Aanvulling? Meld het hier.
<<

Economische bedrijvigheid (1747 - 1750)

Graanhandel

Verscheidene kooplieden in granen geven in 1750 hun onvrede te kennen dat door het arbeidersgilde niet de hand wordt gehouden aan de Ordonnantie van 24 augustus 1703. Ze doen de volgende voorstellen:

  1. de kooplieden zullen voortaan betalen voor het op de eerste zolder van een graanpakhuis dragen van een zak graan ¾ groot Vlaams;
  2. in de week van de Goese jaarmarkt zullen de kooplieden hiervoor betalen twee grooten Vlaams;
  3. in de week van de jaarmarkt, wanneer een koopman van een boer, die zijn graan nog op de wagen heeft staan, een voer zakgoed koopt, zal hij voor het afdragen naar een graanzolder of naar een beurtschip twee grooten Vlaams per zak betalen;
  4. de kooplieden, wanneer ze van een boer graan kopen dat door de boer met paarden en wagens voor de schepen of pakhuizen wordt gebracht, zullen hiervoor een groot Vlaams per zak betalen.

Het stadsbestuur besluit echter tot het volgende:

  • voor het opdragen of verwerken van een zak graan op de eerst opklimmende zolder zullen de kooplieden aan het arbeidersgilde moeten betalen een halve groot per zak;
  • voor het opdragen van graan op hogere zolders zal het tarief gelden overeenkomstig de Ordonnantie van 1703;
  • voor het dragen of verwerken van graan in de week van de Goese jaarmarkt zal geen meerder loon aan de arbeiders worden toegelegd;
  • dit zal evenmin verplicht zijn wanneer het graan gekocht wordt van een boer die binnen of onder deze jurisdictie woont.

Meekrapnering

In deze jaren gaat het niet goed met de meekrapnering. Tot voor kort werd deze bedreven in de meestoven 'de Son', 'de Mane', 'de Fortuyn', 'de Hope' en 'de Liefde'. Zo geeft mr. Jacobus Dominicus in 1750 te kennen dat hij al over de dertig jaren eigenaar is van de meestoof 'de Fortuyn', de zogenaamde Fortuynstove. Hij heeft deze meestoof tot 1748 in bedrijf kunnen houden. Maar door het afsterven van bijna alle medereders, degenen die de meekrap verbouwen, is hij genoodzaakt de stoof te laten stilstaan, waardoor deze hem 'tot een dood lichaam is geworden'. Hij vindt het, zowel door het verloop van de meenegotie als door de wisselvalligheid daarvan, niet raadzaam 'om de stoof alleen weer aan de gang te helpen en houden noch ook om die dus gans buiten emplooi in de vereiste staat te houden wegens de hoge 200e penning waarmee de stoof is belast'. Daarom verzoekt hij vergunning om de meestoof 'de Fortuyn', in navolging van wat met de meestoof 'de Mane' is gebeurd, voor afbraak te verkopen en hem alsdan te ontheffen van de 200e penning voor deze stoof.

En mocht hij onverhoopt de meestoof niet kunnen verkopen, dan verzoekt hij toestemming om, zoals dit destijds ook aan de eigenaren van de meestoof 'de Son' is toegestaan, hem te ontlasten van de 200e penning die op zijn meestoof staat. Het stadsbestuur staat hem toe 'de Fortuynstove' voor afbraak te verkopen en hem te ontheffen van de 200e penning die daarop staat.

Zoutnering

In de zomer van 1747 ontstaat er brand in de zoutkeet van Cornelis Wagenaar. Capitein Adriaan Boddingius ontvangt de door het stadsbestuur uitgeloofde premie voor het blussen van de brand ten bedrage van £ 8.13.4.

Brouwerijen

De brouwersbaas van de brouwerij 'de Gans', Bernardus Rimmers, beklaagt zich in juni 1748 bij het stadsbestuur. Vorig jaar heeft hij het ongeluk gehad vele bier- en wijnvaten door de in de stad gelegerde Engelsen en andere militie te verliezen. Hij heeft daarop de kuiper gevraagd hem te helpen. Deze kon hem echter niet aan vaten helpen. Vervolgens heeft hij 'door den knape aan alle kuipersbazen omlage laten doen in de hoop van zijn gebrek ontheven te worden'. De kuipers bleken echter geen geschikt hout te hebben en die het hadden, wilden daarvoor een hoger loon hebben. Daarop heeft hij te Veere een à twee lasten vaten laten maken en die op naam van zijn kuiper Pieter Blondeel naar Goes laten vervoeren. De dekenen van het kuipersgilde hebben hem daarop een boete opgelegd.

Na gedaan onderzoek besluit het stadsbestuur dat de kuipers voorlopig en zo lang de okshoofden (wijnvaten van 225 liter) zo buitensporig duur zijn, voor de leverantie van een last vaten zullen genieten £ 3.6.8; dat de ijkmeesters voor de aflevering aan de brouwers die vaten nauwkeurig zullen moeten examineren en ijken met last 'om het qualijk en van slegt hout gemaakt vaetwerk aanstonds sonder aansien van personen in duygen te slaen'; dat de kuipers voor het maken van een last vaten met het leveren van de hoepels zullen genieten £ 1.1.8 en voor het verleggen van duizend hoepels aan het vaatwerk van de brouwers eenzelfde bedrag en dat iedere kuiper zal gehouden en verplicht zijn om altijd twee of tenminste een last vaten van eikenhout in gereedheid te hebben. Bij gebrek daarvan zullen de brouwers hun vaten van buiten mogen ontbieden mits ze vooraf door de knape bij de kuipers laten informeren of zij in staat zijn de benodigde vaten te leveren.

In juli 1749 komen klachten binnen over een zekere Levijn, die als knecht werkt in de brouwerij 'de Gans'. De oorzaak is dat hij zich al in de brouwerij 'de Claver' had verhuurd zonder daar in te willen komen. Hij krijgt voor zes weken een verbod in enige brouwerij te werken. Meermalen bereiken het stadsbestuur klachten 'over de onderhuring en lokking van knechts uit de ene in de andere brouwerij'. De brouwers binnen de stad wordt dan ook verboden om voortaan enige knecht, die bij een brouwer alhier werkt, te huren, veel min in dienst te nemen, alvorens eerst geïnformeerd te hebben of deze knecht niet in dienst van een andere brouwer is.

De brouwerij 'het Witte Claverblad', ook wel genoemd 'de Claver', aan de Beestenmarkt nummer 1 komt in 1750 in opspraak. Het blijkt 'dat de vensters van het zomerhuis van en staande aan de stads Latijnse school, strekkende over desselfs daarvoor leggende erve naar de westwal en uitkomende op de erve van de heer Lemmens van de brouwerij de Claver, zijn dichtgespijkerd'. Van de knecht van de brouwerij is vernomen dat hij dit in opdracht van de vrouw van de heer Lemmens heeft gedaan. Het stadsbestuur vindt dat deze handelingen niet ongestraft kunnen blijven en gelast om de brouwerij zo lang te sluiten tot dat de vensters daarvan weer in de staat zijn gebracht zoals ze vóór het toespijkeren daarvan geweest zijn.

Wijnnering

In 1749 betogen Gerard Dijkwel en z'n vrouw Maria Verschuyl, dat hun vader Paulus Verschuyl voor hun zuster Catharina, weduwe van de vroegere wijnkoper Willem Nolet, zonder haar schuld 'de wijncooperie' al over de vijftien jaren heeft waargenomen. Nu hun vader onlangs is overleden zijn ze uit medelijden wel genegen voor hun zuster de wijnkoperij te blijven doen. Ze vragen het stadsbestuur vergunning voor het doen van 'de wijncooperie' op dezelfde voet als door hun vader in zijn leven is gedaan. Ze krijgen vergunning om in het huis van hun zuster Catharina Verschuyl aan de Turfkade nummer 17 en op haar naam en voor haar profijt de wijnnegotie te doen.

Tabaknering

Marinus Mus betoogt in juli 1749 dat hij al geruime tijd met een aanhoudende ziekte is bezocht en buiten staat is om zijn ambacht uit te oefenen. Hij is nu voornemens om een winkel van tabak en sterke drank op te zetten en verzoekt hiervoor toestemming. Hij krijgt vergunning om in 'het Groot Ossenhoofd', Ossenhoofdstraat nummer 7, 'sterke drank te verkopen, mitsgaders om tot droging van tabacq een fournais of vuurplaats in zijn pakhuis, staande in het Ossenhoofdstraatje, te doen maken'.

Molenarij

Gort-, gerst- en boekweitmolens

Pieter Poelman, eigenaar van de pel- en gortmolen op het Ravelijn de Grenadier, verzoekt in 1749 hem als derde boekweitmaler toe te laten, dit onder intrekking van de resolutie van 25 maart 1747 waarbij hij toezei zich aan de aan zijn vader Steven Poelman verleende concessie te houden. Het stadsbestuur besluit te persisteren bij de resolutie van 25 maart 1747, die om gewichtige redenen en op goede gronden is genomen. Zijn verzoek wordt dan ook afgeslagen.

Petronella van Beijselaar weduwe van Elias Joël en Adriana Zandee weduwe van Marinus van Rosmalen geven het stadsbestuur in 1750 te kennen dat het destijds aan hun mannen verleende octrooi om een boekweit- en gortmalerij in het pand 'de Hazaert' aan de Sint Jacobstraat nummer 52 te houden in 1751 afloopt. Daarom en om de buitengewone kostbaarheid van hun molen, die door het stichten van nieuwe molens aanmerkelijk achteruit zou gaan, verzoeken ze om een nieuw octrooi voor 14 jaar. Ze krijgen vergunning voor het houden van hun boekweit- en gortmalerij voor zeven jaar, dit zonder nadeel van wat aan Pieter de Keijser wat betreft de gerstgortmalerij is toegestaan.

Beurtschippers

Algemeen

In november 1749 wijzen de dekenen van het schippersgilde op bepaalde misbruiken onder de beurtschippers, die zowel van als op Goes varen. Ze varen weliswaar op de voorgeschreven tijd weg, maar in plaats van direct naar de plaatsen te varen die zij met hun veren bedienen, varen ze landinwaarts en laden daar zakgoederen die zij dan naar de plaatsen van hun veren mee vervoeren. Daardoor worden hun reizen soms zeer lang, zodanig zelfs dat op sommige beurtschippers geen staat meer te maken is. De winkeliers ontvangen hun bestelde waren niet meer op tijd en de arbeiders en de pachter van de lepel lijden daardoor groot nadeel. Dit alles strekt tot afbreuk van de welvaart van de stad. Ze verzoeken de beurtschippers te verbieden zakgoederen ten plattelande in te laden, maar zich tevreden te houden met de vrachten in de steden van hun beurtveren vallende.

Een belangrijke centrale functie temidden van de levendige beurtveren is die van commissaris van de veren. In 1749 klagen de dekenen van het schippersgilde over de slechte behandeling door Johan Landschot als commissaris van de veren in het doen van de passing tussen de beurtschippers, 'als de ene tijd niet opgevende hetgeen hij ontvangen heeft en de andere tijd in passing brengende hetgeen de schippers in hun vaartuigen niet gehad hebben'. Dit alles is een gevolg van zijn voortdurende consumptie van sterke drank, waardoor hem in zijn functie niets kan worden toevertrouwd. Het stadsbestuur overweegt dat Landschot al verscheidene malen is berispt over zijn drankmisbruik en besluit hem te ontslaan uit zijn functie. Daarop verzoekt Landschot hem weer te herstellen in zijn functie. Hij verklaart 'ootmoedig van herte berouw te hebben zich te buiten te zijn gegaan en vraagt hem dit te pardonneren', maar zijn brief wordt aangenomen voor kennisgeving. In juni 1749 besluit het stadsbestuur gebruik te maken van het aanbod van Willem van Uye en hem aan te stellen tot commissaris van de veren van de steden Dordrecht, Gouda, Amsterdam, Rotterdam en Middelburg, mits hij tot profijt van de stad voldoet een recognitie van 1300 Carolus guldens.

Beurtveer op Antwerpen

Sinds de Franse inval in Staats-Vlaanderen is de beurtvaart op Brabant en Vlaanderen gesloten. De beurtschipper op Antwerpen, Pieter Jacobse, is daardoor buiten staat geraakt om iets te verdienen. Het stadsbestuur besluit hem, evenals andere schippers die geen vaste beurt hebben, vergunning te verlenen om vanaf Goes met hun schepen in de brede beurt te varen.

Beurtveer op Rotterdam

Er ontstaat in 1749 een conflict tussen de beurtschippers op en van Rotterdam. Pieter de Wind, de beurtman van Rotterdam op Goes, beklaagt zich dat de Goese beurtschippers op Rotterdam Jan van Schakerloo, Marinus de Smit en Sacharias Joosse hebben kunnen goedvinden hem te dagvaarden voor het gerecht van deze stad tot voldoening van penningen 'als deselve sustineren wegens oneffen of door hem met hen niet verpaste reizen als beurtman in 1746 van deselve goed te komen'. Hij is tot geen processen genegen en wendt zich daarom tot het stadsbestuur. Hij is bereid 'de genoemde oneffene reizen van hem met zijn partijen te vereffenen en in passing te brengen als zij daarentegen ook in passing willen brengen de reizen door hen aan hem uit het veer ontvoerd'. Het stadsbestuur besluit de partijen om de tafel te roepen om te proberen de zaak in der minne te schikken. Daarbij blijkt dat de geschillen met beurtschipper De Wind uit de wereld kunnen worden geholpen. Dit is echter maar van korte duur. Want in februari 1749 blijkt dat de dekenen van het schippersgilde eigenmachtig en zonder toestemming van het stadsbestuur het schip van Thomas Swart, beurtschipper van Rotterdam op Goes, hebben laten arresteren. Ze hebben de brugophaalder en boomsluiter verboden om Swart met zijn vaartuig te laten passeren en 'om hem daardoor te brengen tot passing van de vrachten met de schippers van deze stad op Rotterdam varende, hetwelk sedert augustus vorig jaar door disputen onder de wederzijdse schippers niet is geschied'. Het stadsbestuur overweegt dat door deze handelingen lichtelijk tussen de stadsbesturen van Rotterdam en Goes geschillen kunnen ontstaan. De commercie tussen beide steden zou daardoor aanmerkelijke schade lijden. Besloten wordt dan ook de handelwijze van de dekenen niet goed te keuren en het schip van Swart uit arrest te ontslaan.

De dekenen van het schippersgilde geven in september 1749 echter te kennen dat Thomas Swart, de beurtschipper van Rotterdam, blijft weigeren om met de schippers van Goes op Rotterdam de verdeling van verdiende vrachtlonen te regelen. De stadsregering van Rotterdam wordt hiervan kennis gegeven en verzocht maatregelen tegen Swart te nemen. Op 27 september komt een antwoord uit Rotterdam op tafel met als inhoud dat het stadsbestuur niet heeft kunnen overgaan om Swart terecht te wijzen. Ze vinden dat de gepasseerde zaak maar op z'n beloop gelaten moet worden en de schippers in het vervolg verplicht zijn om op behoorlijke tijd en zonder tussenpozen van zovele maanden de passing en verrekening te doen.

Beurtveer op Veere

Ook het veer van Goes op Veere veroorzaakt in 1749 problemen. Dit veer wordt al sinds enige jaren zeer slecht en onordentelijk waargenomen. Dit niettegenstaande daarvoor in 1733 een reglement is gemaakt. Niemand kan er staat op maken wanneer een vaartuig zal vertrekken. Het stadsbestuur besluit alle personen die met zogenaamde kromlayschuitjes of poonschepen het veer op Veere bedienen, te gelasten om voortaan dat veer overeenkomstig het gemaakte reglement te bevaren. Als deze order niet wordt nageleefd zal worden overwogen enkele vaste beurtschippers met uitsluiting van alle anderen aan te stellen. Tot de bediening van het veer zullen twee vaste beurtschippers worden aangesteld. De schippers van Goes op Veere protesteren hier tegen. Dan besluit het stadsbestuur alsnog daarin te bewilligen en de schippers die op Veere varen te gelasten om dat veer te bevaren conform het reglement van 1733. Dit alleen met die wijziging (om hen daartoe te meer aan te moedigen), dat hen wordt toegelegd voor het afhuren van een tweede schuit acht schellingen en acht grooten 's zomers en tien schellingen 's winters. Het stadsbestuur vertrouwt erop dat elke dag een vaartuig, weer en wind dienende, tot gerief van passagiers naar de stad Veere zal afvaren. Bij mankement van dien zal het stadsbestuur, na zoveel toegevendheid te hebben gebruikt, tot het aanstellen van twee vaste beurtschippers overgaan.

Beurtveer op Middelburg

In 1750 ontstaat er een conflict met Middelburg. Het stadsbestuur komt hiervoor op zondag in spoedzitting bijeen. De koopmansbode op Middelburg Pieter Gunters, die juist ontslag gevraagd heeft 'vanwege zijn hooggaande zwakheid en aanwas zijner jaren', is te Middelburg op bevel van burgemeester Radermacher gearresteerd. Gunters is kennelijk buiten zijn schuld ergens de dupe van geworden. Besloten wordt de beurtman van Middelburg bij zijn aankomst door een gerechtsbode aan te zeggen om direct met zijn vaartuig uit de haven te vertrekken en te verbieden om goederen te lossen. Ook krijgt de bode van Middelburg op Goes bevel om onmiddellijk de stad te ruimen zonder enige dienst te doen. Dit leidt tot een verontwaardigde reactie van Middelburg. Ze achten de handelwijze van Goes strijdig met de conventie van 13 april 1661 tussen beide steden, 'welke ze niet gedacht hadden op een zo violente wijze te zien interrumperen'. Ze hadden verwacht van het stadsbestuur van Goes de nodige opheldering te krijgen. Uiteindelijk kan de kwestie minnelijk beslecht worden.

Herbergen en tapperijen

Dirk Verschoor, varende voor knecht bij schipper Cornelis Dingenisse, deelt het stadsbestuur in 1747 mee dat hij het tot onderhoud van zijn huishouden noodzakelijk acht om sterke dranken te verkopen. Hij krijgt toestemming dit te doen in het huis 'Sint Jacob' bij de Koepoort, Wijngaardstraat nummer 62, dat toebehoorde aan Jan Spelle. Hierin is de tappersnering vele jaren gedaan.

De herbergiers en kroeghouders worden in 1748 verboden 'gedurende de aanstaande jaarmarkt langer dan 's avonds tien uur enige gelagen te zetten of aan iemand wie het ook zij enige soort van drank uit te schenken noch ook enige speelluiden ten hunnen huize toe te laten of aldaar op enige instrumenten te laten spelen'.

Er zijn twee koffiehuizen in de stad, één aan de Grote Markt en één aan de Turfkade. Cornelis Ossewaarde Czn. krijgt in 1748 vergunning om koffyhuis te houden in het pand Turfkade nummer 13 en een biljarttafel te zetten. Tegelijkertijd wordt de vergunning voor de andere koffyhuishouder Jan van Cogelenberg ingetrokken. Hij heeft zich namelijk zodanig tot de drank begeven dat hij ten enenmale buiten staat is om het koffyhuis langer naar behoren waar te nemen. Zijn goederen zijn inmiddels verkocht. In 1749 wil de andere 'coffyschenker', Leendert Eyermeet, zijn huis op de Grote Markt nummer 22 verkopen. Door zijn aanhoudende onpasselijkheid is Eyermeet hier niet meer toe genegen. Korte tijd later is hij overleden. Francois Oversluijs Fzn. vraagt vergunning om, als hij het pand kan kopen, daarin een koffyhuis te houden en een biljarttafel te zetten, dit op dezelfde recognitie als ook aan Cornelis Ossewaarde, de andere koffyhuishouder, is toegestaan. Een week later komen ook verzoeken binnen van Cornelis Westhoek en Jan Zeevaart. Uit de drie ingekomen verzoeken krijgt Jan Zeevaart vergunning om koffyhuis te houden en een publieke biljarttafel te zetten. Dit is vanaf 1754 het latere 'Royale Coffyhuis'.

De nieuwe koffiehuishouder Zeevaart verzoekt, 'voornamelijk wegens het vertrek van het grootste gedeelte van de alhier garnizoen gehouden hebbende militie buiten de stad en het eiland en de vermindering die hij daardoor in zijn winkel komt te lijden', ontheven te worden van de jaarlijkse recognitie van 100 Carolus guldens. Hij krijgt hiervoor ontheffing.

Er is deze jaren volop bedrijvigheid in de herbergen en kroegen. Cornelis Meerman koopt de herberg 'Soutens Thuyn' aan de 's Heer Hendrikskinderenstraat nummer 28, aangeduid als 'een vanouds gerenommeerde en nog druk bezocht logement en afspanning'. Dignus Marinisz. van Cruijningen verwerft de herberg 'de Groote Soutkeete' aan de Grote Markt nummer 1. Jacob Bosdijk wordt kroegbaas in 'de Salm' aan de Blaauwe Steen nummer 1. Ook aan de Blaauwe Steen nummer 6 koopt Adriaan den Boer het huis 'den Boerendans', waarin de kroeghoudernering al vele jaren is gedaan. Dignus Schuylink koopt 'het huis tenden de Voorstad 'de Laatste Stuyver', alwaar de kroeghoudernering sedert vele jaren is gedaan'. Marinus Dignusz. van Cruijningen krijgt ook vergunning om in het huis genaamd 'Beckof', staande buiten de Koepoort, de kroeghoudernering te doen. En Cornelis Leys koopt een kroeg, woonhuis en pakhuis, staande tegen de Ganzepoort 'alwaar de kroeghoudersnering lange jaren is gedaan' om daar te verkopen bier, brandewijn en andere sterke drank. David Pattijn koopt de herberg in de westerschans en mag daar de tappersnering doen. In het huis dat Pattijn achterlaat, 'de Maagd van Mechelen', staande tussen de twee waterpoorten, mag Adolf van de Velde bier, brandewijn en andere sterke dranken gaan verkopen. Jacobus de Wolf krijgt toestemming om in de herberg 'de Meerminne' aan de Grote Kade nummer 32 de tappersnering te doen. Jan Aarnout Slinck krijgt vergunning om in het door hem gehuurde pand 'het Huis van Nassau' aan de Blaauwe Steen nummer 5 de kroeghoudersnering te doen, 'aangezien die nering daar in lange jaren te voren is gedaan'. Dignus Ribbe mag in het huis, door hem gehuurd van Janis Kousemaker, staande naast de waterkorenmolen aan de Kleine Kade nummer 41, de kroeghoudersnering doen. Ook daar is die nering al vele jaren gedaan.

In maart 1749 krijgen de herbergiers Jacob Paret (van de herberg in het schuttershof van de Busse), Marinus Hoekman (van de herberg 'de Gouden Leeuw', Grote Markt nummer 17) en Jan Kousemaker (van de herberg 'de Groote Soutkeet', Grote Markt nummer 1) toestemming om op aanstaande dinsdag, zijnde de paardenmarkt, in hun herbergen violisten toe te laten en op hun violen te laten spelen.

Er komt in 1749 ook een brief binnen bij het stadsbestuur van een aantal herbergiers. Het betreft de herbergiers Jacob Paret (van het schuttershof van de Busse), Jan Kousemaker (van de 'de Groote Soutkeet' aan de Grote Markt), Jan Spelle, Marinus Hoekman (van 'de Gouden Leeuw' aan de Grote Markt), Cornelis Meerman (van 'de Zoutenstuyn' aan de 's-Heer Hendrikskinderenstraat) en Jan de Fouw. Ze betogen dat het stadsbestuur verboden heeft op de jaarlijkse kermis in hun huizen te laten spelen op de viool of andere muziekinstrumenten, noch gelagen te houden gedurende de kermis langer dan tot tien uur 's avonds. Ze worden 'hierdoor niet alleen in hun nering benadeeld, maar zelfs de gemene middelen worden merkelijk verkort, vermits tijdens de kermis (gedurende dewelke veel van hen meer drank plegen te slijten dan in drie volle maanden buiten dien) de meeste consumptie geschiedt bij dag door de ingezetenen ten plattelande en des avonds door jonge lieden. Waarvan de jonge lieden bij mankement van speelinstrumenten zich niet langer in de stad ophouden maar op het een of andere dorp in hun passagie naar huis, alwaar het fiool spelen is toegestaan, hun verteringe doen'. Ze verzoeken toestemming om gedurende de aanstaande kermis weer zoals voorheen in hun herbergen te mogen laten spelen op de viool en andere speelinstrumenten, als ook 'om het aldaar komende gezelschap te requireren drank te mogen schenken en te laten consumeren zo lang tot dat het selve gezelschap goedvindt te vertrekken'.

Markten

Op 8 juli 1747 overweegt het stadsbestuur 'de tegenwoordige dangereuze tijdsomstandigheden'. In verband daarmee krijgen de gedeputeerden ter statenvergadering opdracht 'opschorting van de gewoonlijke aanstaande jaarmarkt van de stad over het lopende jaar te verzoeken, mits blijvende niettemin de vrije graanmarkt voor die week toegestaan'. Met het oog op de jaarmarkt van 1748 besluit het stadsbestuur 'op de aanstaande jaarmarkt niet toe te laten enige commedianten, koordedansers, quaksalvers, draayborden, rijffelaars en diergelijke ijdelheden en daarvan in de couranten notificatie te laten doen'. In augustus 1749 verzoeken verscheidene van de voornaamste herbergiers 'hen toe te staan om zowel in de aanstaande kermis als bij andere voorvallende gelegenheden in het vervolg wederom in hun huizen op de viool en andere instrumenten te laten spelen en de gezelschappen toe te laten en van drank te bedienen'. Ze krijgen geen toestemming.

Op de dinsdagse zuivelmarkt in een gedeelte van de Lange Vorststraat loopt het niet naar wens. In 1750 blijkt dat de publicatie van 1740, waarbij de voorkopers verboden is voor de klokslag van tien uur enige zuivel, hoenders en eieren op de zuivelmarkt of daar buiten te kopen, niet naar behoren wordt nagekomen. Het stadsbestuur bevestigt nogmaals dit verbod.

Bakkerijen

De zoetekoekverkopers Hendrik Mispelblomme, Christiaan van de Linde en Willem Huis, schrijven het stadsbestuur in augustus 1747 dat ze uit de courant hebben vernomen dat de jaarlijkse kermis of jaarmarkt dit jaar niet wordt gehouden. Ze ondervinden hierdoor groot nadeel voor hun negotie als zoete koekverkopers. Daarin ligt een groot deel van hun bestaan. Ze worden zeer benadeeld door het niet kunnen of mogen verreizen in Zeeland met hun kramen en ook om met hun koekkramen niet meer op de jaarmarkt te kunnen staan. Ze verzoeken met klem hen toe te staan met hun kramen op maandag aanstaande op de Grote Markt te mogen staan en hun gebakken zoete koek daar te verkopen.

Er komen in oktober 1748 klachten binnen dat bij sommige bakkers het brood soms niet op het voorgeschreven gewicht wordt gebakken. Enkele leden van het stadsbestuur gaan samen met de pasmeesters bij de bakkers onderzoek doen. Degenen bij wie onregelmatigheden worden bevonden, krijgen een boete. In 1749 besluit het stadsbestuur 'twee of drie heren, die het best daartoe kunnen vaceren, te autoriseren om met assistentie van enige keurmeesters van den broode, het brood bij de bakkers te doen wegen en hetgeen beneden de wigte mocht worden bevonden, naar het weeshuis te laten brengen'.

In 1745 is vanwege de duurte van het hout de bakkers toegestaan een vergoeding te vragen van £ 0.4.4 voor het bakken van een zak meel als ze dit zelf kneden en £ 0.3.0 als ze met hun meel zelf voor de oven komen en dit zelf kneden. Het stadsbestuur overweegt in 1750 dat het brandhout dat de bakkers gebruiken sindsdien aanzienlijk in prijs is gedaald en er daardoor geen redenen meer zijn om de bakkers van die verhoging bij voortduur te laten profiteren. Besloten wordt dan ook de resolutie van1745 in te trekken en aan de bakkers, zoals voorheen, toe te kennen voor het bakken van een zak meel die zij zelf kneden £ 0.3.8 en voor een zak meel die voor de oven gebracht en gekneed wordt £ 0.2.4.

In 1750 komt de broodbakkerij, die sinds 1719 door de bakkersfamilie Van der Stelle aan de Lange Kerkstraat nummer 19 werd bedreven, in de verkoop. Ten behoeve van de wezen van de overleden bakker Jan van der Stelle wordt verkocht het woonhuis en de bakkerij aan de Lange Kerkstraat, een schuur op het plein bij de schutterij van de handboog en een hofje gelegen aan de stadssingel tegenover de gortmolen. Ook de bakkerij van De Lamaire aan de Voorstad komt in 1750 door het overlijden van bakker Jan de Lamaire te koop.

Pruikenmakers

In maart 1749 gelast het stadsbestuur een zekere La Comte, als knecht werkzaam bij de vrouw van Louis Champon die een pruikenmakerwinkel drijft, binnen 24 uur de stad te verlaten. Overwogen wordt dat ook Louis Champon zelf enige weken geleden de stad is ontzegd. Zijn vrouw blijft bij voortduur de pruikmakerswinkel door een knecht aan de hand houden. Dit wordt haar verboden.

Hoedenmakers

In 1749 huurt hoedenmakerbaas Nicolaas Blom uit Utrecht een huis in de Ganzepoortstraat nummer 10 van Jan Braet om daarin het handwerk en de nering van hoedenmakerbaas te doen. Hij krijgt toestemming om een fornuis te plaatsen om de hoedenmakerij te kunnen doen.

Boekverkopers

De boekverkopers en boekbinders Leendert Eyermeet en Francois Oversluijs Fzn. (Lange Kerkstraat nummer 22 'de Bijbel') beklagen zich erover dat ze steeds meer ondervinden dat deze en gene, die geen proeve van het ambacht heeft gedaan, binnen de stad publiek verscheidene soorten van boeken, papieren en andere goederen, tot deze nering behorende, verkopen. Dit niettegenstaande dit bij resolutie van 28 januari 1736 is verboden. Tevens ondervinden ze dat de weduwe van Jacob Huysman in de winkel 'het Persiaensche Coffyhuijs' aan de Turfkade nummer 15 van haar overleden zoon Adriaan Huysman, in leven boekverkoper en boekbinder, bij voortduur deze nering doet, daar nochtans maar één weduwe van een boekverkoper daartoe is geprivilegieerd. Ze verzoeken een resolutie waarbij de rechten van het kramersgilde worden gehandhaafd. Het stadsbestuur besluit de weduwe van Jacob Huysman en alle anderen die daartoe niet bevoegd zijn te verbieden enige goederen, tot de stijl en nering van een boekverkoper of boekbinder behorende, te verbieden.

Smederijen

In 1747 beklaagt de koperslagersbaas Johannes van de Weele zich bij het stadsbestuur dat hij van het koperslaan niet kan bestaan. Hij is daardoor genoodzaakt om zich ook met tinnegieterswerk te generen en dit, zowel het in de stad als elders gemaakte, op jaarmarkten te verkopen. Daardoor heeft hij zeer veel gemaakte werkstukken onder zich. Aangezien de jaarmarkten in vele plaatsen zijn opgehouden, zo weet hij er tot zijn grote schade niet meer van af te komen. Hij verzoekt hem toestemming te geven ook het tinnegieten ter hand te nemen, evenals dit aan de oude Frederik Cats en ook aan de oude Jan Snoep werd toegestaan. De dekenen van het smedengilde, Adriaan Ratel, Jan van Beijsselaar, David Vervenne, Jan Duijnkerke, Adriaan Boddingius en Johannes Cats, adviseren dit verzoek af te wijzen.

Francois de Wind en Johanna Palding, de weduwe van de goud- en zilversmid Sebastiaan Coomans, verklaren in december 1748 dat ze al vanaf 1744 met elkaar hebben verkeerd om tot een huwelijk te komen. Hierin zijn ze tot nu toe tegengehouden omdat Johanna haar zilver- en goudsmidwinkel en huis 'de Gouden Croone' aan de Papegaaystraat nummer 9 (waarvan ze na de dood van haar man de hantering heeft aangehouden) op geen enkele wijze aan de man heeft kunnen helpen. En geen andere weg wetende heeft Francois de Wind zich als leerling bij een vrijmeester van het goud- en zilversmedengilde, de goud- en zilversmid Cornelis Ossewaarde, besteed. Op zijn verzoek om na twee jaar toegelaten te worden als vrijmeester hebben de dekenen van het gilde - dat zijn Adriaan Boddingius, Krijn Mus, Johan van Beijsselaar, Machiel Westdorp en Dingeman Cats - nu enkele malen afwijzend beschikt. Het stadsbestuur besluit de dekenen te gelasten om De Wind zijn proeve als goud- en zilversmid te laten doen en hem na een goede proef toe te laten als vrijmeester in het gilde.

Catharina Snoep wil in 1750 haar huis en tinnegieterswinkel in de courant zetten om die te verkopen. Niettemin probeert ze de winkel aan een andere tinnegieter te verkopen. Het is niet haar bedoeling het tinnegieten te traineren. Er zijn bijna geen andere tinnegieterswinkels in de stad. Ze krijgt vergunning om de tinnegieterswinkel vooralsnog gaande te houden.

Stoeldraaiers

De stoeldraaiersbazen Pieter de Sager en Francois Tienpont geven in 1750 te kennen, dat volgens oud gebruik niemand als stoeldraaiersbaas mag worden toegelaten zonder vooraf tenminste twee jaar bij een baas van dat ambacht als knecht gewerkt te hebben. Na afloop van die twee jaar moet hij een proeve op de winkel van een deken van het gilde, die tevens stoeldraaiersbaas is, gemaakt hebben. In de praktijk blijkt echter dat men zich als leerjongen bij een baas aangegeven heeft om op het gildeboek aangetekend te worden, maar slechts nu en dan op de winkel van die baas komt zonder dagelijks daar te werken. Ook komt men zijn proeve soms te doen op de winkel van een stoeldraaiersbaas die geen deken van het gilde is. Als voorbeeld noemen ze Jacobus de Faak, die zijn proef op de winkel van Jodocus van der Stalle wil doen. Ze verzoeken De Faak te verbieden daarmee door te gaan. Het stadsbestuur besluit echter, na ingewonnen advies van dekenen van het timmerluiden- en stoeldraaiersgilde, in het verzoek niet te treden. De Faak mag alsnog zijn proeve doen.

Blekers

De blekers binnen de stad, Adriaan Coppejan en Pieter Kouwels, laten in 1747 van zich horen. Ze betogen'dat zij, benevens andere burgers en ingezetenen, verplicht zijn op hun beurt de alhier gehouden wordende borgerlijke parade en nagtwagt waar te nemen. Dit geeft aan quaadwillige personen gelegenheid dien tijd waar te nemen om goederen, hen op hunne bleijken toebetrouwd en waarvoor zij vervolgens garant staan, te komen stelen, zoals het selve over enige tijd op de stadsbleijk, bij Gerard Krijger bewoond, op een tijd wanneer desselfs soon Cornelis Krijger (die vermits zijns vaders hoge jaren en indispositie denselven bleijk waarneemt en gadeslaat) op zijn tour de voornoemde burgerwacht heeft waargenomen , is geschied. Ende vermits zij dus telkens wanneer zij door het waarnemen der wacht zich van hunne bleijken bij donkere avonden en nachten moeten absenteren, aan grote schade en zelfs gevaar van ruine door het bestelen van hunne bleijken (hetgeen van deze winter, tenzij daar tegen alle mogelijke voorzorgen genomen worden, grotelijks te duchten is, zijn bloot gesteld'. Om deze reden verzoeken ze hen van het waarnemen van de burgerlijke nachtwacht en de daaraan voorafgaande parade te ontheffen. Daardoor hopen ze door hun tegenwoordigheid tegen het gevreesde bestelen van hun bleijken te kunnen waken. Overigens constateert het stadsbestuur in 1750 dat de verpachting van 'de stadsbleik', de bleekweide bij de Ganzepoort, weinig tot geen voordelen oplevert. Het besluit dan ook deze bleek, later aangeduid als 'het groene weidje', publiek op te veilen en voor een redelijke prijs te verkopen.

Mandenmakers

In 1748 betogen de mandenmakers Jan de Klerk Dzn, Pieter de Klerk, de weduwe Kouweliere, de weduwe Mellaard en Dirk van der Visse 'dat hen zeer veel nadeel wordt toegebracht doordat er dagelijks meer personen, die niet onder het gilde behoren, veel min enige proeve hebben gedaan, het durven bestaan publiek alle soorten van teenen te reeden en binnen deze stad aan elk en een iegelijk te verkopen'. Er zijn ook verscheidene landluiden en vreemdelingen die zich aanmatigen binnen de stad verscheidene soorten tenen te verkopen.

Wagenmakers

In 1749 vraagt de wagenmaker Jacob Leijs uit Ovezande vergunning voor het houden van een wagenmakerwinkel. In Ovezande kan hij nauwelijks meer aan de kost komen, temeer daar het district van Ovezande maar heel klein is en dat er dichtbij op Drywegen ook een wagenmaker is. Hij betoogt dat er van aloude tijden binnen de stad twee wagenmakerswinkels zijn geweest en verzoekt hem toe te staan het wagenmaken in de stad uit te oefenen en een wagenmakerij op te richten. Het stadsbestuur is nog niet zover en besluit het verzoek af te wijzen.