Aanvulling? Meld het hier.
<<

Algemene toestand (1747 - 1750)

Op de 17e april 1747 nadert het Franse leger Zeeland. De Franse Koning Lodewijk XV verklaart, na de Staten-Generaal lang gespaard te hebben, genoodzaakt te zijn op hun bodem te trekken. Hij is niet van zins met hen te breken. Het gaat hem alleen om de schadelijke uitwerkselen te beletten van de aan Oostenrijk en Engeland verleende bescherming. Het is verre van hem de godsdienst, de regering of de koophandel te ontrusten. De plaatsen die hij verplicht is in te nemen, zal hij slechts als tijdelijk onderpand beschouwen. Nog is het tijd het gevaar te ontwijken door besluiten te nemen die met de wijsheid van hun regering overeenkomen. Op deze dag rukken de Fransen met 20000 man van Brugge naar Aardenburg op. In de volgende weken wordt Staats-Vlaanderen bezet en Zeeland bedreigd. De regeringen zijn verdeeld en radeloos. Maatregelen tot weerstand worden beraamd en tot uitvoer gelegd. Op de 19e april schrijven de Staten-Generaal de Zeeuwse Staten om zonder uitstel zich te bezinnen op middelen van verdediging. Er worden 14000 man soldaten naar Zeeland gestuurd, door een keten van vijftig gewapende vaartuigen op de Westerschelde gedekt.

Op de 28e april ontvangt Prins Willem IV zijn aanstellingsbrief als Stadhouder en admiraal-generaal van Zeeland, op 3 mei gevolgd door die van de Staten van Holland, Utrecht en Overijssel. Holland en Zeeland begroeten de Stadhouder met uitgelatenheid. De blijdschap is algemeen. Men wenst elkaar geluk en omhelst elkaar op straten en markten. Overal is eenparig gejuich. Half mei bezoekt de Stadhouder Amsterdam, 's-Gravenhage en Middelburg.

Op de 29e mei komt bij het stadsbestuur een rapport van de Goese gedeputeerden in de Staten van Zeeland op tafel 'over de besognes tot het vinden van suppletoire middelen, gehouden op 27 mei'. Het stadsbestuur besluit 'de finale deliberaties daarover, wegens het gewicht en verscheidenheid der zaken daarin voorkomende, uit te stellen'.

Het stadsbestuur is in afwachting van de komst van de Stadhouder, maar 'tot nu toe van de juiste tijd van de komst van Zijne Hoogheid herwaarts onkundig. Volgens geruchten en aanschrijvens is het zeer waarschijnlijk dat hij de dag van morgen daarvoor verkiest'. Generaal-majoor Soute, de bevelhebber over de militie in het eiland van Zuid-Beveland, wordt verzocht de militie, die in de stad 'ten dienste van Zijne Hoogheid nodig is, volgens de opgave van kapitein Peres, ten spoedigste naar hier te detacheren'. Hij mag zelf weten van welke plaats hij deze zal nemen, waar deze met het minste gevaar zal gemist kunnen worden. De soldaten moeten hun tenten 'met zich voeren om alhier voor de stad te kunnen kamperen, dewijl alhier geen gelegenheid is om dezelve te logeren'. Verder wordt Generaal Soute in overweging gegeven 'al de militie binnen het eiland, soo jegens alle gevaar van buiten als alle ongelegenheid van binnen, de nacht na de dag dat Zijne Hoogheid alhier gearriveerd zal zijn, wakende en in de wapenen te houden, met bijvoeging dat sulks de noodzakelijkheid seker zal vereisen'.

Het stadsbestuur onderzoekt in allerijl of het voormalige Oude Manhuis voor een redelijke prijs van de huidige eigenaars kan worden gekocht om als hospitaal te dienen. De eigenaars, Cornelis Steenhart en de weduwe van Jan de Quant, vragen hiervoor een bedrag van £ 1500 ofwel voor ieder van hen voor hun leven lang een jaarlijkse rente van £ 30. Ze zijn bereid op alle mogelijke wijze plaats voor zieken in te ruimen. De eigenaren krijgen niet veel tijd om te onderhandelen. Ze worden gelast 'het huis ten spoedigste door de bewoonders te evacueren, also het benodigde tot een hospitaal binnen weinige dagen alhier verwacht wordt'. Het is van later zorg hoe de eigenaren schadeloos moeten worden gesteld, door koop of door betaling van lijfrenten voor rekening van de stad.

De Staten van Zeeland schrijven dat het de bedoeling is het garnizoen logiesgeld gedurende drie maanden te betalen. Tot beter levensonderhoud van de militie moeten magazijnen voor granen, hout, hooi, stro en verdere foerage en alle soort van levensmiddelen worden opgericht. De uitvoer van deze middelen wordt voor veertien dagen verboden. Het stadsbestuur doet op verzoek van de Staten opschrijving van welke voorraad graan, hout, hooi, stro en verdere foerage met alle soort van levensmiddelen in de stad en het platteland voorhanden is. De landzaten moeten zich in het vervolg van kruit en loot voorzien.

Op 22 juli 1747 verzoekt kolonel Van Kinschot, uit naam van Generaal Cromstrom en de Prins van Hessen Philipsdal, ten spoedigste een grote hoeveelheid levensmiddelen uit de stad naar de thans belegerde stad Bergen op Zoom te verzenden. Secretaris Ossewaarde heeft daarover de dag tevoren geconfereerd met luitenant-generaal Smissaard. Deze drong er op aan om de levensmiddelen, zover deze gemist kunnen worden, zonder tijdverzuim naar Bergen op Zoom te zenden. Omdat de zaak geen enkel uitstel kan lijden zijn er orders gesteld dat twee schepen met allerlei soort levensmiddelen deze middag naar Bergen kunnen vertrekken. Hij verzoekt deze handelwijze alsnog goed te keuren. Het stadsbestuur stemt hier graag mee in en machtigt de secretaris, 'voor het geval nog meer levensmiddelen of andere necessiteiten mochten worden benodigd, deze zoveel mogelijk en zo ras doenlijk naar Bergen te doen transporteren'.

De gedeputeerden van Goes ter staatsvergadering sturen op 8 mei 1748 bericht 'van de heuglijke tijding dat op de 30e april de vredesprelemainaria te Aken getekend zijn en een stilstand van wapenen gearresteerd is'. Het stadsbestuur neemt hier met alle genoegen kennis van. Op 18 oktober 1748 sturen Gecommitteerde Raden van Zeeland enige gedrukte exemplaren toe van het definitieve vredestraktaat dat te Aken is getekend, met het verzoek dit na te zien. Het stadsbestuur besluit het nader verzoek tot consent in de ratificatie van het traktaat af te wachten.

Het stadsbestuur beraadt zich er in november 1748 over of bij het publiceren van de vrede, onlangs te Aken gesloten, 'niet enige demonstratie van vreugde zou behoren te worden betoond'. Besloten wordt op kosten van de stad enige vuurwerken in gereedheid te brengen. Wel overweegt het dat het afsteken van voetzoekers of slangen in het bijzonder 's avonds meer en meer begint door te breken en dat daardoor, boven en behalve de onveiligheid van de publieke straten, ook licht brand en andere ongelukken zouden kunnen ontstaan. Het afsteken van voetzoekers, slangen of andere vuurwerken wordt dan ook verboden op een boete van vijf schellingen met de bepaling dat de ouders voor hun kinderen aansprakelijk zijn.

Op 7 juni 1749 besluit het stadsbestuur ter voldoening aan de intentie van de Staten van Zeeland op de aanstaande vrijdag ter gelegenheid van de gesloten vrede verscheidene vuurwerken op de Grote Markt af te steken. De burgerij wordt aanstonds daarvan bij publicatie kennis gegeven, 'zodat een ieder zal kunnen weten dat hij ontslagen is van het doen van illuminaties, schieten en andere onkosten tot het maken van vreugdebedrijven te doen en zich met hetgeen als voren geschiedt vergenoegen kan'. De stadsrekening van 1749 meldt hierover uitgaven van in totaal £ 186.13.8 aan uitgaven aan de timmerman, smid, schilder, lootgieter en brouwer wegens geleverde waren, gebruikt ten dienste van het afgestoken vuurwerk op de 13e juni 1749 ter gelegenheid van de gemaakte Vrede te Aken.