Bilt voor het maken van een zonnewijzer aan de Grote kerk £ 0.13.4; Lambrecht Janse voor het ten toon zetten van twee gedetineerden en het geselen binnenskamers van een van de gedetineerden £ 1.12.0; voor de inkoop van duizend zakken rogge voor de stad £ 1133.

1742

Betaald aan schildersbaas Zeger Lemmens voor het schilderen van de stadspoorten £ 13.5.0; schildersbaas Jacobus Louwaart voor het schilderen van het Stadhuis £ 24 en het schilderen van de toren van de Grote Kerk £ 21; Adriaan Antonisse voor het zesmaal schuren van de haven met de mol £ 2.2.0; Abraham IJzenbaard voor het maken van drie tafels en drie ledikanten in het herenlogement te Middelburg £ 21.5; Maria Catharina Peinard voor het maken en leveren van drie behangsels voor deze ledikanten £ 48.7.0.

1743

Betaald aan Dominicus Casteleijn en Adriaan Bouwense voor het scheren van de bomen op de Grote Markt, de Beestenmarkt en de Vlasmarkt £ 2; Jacobus Louwaard en Dingenis Proos voor schilderwerk; Adriaan en Daniël Tavenier voor straatmakerswerk; Mahieu Rijkaard, Francois Walraven, Hendrik Zegerse, Pieter Pieterse en Boudewijn Cramer voor timmerwerk; Hubrecht den Boer voor metselwerk; Jacobus Gort voor levering van zand; Johannes van Exem voor glazenmakerwerk; de smid Quirijn Mus voor geleverd ijzerwerk; Jan Snoep voor het ijken van de stadsgewichten £ 1.13.4; Cornelis van den Busse en Cornelis Abelse voor het aansteken van de lantaarns binnen de stad £ 15; Willem Paret zijn traktement als klokkespeelder £ 33.6.8 en als organist van de Grote Kerk £ 41.13.4; Marinus Christiaanse voor het sluiten en ontsluiten van de Sint Maartenspoort, de Bleykveldse poort en de Oostpoort en Jacobus de Wolf voor de 's-Heer Hendrikskinderenpoort £ 4; voor de twaalf klapperlieden voor de klapper- of nachtwacht £ 100.

1744

Betaald aan Francois Oversluijs voor geleverde haver voor de stadszwanen in de vesten; Willem Reijnierse voor 'vertering ten zijnen huize door de heren mr. Jacobus Dominicus en Cornelis Ossewaarde met de vier leden des lands' £ 7.16.6; Adriaan Huysman voor het drukken van citaties, ordonnantiën op het weeshuis, tolbrieven, programma's voor de Latijnse school en plakkaten op het rundvee £ 15.12.0; Marinus Gouwenaar voor het maken van twee brandijzers £ 1.8.6; 's Heeren dienaars 'om Maatie van Schooten met roeden te behangen en de Marct om te leiden' £ 0.7.2; burgemeester Adriaan Isebree voor het porten van de brieven en zijn dienstmeid voor het geven van de sleutels van de stadspoorten aan de poortiers £ 6.11.0; Boudewijn Cramer zijn jaarlijks traktement als stadsarchitect of stadschaffer £ 66.13.4; de stadsboden voor het rijden van de heren gedeputeerden naar de statenvergaderingen, vacatiën, en dergelijke £ 298.13.2.

1745

Betaald aan Gillis van Cromvliet voor levering van Spaanse wijn aan de Franse kerk; de smid Jan Duynkerke voor geleverde spijkers, toetsen van snaphanen en geleverd kruid en lood £ 18.9; Pieter Pieterse voor het maken van het huisje aan het visperk £ 21.10; Jacob Barbier voor het wieden van de stadsmarkten £ 12; Francois Oversluis voor geleverde haver voor de zwanen in de winter £ 9.14; Job Dubbeldam voor het maken van de aarden dam aan de Hoofdpoort £ 116.13.4; Huibrecht den Boer voor het maken van de kaaiingen £ 83.6; Adriaan Antonisse en Willem Ribbe voor het 23 maal de haven schuren £ 8; Marinus Gouwenaar voor het vermaken van de zoutvaten en het maken van twee brandijzers £ 1.6.8; Johannes van der Weele voor reparatie van de grote stadsbrandspuit £ 33.6; Bartel Kaasbeke voor 8 aam raapolie en een aam lijnolie £ 59; Zeger de Hond voor levering van 49 steenkaarsen £ 12.17.

1746

Betaald wegens uitgevoerde werken voor en gedane leveringen aan de smid Quirijn Mus voor het schoonmaken van 200 snaphanen en het maken 'van drie datums voor den ijken' £ 5.10; de beul Wilhelmus Blom voor het geselen van Cornelis van Elsacker op 28 mei 1746 £ 12; Pieter Monnet voor levering van 18 trommelvellen £ 3; Lucas van Nakke voor het wegbrengen 'van de oude Klokke' naar Sluis in Vlaanderen £ 8.0; Jan van Es voor vijf dagen den orgelmaker te assisteren £ 0.12.6; de stadsbode voor het naar Bergen op Zoom brengen van Cornelis van Elsacker £ 1.2; bakker Gillis de Breu voor geleverd brood aan de gevangenen £ 1.2; Jan van Halle en Hendrik Zegerse voor het afdoen van de oude en het inbrengen van de nieuwe klok van en in de toren van het Stadhuis £ 42.2.7; Willem Ribbe en Jan Ouwendijk voor het 23 maal de haven te schuren £ 8.1; Jacob van Flierenburg hetgeen in juli 1746 bij de klokgieters Dumercy ten zijnen huize is verteerd en hetgeen door de heren stadsdirecteuren is verteerd £ 11.3; de smid Jan Duijnkerke voor smeewerk aan de klokken £ 6.14; bakker Jan Trimpe voor geleverd brood 'voor het Heilig Nagtmaal in de France kerk' in 1744, 1745 en 1746 £ 6.12; schipper Pieter de Wind, die actie hadde van Albert Gordijn, denwelke weder actie hadde van Georgius Dumerci, klokgieter te Brugge, 'voor het vergieten van de klokke van den Stadhuistoren' £ 145.16.0; bode Pieter Quinten namens Jan Maquet die actie had van Albert Goddijn, die weder actie had van Georgius Dumerci, klokgieter te Brugge, over inkomende rechten van de oude en uitgaande rechten van de nieuwe klok, het maken van de klepel en van het wapen, enige onkosten van het voeren der oude klokke van Sluis naar Brugge £ 33.12.8.