Aanvulling? Meld het hier.
<<

Haven en vaarwater (1747 - 1750)

Verlanding vaarwater

De verlanding van het vaarwater neemt steeds meer toe. De beurtschippers ondervinden hiervan grote overlast. Zo betogen de beurtschippers op het veer van Goes naar Rotterdam vice versa, Zacharias Joosse en Thomas Swart, in 1747 dat ze door het opdrogen van het Goese Diep bij tegenwind genoodzaakt zijn met hun geladen schepen achteruit of buitenom te varen. Door het geringe vrachtloon kunnen ze hun veer nauwelijks meer bekostigen. Ze verzoeken dan ook om verhoging van de vrachtlonen.

In maart 1749 blijken de dammen in het Wolphaartsdijkse vaarwater en in het schorre van Goenje zeer beschadigd te zijn. Ze moeten noodzakelijk gerepareerd worden. Gecommitteerde Raden wordt gevraagd de nodige maatregelen te nemen. In april inspecteert Adriaan Paardecooper deze dammen. Hij legt een rapport over van wat hersteld moet worden en een raming van de kosten. Het stadsbestuur dient een verzoek bij Gecommitteerde Raden in om het herstel van die dammen te bewerkstelligen.

In juli 1749 overweegt het stadsbestuur dat de droogten oostelijk van het Goese Hoofd zodanig aanwassen dat het te vrezen is dat het vaarwater aan die zijde geheel zal dichtslibben. Tot voorkoming van verdere verlanding hebben Gecommitteerde Raden in 1746 wel verscheidene werken aanbesteed. Deze zijn echter vanwege de vijandelijke inval van de Fransen in Staats-Vlaanderen niet uitgevoerd, niettegenstaande vele materialen voor dat werk al ter plaatse waren gebracht. Om de totale ruïne van de stad en de ingezetenen zoveel mogelijk te voorkomen, is het meer dan tijd om maatregelen te treffen. Hierover wordt Gecommitteerde Raden een brief geschreven met het dringende verzoek zo spoedig als mogelijk is een nadere inspectie te laten uitvoeren door de heer Paardekooper 'als der stroomen kundig' en dit najaar het werk aan te besteden, zodat dit in het aanstaande voorjaar kan worden uitgevoerd. Als antwoord op het pleidooi van het stadsbestuur komt er in augustus 1749 een brief van de raadspensionaris van Zeeland Keetlaar over de toestand van de droogten voor de stad. Gecommitteerde Raden hebben besloten de commies De Smit en de inspecteur Van Dun op te dragen de aannemers van de werken in het Goese diep, die op 25 oktober 1746 zijn besteed, aan te sporen dat deze vroeg in het aanstaande voorjaar met de aangenomen werken beginnen.