Aanvulling? Meld het hier.
<<

Gilden (1747 - 1750)

Arbeiders-, zakdragers- en bierdragersgilde

Het Sint Jansgilde van de arbeiders trekt in 1749 opvallend veel nieuwe krachten. Tot arbeiders worden 28 personen aangesteld.

De dekenen van het arbeidersgilde geven in 1750 te kennen dat het onder sommige beurtschippers, zowel van als op Goes varende, niet alleen sinds verscheidene jaren gepraktiseerd is maar ook nog dagelijks meer voorkomt, dat zij in het bedienen van hun veren in plaats van deze direct te bevaren, telkens granen of zakgoederen ten plattelande komen te laden. Ze lossen die ladingen binnen de steden, die ze van deze stad direct bevaren moeten of ook wel op andere plaatsen, zonder dat van die ladingen ooit enig goed binnen deze stad gelost wordt. Dit is niet alleen tot groot nadeel van hun gilde, maar ze menen dat de beurtschippers daartoe ook geheel onbevoegd zijn. Ze verzoeken te ordonneren dat geen beurtschipper voortaan enige zakgoederen ten plattelande meer zal mogen laden.

Kleermakersgilde

In 1749 beklaagt het kleermakersgilde zich. Niettegenstaande dit vanouds is verboden, ontzien verscheidene burgers het niet om, tot grote schade en nadeel van het gilde, hun kleding door soldaten te laten maken en verstellen. Deze worden om een gering voordeel in hun huizen te werk gesteld, dit alles tot aanmerkelijke ruïne van het gilde. Het stadsbestuur besluit tot voorkoming van dergelijke handelingen alle burgers en ingezetenen te verbieden om voortaan enige kleding door soldaten te laten maken of verstellen, veel min hen toe te staan deze in hun huizen te laten werken.

De dekenen van het kleermakersgilde uiten in 1750 opnieuw hun zorgen. Het gebeurt regelmatig 'dat door luiden, die het gilderecht niet hebben betaald, goederen voor geld en in loontrekking worden genaaid zonder dat het de dekenen mogelijk is beslag op zulke goederen te leggen'. Verder komt het voor dat sommige kleermakersbazen zich niet ontzien knechts of leerjongens van hun confraters af te trekken en bij hen te laten werken zonder dat zulke knechts of leerjongens hun verplichtingen bij hun vorige baas hebben voldaan. Daardoor zijn die bazen veeltijds ontriefd en met hun werk in verlegenheid gebracht. Het stadsbestuur vindt het verzoek van de dekenen alleszins redelijk en treft hiervoor maatregelen.

Schoenmakersgilde

De dekenen van het schoenmakersgilde uiten in 1750 hun zorgen. Het blijkt dat de meeste inwoners van de stad en de opgezetenen van het platteland zich in de week van de jaarmarkt voor het gehele jaar van schoenen voorzien in de veronderstelling dat ze dan goedkoper uit zijn. Dit zijn over het algemeen schoenen die van buiten de provincie te koop worden aangeboden. Het gevolg hiervan is dat die van het schoenmakersgilde, tenminste velen van hen, bijna het gehele jaar door geen of weinig werk hebben. Hierdoor zijn ze niet in staat om voor hun huisgezin met hun handwerk de kost te verdienen en dreigen armlastig te worden. Dit lot zou al verscheidene schoenmakerknechts deze winter te beurt zijn gevallen, indien niet vele bazen uit medelijden voor deze knechts hen tot hun nadeel aan het werk hadden gehouden. Daardoor hebben de bazen zoveel werk laten maken dat ze door de weinige aftrek genoodzaakt zijn honderden paren gemaakt werk bij zich te houden. Hierdoor worden deze bazen uiteindelijk genoodzaakt om, willen ze niet door de voorschotten aan daggelden geruïneerd worden, daarmee uit te scheiden. Daarvan is weer een gevolg dat de knechts dreigen tot de grootste armoede te vervallen. Ze verzoeken het inbrengen, venten en verkopen van vreemd schoenmakerswerk binnen de stad te verbieden.

Het stadsbestuur besluit een waarschuwing te publiceren 'dat op de aanstaande vrije jaarmarkt niemand te koop zal mogen brengen enig schoenmakerswerk ten plattelande gemaakt, en wel speciaal het zogenaamde Langestraatwerk, van welke plaats het ook zou mogen komen, op verbeurte van al het aangebrachte werk en bovendien een boete van vier zilveren dukaten'. Hieronder zijn niet begrepen de vrije meesters uit de Zeeuwse steden, want die is het toegestaan op de jaarmarkt hun eigen gemaakt werk binnen de stad te brengen en te verkopen.

Kramersgilde

De dekenen van het kramersgilde delen het stadsbestuur in 1748 mee dat Cornelia Vervoort tot nu toe winkel heeft gehouden. Zij is nu in het huwelijk getreden met een zekere Martinus van der Helske, soldaat in het regiment van de luitenant-generaal De Larocque, 'die gesegd wierd te wezen van de Roomse religie'. Cornelia Vervoort is daarop door de dekenen van het kramersgilde verboden winkel te houden. In een attestatie heeft Nicolaas Turcq, luitenant in het regiment, echter verklaard 'dat hij de gereformeerde religie wenst aan te nemen met belofte van zich daar in ten spoedigste te laten onderwijzen'. De dekenen van het kramersgilde geven Cornelia daarop weer toestemming winkel te houden.

Timmerluidengilde

Adriaan van der Veer deelt het stadsbestuur in 1748 mee dat hij vrij schrijnwerkerbaas in het timmerliedengilde is geworden. Hij heeft altijd begrepen dat hier ook het maken van doodkisten onder valt. Onlangs heeft hij een greinen doodkist gemaakt, maar dat is hem door de dekenen van het gilde betwist. Volgens hen mag hij alleen eiken kisten maken. Hij verzoekt toestemming om voortaan zowel eiken als greinen doodkisten te maken. De dekenen van het gilde, Francois Tienpond, Boudewijn Kramer, Pieter de Klerk, Francois Walraven en Jan van Rosendaal, adviseren negatief op zijn verzoek. Ze oordelen dat onder het handwerk van schrijnwerker begrepen is 'het maken van allerhande ingelegde kisten die tot gebruik hetzij voor boerenknechts als anderen voor cieraad worden gemaakt, doch geenszins het maken van doodkisten'. Het stadsbestuur wijst het verzoek dan ook af.