Aanvulling? Meld het hier.
<<

Kerkelijke situatie (1747 - 1750)

Nederduitse (hervormde) gemeente

Op 7 juni 1747 overlijdt ds. Johannes Andriessen, 'de Oudste Leeraar deser gemeijnte'. Vanaf 1706, dus meer dan veertig jaar, diende hij de Hervormde gemeente van Goes. Hij woonde al die jaren in de pastorie 'de Patiëntie' aan de Keizerstraat nummer 1. Hij wordt in het zogenaamde predikantengraf in het koor van de Grote Kerk begraven, terwijl de doodsklok een uur lang luidt. Ditzelfde jaar, op 6 november 1747, overlijdt ook de vroegere predikant ds. Lambertus Te Winkel. Ook hij wordt in het predikantengraf in het koor van de Grote Kerk begraven, terwijl de doodsklok anderhalf uur luidt. Hij diende de gemeente van 1721 tot 1742, dus 21 jaar.

In de plaats van 'wijlen de weleerwaarden en Saligen heer dr. Johannes Andriessen' beroept het Collegium Qualificatum in februari 1748 ds. Abraham van de Velde te Bergschenhoek. Hij bedankt voor dit beroep. Daarop wordt in april 1748 beroepen ds. Jacobus Hinlopen te Zonnemaire, die het beroep aanneemt.

In september 1748 neemt de predikant ds. Marcus Jacobus Broen een beroep aan naar de gemeente van Nimwegen. De kerkenraad verleent ds. Broen de vrijheid de beroeping op te volgen, 'zijn eerwaarde van herte toewenschende den Zegen des Heeren opdat zijn dienst aldaer niet minder mag vruchtbaar en aangenaem zijn dan die onder ons geweest is'. Daarna neemt ds. Broen van de kerkenraad met nadrukkelijke zegenwensen afscheid. Uit een twaalftal genomineerde predikanten beroept het Collegium Qualificatum in zijn plaats met eenparige stemmen ds. Carolus Segaar, predikant te Benthuizen. Koster Mispelblom krijgt opdracht de beroepbrief naar Benthuizen te brengen. Ds. Segaar schrijft daarop in een uitvoerige brief aan de kerkenraad onder meer: 'Allen die mij of elders of te Benthuizen inzonderheid liefhebben, roepen eenparig dat ik niet gaan moet. Dat is ook de stem van mijn dierbare ouders voor welke het anders zeer smartelijk is.... Het voornaamste is mijn onbequaamheid en jonkheid, doch ik vertrouw dat Hij Die mij roept, mij ook zal bequaam maken'. In december komt het er wegens gewichtige omstandigheden niet van naar Goes over te komen. Het hangt er van af of het water niet bevroren is of hij in januari over zal komen. Uit een nader bericht blijkt dat hij op 5 januari afscheid preekt en op 19 januari 1749 intrede hoopt te doen.

Zo begint 1749 met een college van vier nieuwe predikanten. In korte tijd zijn de voormalige predikanten weggevallen: ds. Pieroom en ds. Andriessen overleden, ds. Te Winkel ging met emeritaat en overleed in 1747 en ds. Broen vertrok naar Nimwegen. De gemeente wordt thans gediend door de predikanten ds. Aegidus Stokmans, ds. Cornelis Soutmaat, ds. Jacobus Hinlopen en ds. Carolus Segaar. Vanaf nu worden de notulen steeds geopend met de namen van de preses, de assessor en de scriba, bijvoorbeeld in mei ds. Segaar presis, ds. Hinlopen assessor en ds. Stokmans scriba.

De kerkenraad wordt terzijde gestaan door de krankenbezoeker Hubertus van Opsaal. In 1747 verzoekt Van Opsaal een regeling voor zijn beloning, nu binnen de stad een 's Lands hospitaal is geplaatst en hij als krankenbezoeker steeds bij zieke en gekwetste soldaten wordt ontboden. In maart 1750 overlijdt Van Opsaal. Z'n weduwe ontvangt nog zes weken traktement. Met eenparige stemmen verkiest de kerkenraad in de vacature van krankenbezoeker Adriaan Does, die bij z'n examen zoveel genoegen geeft 'dat hij met volle ruimte tot dit ambt wordt toegelaten'.

Bij de jaarlijkse verkiezingen voor de kerkenraad worden tot ouderlingen en diakenen verkoren:

  • in 1747 tot ouderlingen burgemeester mr. Adriaan Isebree, Johan Adriaan van Dorth, Jan Cats, Leendert de Fouw en - in de plaats van de overleden ouderling Joost de Jonge - Jan van den Berge en tot diakenen Jan Camphus, Marinus Schelstraate, Marinus Pleun en Dingeman Cats;
  • in 1749 tot ouderlingen de regent Francois de Keijser, de regent Johan van Thiel, Francois Oversluis en de regent mr. Willem van der Bilt en tot diakenen Pieter de Klerk, Logier Steenbakker, Hubrecht Klugten en Christiaan Roepels;
  • in 1750 tot ouderlingen de regent mr. Adolf Westerwijk, Cornelis Wagenaar, Antoni Jason en Cornelis Dijkwel en tot diakenen Boudewijn Cramer, Willem Beijaart, Jan de Jonge en Jacob van Stee.

Op 13 mei 1747 doet de preses, ds. Stokmans, het voorstel 'of het niet betamelijk en voegzaam ware dat de kerkenraad gedeputeerden verkoor om den Heer Prince van Orange, so hij deze stad met Zijn tegenwoordigheid mogt vereeren, te complimenteren met de verkiesinge tot de waardigheden Sijner voorvaderen'. De kerkenraad stemt hier graag mee in en wijst hiervoor aan de vier dienstdoende predikanten en de ouderlingen Johannes Levendale en Johannes van den Berge. Ook de diakenen worden verzocht een tweetal uit hun midden aan te wijzen. Op 17 juni brengt ds. Stokmans verslag uit 'hoe de in dienst zijnde predikanten, uitgenomen ds. Johannes Andriessen die wegens krankheid het bedde toen moetende houden, benevens de gecommitteerde ouderlingen en diakenen, alhier op den 30 mei Sijn Doorlugtige Hoogheid den Heer Prince van Orange gecomplimenteerd hebben en minnelijk ontvangen en beantwoord zijn geworden door Sijne Hoogheid'.

De kerkenraad verzoekt het stadsbestuur in juni 1747 ermee in te stemmen dat de voorbereidingspredikatie voor de bediening van het Heilig Avondmaal voortaan op vrijdagavond gedaan wordt in plaats van op zaterdag om een uur 's middags. Ook besluit de kerkenraad voortaan bij de openbare godsdienst in de gebeden ook te bidden voor de zieken en gekwetsten in 's Lands Hospitaal in de stad. De koster zal daarvan telkens een briefje opgeven.

De Staten van Zeeland geven op 1 juli 1747 te kennen 'hoe voortaan de bedienaars van het Goddelijke Woord voor alle hoge en subalterne overheden in de publieke kerken zullen moeten bidden met verzoek aan het stadsbestuur daarvoor de nodige orders te stellen'. Het stadsbestuur zendt de gedrukte exemplaren van de brief toe 'aan de bedienaars des Goddelijken Woords tot derselver narichting'.

Begin 1748 vraagt de kerkenraad het gevoelen van het stadsbestuur over de vermaking van de kerkenraad. Volgens een in 1706 genomen besluit van het Collegium Qualificatum zou de kerkenraad op woensdag na het tweede Heilig Avondmaal in de maand januari elk jaar moeten worden veranderd, ongeacht of een predikantsplaats vacant is of niet. Doch sinds de tijd toen er een predikant moest worden beroepen is de kerkenraad telkens onveranderd gebleven. Het stadsbestuur besluit deze kwestie te laten afhandelen door de deputaten naar het Collegium Qualificatum tot het beroepen van een predikant. Ook op ander gebied houdt het stadsbestuur greep op het gebeuren in de kerk. Enkele jaren geleden is namelijk bepaald welke zitplaatsen de officieren in de kerk zullen hebben, doch die resolutie 'had geen hoger karakter dan kolonels gementioneerd zijnde'. Besloten wordt 'dat voortaan een luitenant-generaal zal kunnen zitten in de bank van de burgemeesters en een generaal-majoor of brigadier in de bank daar de raden zitting hebben'.

Maar ook beslist het stadsbestuur over de collecten. In januari 1748 verzoekt het de predikanten 'om alle drie maanden des zondags, wanneer het Heilig Nagtmaal voor de tweede maal gehouden wordt, de goede gemeinte, met redenen ter materie dienende, tot het oefenen van hun milddadigheid aan de gewoonlijke collecte ten behoeve van het weeshuis en de zogenaamde grote armen, aan te manen mitsgaders des zondags daaraanvolgende daarvoor te bedanken'. Het is het stadsbestuur namelijk gebleken dat in meest alle plaatsen waar driemaandelijkse collecten voor de armenhuizen of armen gedaan worden, gewoonlijk de gemeente op zondag tevoren tot het betonen van milddadigheid door de predikanten wordt aangemaand en op zondag daarna voor hun giften bedankt. Daarvan is tot nu toe in deze gemeente geen gebruik gemaakt.

In maart 1749 verzoekt de kerkenraad de president-burgemeester te verordenen dat de militairen op de tijd van de kindercatechisatie en consistorie niet in de wandelkerk exerceren en zich wachten zullen van onder de godsdienst geraas te maken. Dit verzoek heeft effect.

Namens de kerkenraad brengen preses ds. Segaar en ouderling mr. W. van der Bilt de burgemeester in augustus 1749 een verzoek over om door het gezag van het stadsbestuur op de aanstaande jaarmarkt alle openbare onordentelijkheden te weren en 'ook in het bijzonder in de herbergen de Fioolen, om de gevolgen van dien'. Ook in juli 1750 leggen de preses ds. Zoutmaat en ouderling Jan van Thiel eenzelfde verzoek over aan de burgemeester.

In december 1749 bespreekt de kerkenraad met burgemeester Cornelis Ossewaarde het verkiezen van een voorzanger. De burgemeester stelt voor gezamenlijk met het stadsbestuur te proberen een bekwame schoolmeester in de plaats van meester Du Flo te benoemen, die tevens als voorzanger kan fungeren. De kerkenraad is hiertoe wel genegen, mits dat 'wij alvorens door het hooren der gaven als anders alvoorens overtuigd waren van des zelfs bequaamheid en gepastheid tot den kerkendienst'. De burgemeester neemt hier volkomen genoegen in. Omdat het stadsbestuur tot nieuwe schoolmeester heeft aangesteld Cornelis van de Weele, die voorheen hier voorzanger is geweest, vindt de kerkenraad het niet nodig een sollicitatieprocedure open te stellen. Met algemene stemmen verkiest het Cornelis van de Weele tot voorzanger.

Uit de verantwoording in augustus 1749 van de opbrengst van de collecte voor de geruïneerde ingezetenen van Staats-Vlaanderen en tot opbouw van de afgebrande kerken te Bergen op Zoom, Sas van Gent etc. blijkt dat deze heeft opgebracht £ 412.19.1. In de stad Goes is gecollecteerd £ 158.8.4, te Cloetinge £ 17.3.3, te Capelle en Bieselinge £ 12.6.1, te Cruiningen £ 16.10.8, te Waarde £ 19.7.3, te Wemeldinge £ 15.16.8, te Wolphaartsdijk £ 31.16.3, etc. Opvallend is de hoge collecte in Wolphaartsdijk!

Waalse gemeente

De kerkenraad van de Waalse gemeente geeft in april 1748 haar financiële zorgen te kennen. Er is een groot aantal armen dat ten laste van hun kerk komt. Hun ledental vermindert gaandeweg. Daardoor zijn de geldmiddelen van hun kerkelijke gemeente zodanig afgenomen dat ze binnenkort niet langer in staat zullen zijn de armen te verzorgen. Ze vragen het stadsbestuur hierin te voorzien. Het stadsbestuur overweegt dat de Waalse gemeente tot nu toe nooit iets heeft genoten - zoals de Nederduitse gemeente - uit de gelden van de extra-ordinaire collecte ten behoeve van de armen en het weeshuis. De regenten van het arm- en weeshuis krijgen opdracht aan de diaconie van de Waalse gemeente wekelijks of driemaandelijks uit de armenmiddelen, die onder hun beheer berusten, zoals met die van de Nederduitse gemeente geschiedt, te voldoen en uit te reiken de helft van wat deze wekelijks aan hun armen bijdragen.

De kerkenraad van de Waalse gemeente verzoekt het stadsbestuur in juli 1749 dat hun armen, in geval van ziekte en ongemakken, evenals die van de Nederduitse gemeente, ook door de stadsdoctoren en chirurgijns mogen worden bediend. Hiermee wordt akkoord gegaan.