Aanvulling? Meld het hier.
<<

Stadsbestuur (1747 - 1750)

Stadsbestuur

Op 8 juni 1747 begeven burgemeester Marinus Canisius en oud-burgemeester mr. Adriaan Isebree en een van de stadssecretarissen zich als gedeputeerden van het stadsbestuur met de meeste spoed naar den Haag 'om zich daar te adresseren aan Sijne Hoogheid, onzen doorlugtigste Heere Stadhouder, om in alle onderdanigheid zijn hoogvorstelijke doorluchtigheid vanwege het stadsbestuur voor te dragen de tijd van de jaarlijkse wetvermaking, volgens de privileges aan deze stad door vorige Graven als de Staten van Zeeland naderhand gunstelijk verleend, met de 24e van deze maand'.


Tekenend voor de regentenmentaliteit in deze hachelijke tijd is dat het stadsbestuur betoogt 'als ten hoogsten beducht omme yets ter weereld, hoe gering ook, te entameren tgene in het alderminste opsigt met eenig prerogatyf van Sijne Hoogvorstelijke doorlugtigheid soude konnen ofte mogen geoordeeld worden strijdig te sijn'. Ze voelen zich 'te dien opzichte in eene soort van scrupule ende onsekerheid: dat borgemeesters ende schepenen, voormaals altoos binnen dese stad jaarlijks veranderd sijnde, volgens de inhoud van het Privilege bij Hertog Carel de Stoute in den jare 1467 aan dese stad verleend ende volgens hetwelk ook de politieke regering aan deselve stond'. Ze zijn zich wel bewust 'dat door de vorige Stadhouders hoogloffelijke memorie buiten gelegenheden van enige troebel daar in gene verandering is gemaakt. Doch dat de Staten van Zeeland in 1704 goedgevonden hebbende enige verschikking in het privilege te maken en naderhand in 1720 een nieuw privilege tot het verkiezen van 21 raden tot waarneming van de politieke directie, blijvende echter dat van het jaar 1704 de verandering der wet aangaande aan deze stad te vergunnen haar edelachtbare voornoemde scrupule uit die veranderingen is geboren'. Ze betogen verder: 'Ende sullen sij, heeren gedeputeerden, laatstelijk van Sijne Hoogvorstelijke doorluchtige order zijn dat de voorseide nominatie, nadat deze in gereedheid zal zijn gebracht, aan Sijne Hoogvorstelijke doorluchtigheid worde toegezonden'. De resolutie besluit met: 'ende wijders naar betuyginge van haar edelagtbaren onderdanigste ende diepste respect, haar edelagtbaren zich aanbevelen in Sijne Hoogheijds dierbare protectie'.

Op 17 juni 1747 doen Canisius en Isebree verslag van hun reis naar den Haag, waarvan ze de vorige dag zijn teruggekeerd. Ze hebben daar een gesprek gehad met de Stadhouder. Ze hebben hem de kopieën van de privileges, verleend door Carel de Stoute en de Staten van Zeeland ten aanzien van de magistraatverkiezing, laten lezen. De Stadhouder wilde enige dagen de tijd hebben om de stukken na te zien. Enkele dagen later hebben ze opnieuw audiëntie gevraagd en verkregen. De Stadhouder deelde daarop mee 'van oordeel te zijn, ingevolge zijn Vorstelijke Doorluchtigheids commissie, gerechtigd te zijn om de vermaking van de wet uit een nominatie te doen en dat het stadsbestuur bij de verkiezing van raden ten jare 1720 van de privileges aan de stad tot vermaking van de wet, bij de Graven van Zeeland vergund, waren afgegaan'.

Het stadsbestuur overweegt daarop of de nominatie, die door de afgaande burgemeester, de beide stadsrentmeesters en de twee oudermannen is opgesteld, aan de Stadhouder zal worden gezonden of dat een nieuwe nominatie zal worden gemaakt. Besloten wordt 'de reeds gemaakte nominatie in een envelop met een superscriptie aan Zijne Doorluchtigheid aan deselve met een daarbij gevoegde missive ten spoedigste door een van de stadsboden te laten bezorgen'.

Op de 24e juni 1747 meldt baljuw Hubertus Eversdijk dat de Stadhouder voor de komende twee jaren een burgemeester en vijf schepenen heeft benoemd. Tot burgemeester is verkoren mr. Gillis Cornelis van der Nisse, Heer van Nisse en Waarde (daar logeerde de Stadhouder onlangs tijdens zijn bezoek!) en tot schepenen Francois de Keijser, Pieter de Vroe, mr. Johan Lodewijk Vogel en mr. Adolf Westerwijk. De heren worden beëdigd en hun namen door publicatie aan de burgerij bekend gemaakt. Ze treden in de plaats van de afgegaane burgemeester Pieter Coomans en de schepenen Pieter Parker, Pieter de Keijser, Willem Vogel, Johan Isebree en Francois Nicolaas Keetlaar. De afgegaane burgemeester Pieter Coomans wordt als naar gewoonte aangesteld tot pensionaris-honorair.

In mei 1748 constateert het stadsbestuur dat de aanstaande wetvermaking weer met rasse schreden nadert. Nog steeds is door Zijne Doorluchtige Hoogheid, de erfstadhouder, geen vaste richtlijn beraamd 'hoedanig omtrent het dresseren der nominatie om daaruit bij zijn hoogvorstelijke doorlugtigheid de electie te doen door het stadsbestuur zal dienen te worden gehandeld'. Het besluit burgemeester mr. Gillis Cornelis van der Nisse en secretaris Cornelis Ossewaarde af te vaardigen 'om zich naar 's Hage bij Zijne Hoogheid te vervoegen en daaromtrent zijn goedvinden te vernemen'.

Burgemeester Van der Nisse en secretaris Ossewaarde reizen in juni naar 's-Gravenhage om daar met de Stadhouder te overleggen over de manier waarop het stadsbestuur moet worden gekozen. Na terugkomst doen ze verslag van hun reis. Ze hebben de Stadhouder voorgelegd op welke wijze de nominatie tot vermaking van de magistratuur in het vervolg dient plaats te vinden, hetzij volgens de oude gewoonte (door de afgaande burgemeester, twee stadsrentmeesters en twee oudermannen), hetzij door het stadsbestuur zelf bij een dubbel getal. De stadhouder gaf tot antwoord, 'dat de nominatie moest worden geformeerd volgens de ordinaire gewoonte, om daaruit by Syn Furstelijke Doorlugtigheid de electie te werden gedaen'. De Erfstadhouder benoemt uiteindelijk tot burgemeester mr. Pieter Parker en tot schepenen Pieter Ossewaarde, Johan Isebree, Adolf Hageman en Quirijn de la Sabel. De afgaande burgemeester Marinus Canisius wordt tot pensionaris-honorair aangesteld.

Eind april 1749 verzoekt de schepen Pieter Ossewaarde 'de heere Prince erfstadhouder hem zijn demissie te verlenen als schepen van de stad vanwege zijn indispositie'. Hij is ook niet meer in staat 'om boven te komen' (in het Stadhuis). Het stadsbestuur presenteert de erfstadhouder een voordracht van drie personen met de namen van mr. Willem van der Bilt, Johan van Thiel en mr. Cornelis Weksteen. Op 3 juni ontvangt de baljuw een brief van de Stadhouder waarin deze mr. Willem van der Bilt benoemt tot schepen.

In 1749 volgt secretaris Cornelis Ossewaarde de afgaande mr. Gillis Cornelis van der Nisse, heer van Nisse, op als burgemeester. Volgens oude gewoonte wordt de afgaande burgemeester Van der Nisse tot pensionaris-honorair verkoren. Tot nieuwe schepenen in de plaats van Francois de Keijser, Pieter de Vroe, mr. Cornelis Keetlaar, mr. Johan Lodewijk Vogel en mr. Adolf Westerwijk benoemt de Stadhouder Pieter de Keijser, Willem Vogel, heer van Steenvliet, mr. Jacobus Dominicus, mr. Francois Nicolaas Keetlaar en Johan van Thiel.

Op 26 juli 1749 geeft burgemeester Parker het stadsbestuur in overweging 'met welke considerabele kapitalen de Baronie en Heerlijkheid van Borssele belast is. De interesten gevoegd bij de noodzakelijke lasten gaan elk jaar de baten aanzienlijk te boven. Het stadsbestuur was al genoodzaakt tot aflegging van een opgeëist kapitaal dat ten laste van de Heerlijkheid genegotieerd was, een van de obligaties die de stad op de provincie heeft te verpanden en daartoe een importante som uit de stadskas voor te schieten'. Hij weet geen middelen om de inkomsten te verhogen en stelt voor om de Heerlijkheid van Borssele te verkopen. Het stadsbestuur besluit daarop de Baronie en Heerlijkheid van Borssele publiek te verkopen aan de meestbiedende. Daarop wendt de Heer Van Borssele zich in november 1749 tot het stadsbestuur. Hij heeft wel genegenheid om 'die hoge Heerlijkheid' voor een redelijke prijs te kopen en is bereid met het stadsbestuur daarover te onderhandelen. Besloten wordt de Heer van Borssele in de verkoop van de Baronie alle mogelijke genoegen te geven en hierover met hem verder te onderhandelen. Er kan overeenstemming worden bereikt over de condities voor de verkoop. De condities worden in het notulenboek ingeschreven. Hieruit blijkt onder meer dat in het zogenaamde 'Heerehuis' ten dele de godsdienst en ten dele de vierschaar en de school wordt gehouden. Op basis van de condities vinden de onderhandelingen met de Heer van Borssele plaats. Dit leidt tot verkoop van de Heerlijkheid in het jaar 1750 voor een som van 24.000 Carolus guldens.

Hierop ontvangt het stadsbestuur op 21 maart een brief van Zijne Excellentie de Heer van Borssele, dat 'het Zijn Hoogedele altoos een sonderling genoegen sal zijn om de harmonie, goede vrund- en nabuerschap ten opsigte van dese stad en de Baronnie van Borssele te onderhouden en aan te kweeken en ten opsigte van desselfs persoon trachten preuves te geven van sijne opregte hooge agting en genegentheijd om haar edel agtbaren in hare persoonen en families niet minder dan aan haar aansienlijk corps en vergaderinge alle mogelijke dienst en plaisier te doen'.

In juni 1750 deelt baljuw Hubertus Eversdijk het stadsbestuur de beslissing van 'Zijne Furstelijke Doorluchtigheid' mee dat tot burgemeester is verkoren doctor Marinus Canisius en tot schepenen Pieter de Vroe, doctor Cornelis Lopse, mr. Adolf Westerwijk en Abraham Cras. De afgaande burgemeester mr. Pieter Parker wordt pensionaris-honorair.

Op 30 november 1750 overlijdt mr. Adriaan Isebree, één van de meest vooraanstaande regenten uit de stad. In 1685 kwam de familie Isebree vanuit Haarlem in Goes wonen. Bijna een halve eeuw maakte hij deel uit van het stadsbestuur, als raad, schepen en burgemeester. Namens de stad Goes was Isebree lid van het college van Gecommitteerde Raden van Zeeland. Hij wordt op 7 december begraven in het koor van de Grote Kerk. Twee uren lang luidt de doodsklok als Isebree ten grave wordt gedragen. Voor benoeming van een nieuw lid namens de stad in Gecommitteerde Raden in de plaats van de overledene draagt het stadsbestuur voor mr. Adolf Westerwijk en mr. Daniël Canisius. Een gerechtsbode brengt de nominatie over aan 'Sijne Doorlugtigheid', de Stadhouder. Al op de 26e december schrijft de Stadhouder dat mr. Adolf Westerwijk is verkoren tot Gecommitteerde Raad namens de stad Goes.

Bezoek van Stadhouder Prins Willem IV aan Goes

In juni 1747 bezoekt de Stadhouder Goes. Hij logeert te Nisse op het Hof van burgemeester G.C. van der Nisse. Na het bezoek krijgt de stadsfabriek Boudewijn Cramer opdracht 'om de planken en het verder hout, gebruikt voor het opslaan van een stalling en loge op het Hof van de Heer van der Nisse te Nisse, ter gelegenheid van het verblijf van Zijne Hoogheid aldaar, publiek aan de meestbiedende te verkopen'.

De stadsrekening van 1747 geeft een interessant beeld van de ontvangst van de Stadhouder en de gehouden maaltijd in het Stadhuis. De volgende uitgaven worden gedaan:

  • N. Roseniet voor het instrueren van zes tamboers en degenen die van de burgerij bij de inhaling van Sijn Hoogheid gefungeerd hebben £ 1.10;
  • Willem Boon te Middelburg voor geleverd banket op de maaltijd waarop Zijne Hoogheid is getrakteerd £ 40;
  • J.S. Courtonne voor levering van wijn en mol, gebruikt op de maaltijd waarop Sijn Hoogheid is getrakteerd, £ 83.12;
  • Theunis den Boer voor verschot evenals voor vracht en onkosten van honderd kreeften, geconsumeerd op de maaltijd waarop Sijn Hoogheid getrakteerd is, £ 8.0.0;
  • Jan Spelle voor het uitschenken van wijn en mol op de maaltijd £ 41.19.2;
  • Jacob Absoloms voor wat bij hem verschoten en gemeriteerd is als kok op de maaltijd met Sijne Hoogheid £ 68.9.0;
  • de weduwe van Abraham Boudaan voor levering van wijn £ 32.17.8;
  • Lucas Faber voor levering van flambouwen, gebruikt op de dag van Sijn Hoogheids intrede in deze stad £ 31.1;
  • de weduwe van Philippus de Visser over wat bij wijlen haar man en haar zonen is gemeriteerd als koks, evenals voor leverantie en verschot van diverse zaken, alles voor de maaltijd waarop Sijn Hoogheid getrakteerd is £ 23.17;
  • Andries Speldernieuw voor leverantie van rode wijn £ 12.12.3;
  • Joris Kerssen voor leverantie van zes kalkoenen en twee koppels fazanten £ 8.8.0;
  • Jacob Elsenaar voor leverantie van twee jonge pauwen, twee swarte braadverkens, een grote kalkoen en veertien lampreijen £ 7.11.8;
  • Jan Snoep's weduwe voor huur van tin, servetten en allerhande tafelgoed £ 8.0.4;
  • de vrouw van de heer Lemmens voor leverantie van zes vaten bier en 'voor het haire kleet voor de kruidkamer' £ 6.9;
  • Francois Walraven voor leverantie en arbeid aan het vuurwerk 'ten tijde als Sijne Hoogheid dese stad met desselfs dierbare tegenwoordigheid heeft vereerd' £ 11.12.6;
  • aan afgestoken vuurwerken op de dag van Sijn Hoogheids intrede in deze stad £ 21.14;
  • Jacobus Paret wat ten sijnen huize door burgemeester Canisius en verscheidene andere heren op 29 mei 1747 is verteerd evenals wat ten selven tijde door enige speellui is verteerd en wat door order der Heeren aan dezelve door Paret is betaald £ 15.15;
  • Willem Boom te Middelburg voor geleverde confituren £ 31.16.4;
  • de weduwe van Abraham Boudaan voor geleverde wijn £ 21.14.8;
  • Hendrikus van Aart voor geleverd vlees £ 39.0;
  • burgemeester mr. Gillis Cornelis van der Nisse over gedaan verschot ten tijde als Zijne Hoogheid den Heere Prince van Oranje en Nassauw bij sijn edele gelogeert heeft £ 7.18;
  • stadsbode Francois de Windt zijn verschot aan schipper Cornelis Cornelisse wegens het overbrengen 'van den Suikerbakker van Middelburg naar deze stad ten dienste van de Maaltijd, waar op Sijn Hoogheid getracteert is' £ 1.16;
  • stadsbode Matthijs van Ooyen zijn verschot in een reis 'naar de heren gedeputeerden dezer stad naar Nisse en Wemeldinge om Zijne Hoogheid te spreken' £ 1.14;
  • de heren burgemeesters Canisius en Isebree in een commissie aan Sijne Doorluchtige Hoogheid de heer Prince van Orange en Nassau over vacatie van den 10 juni 1747 £ 10.13.4;
  • burgemeester Cornelis Ossewaarde restitutie van de penningen die tot het defroyement van Zijn Doorluchtige Hoogheid gestrekt hebben en voor uitgaaf gebracht zijn £ 251.15.10.

Het bezoek heeft nog een vervolg. Want op 12 februari 1748 'rapporteren de regenten Pieter de Vroe en Pieter de Keijser, gecommitteerd om de loges, op het Hof van burgemeester Van der Nisse staande en ter gelegenheid van het verblijf van Sijn Furstelijke Doorlugtigheid den Heere Prince van Oranje en Nassau vorig jaar aldaar opgeslagen, te verkopen, dat daarvan bij publieke opveiling geprovenieerd is de som van £ 41 Vlaams'.

Hogere overheden

Op 15 januari 1748 sturen Gecommitteerde Raden het stadsbestuur enkele gedrukte exemplaren toe van een bericht 'dat Sijne Doorlugtige Hoogheijd, den Heere Erfstadhouder, aan haar edelmogenden de Staten van Zeeland heeft kennis gegeven dat Hare Koninklijke Hoogheid mevrouwe de Princesse, desselvs seer gelievde gemalinne, in een gesegende staat van swangerschap sig bevond ende reeds tot in de sevende maand was geavanceerd; sij derhalve geoordeeld hadden de leden daarvan ten spoedigste kennis te moeten geven en verzoeken teneinde sorg gelieven te dragen dat voortaan in de publieke, zo Nederduitse als Waalsche en Engelse kerken deser provincie, voor de gesegende staat van swangerschap van Hare Koninklijke Hoogheid door de bedienaars des Goddelijken Woords werde gebeden'.

Op 12 februari 1748 komt een kennisgeving van Gecommitteerde Raden van Zeeland binnen 'dat de Staten van Holland besloten hebben aan Zijn Doorluchtige Hoogheid, de heer Erfstadhouder, offerte te doen om als getuigen te staan over de doop van den Jonge Prince of Princesse van Oranje en Nassau, die onder Gods genadige Zegen ter weereld gebragt sal werden, in bedenking gevende of niet wegens deze provincie gelijke aanbieding, om derselver toegenegentheijd en affectie aan Sijn Hoogheid te betonen, gedaan behoorde te werden'. In een extra-ordinaire vergadering, speciaal voor dit doel belegt, wordt hierover gedelibereerd en besloten 'die offerte aan Sijn Hoogheid te consenteren en daarvan bij missive aan de Heren van den Rade kennis te geven'.

Begin maart 1748 wordt een jonge prins geboren. De tijding behelst het bericht 'dat Hare Koninklijke Hoogheid, mevrouw de Princesse van Oranje en Nassau, door des Heeren groote goedheijd gelukkig was verlost van een prins'. Het stadsbestuur komt in een extra vergadering bijeen om te overleggen 'wat bij die gewenste gelegentheid en tot betooning van blijdschap over dat gesegend evenement behoorde te werden gedaan'. Besloten wordt 'dat aanstonds het kanon sal werden gelost, de klokken geluijd en op het klokspel gespeeld en de borgerije geadverteerd dat op aanstaande saturdag verder daarover illuminatiën sullen worden gehouden'. En de gedeputeerde ter staatsvergadering, mr. Pieter Parker, stuurt bericht 'dat bij de leden goedgevonden was op eerstkomende vrijdag illuminatiën over de aangename geboorte van den jongen Prins van Oranje in alle de steden deser provincie te laten doen'. Het stadsbestuur besluit 'daarvan aanstonds aan de borgerije advertentie te doen en dat vervolgens op morgen openbare vreugde sal werden getoond'.

Begin 1748 speelt de zaak van de zogenaamde 'liberale gifte'. Dit betreft een speciale heffing tot het bestrijden van de kosten van de kostbare oorlog met Frankrijk en komt neer op 2% van ieders vermogen. Uitvoerig beraadslaagt het stadsbestuur op welke wijze de inning het beste zal kunnen geschieden en welke regenten tot de ontvangst daarvan zitting zullen houden. Voor de ontvangst van de giften worden aangewezen de regenten Francois de Keijser, Pieter de Vroe, mr. Pieter Parker, Pieter de Keijser, mr. Cornelis Keetlaar, Jacob Coomans en Willem Vogel met een van de secretarissen.

De commissarissen voor de stad houden zitting op de vertrekkamer van het stadhuis op maandag, woensdag, donderdag en vrijdag 's morgens van 9 tot 12 uur en 's namiddags van 2 tot 4 uur en 's zaterdags alleen 's namiddags van 2 tot 4 uur; de commissarissen voor het platteland op dinsdag, woensdag en vrijdag op dezelfde uren op de kamer daar de vierschaar van het landrecht wordt gehouden. In september 1748 vindt de afwikkeling van de 'liberale gifte' plaats. De Staten van Zeeland verzoeken bij brief 'om het gewerkte goud en silver, dat nog in de offerkisten gevonden mocht worden, ten spoedigste aan de muntmeester Cappeijne ter hand te stellen, mitsgaders de recepissen van het gefourneerde zilver aan Gecommitteerde Raden te laten toekomen'. Gecommitteerde Raden van Zeeland presenteren in april 1749 de stadsbesturen een plan voor een interestloterij ten bedrage van één miljoen gulden. Het stadsbestuur antwoordt de Heren van den Rade bij inschrijving dat ze 'wel mag lijden dat dit plan van loterije tot gaande houding van 's lands kasse werde gearresteerd, zodanig en in dier voege als voor de provincie profitabelst en met de meeste securiteit dienstig zal worden geoordeeld'.

Op 6 september 1749 komt bericht binnen van het overlijden van de Goese raadsheer in de Hoge Raad mr. Nicolaas Keetlaar. De Stadhouder benoemt in de vacature mr. Johan Boreel de Mauregnault. Hij betaalt hiervoor aan de stadskas een recognitie van £ 250.

Financien

De schepenen Francois de Keijser en mr. Cornelis Keetlaar en secretaris Cornelis Ossewaarde leggen in maart 1748 'hun consideratiën over van hetgeen verder tot soelaas van 's stads soo seer beswaarde finantiën soude konnen werden geresolveerd'. Ze hebben een concept opgesteld voor de wijze waarop de huisschatting prompter kan worden ingevorderd. Ook beklaagt de ontvanger-generaal zich over de achterstalligheid in de betaling van de huisschatting door de stad Goes. Het stadsbestuur antwoordt dat de ontvangers door de ongelukkige troebelen van vorig jaar verhinderd zijn om zoveel penningen aan de ontvanger-generaal te betalen als ze anders zouden hebben gedaan. Ze zijn echter voornemens eerstdaags met hem een schikking over de achterstallige huisschatting te maken en twijfelen er niet aan of hij zal daar mee volkomen genoegen nemen.

Het zijn in 1748 de stadsfinanciën in het algemeen die zorgen baren. Het stadsbestuur delibereert over middelen die 'tot soulaas van de stads soo seer beswaarde financiën zouden kunnen worden geïntroduceerd' en besluit dat:

  1. in het vervolg geen comparitiepenningen aan burgemeesters, schepenen, raden en secretarissen meer zullen worden betaald als deze wegens effectieve presentiën competeren en dat vervolgens zal worden afgeschaft en vernietigd wat bovendien voor een augmentum daarbij gewoonlijk gevoegd is;
  2. het onderhoud van de klokken jaarlijks of wel voor een zekere tijd van jaren, zoals dat door de stadsdirecteuren dienstig zal worden geoordeeld, publiek zal worden besteed;
  3. het traktement voor de stadsdoctoren met een derde zal worden verminderd, omdat het oudemannenhuis door hen niet meer bediend hoeft te worden;
  4. de nieuwjaarsgift aan de bode van de rekenkamer van £ 1 niet meer zal worden betaald;
  5. de gedeputeerden gaande naar of komende van de staatsvergadering alleen zullen worden vrij gehouden van scheeps- en wagenvrachten zonder dat op die dagen iets verder als alleen de vacatiepenningen ten laste van de stad zullen mogen worden gerekend;
  6. de rekeningen ten laste van de stad moeten worden geëxamineerd alvorens deze worden betaald, om dus te beter te voorkomen dat niet te hoog wordt gedeclareerd;
  7. wanneer in het vervolg nieuwe huizen, schuren of andere gebouwen binnen de stad worden getimmerd, zodanige panden op het eerst af te geven kohier van de huisschatting zullen moeten worden vermeld.

In juli 1749 zijn de geldmiddelen van de stad niet toereikend om daaruit de vele lasten te voldoen. Het wordt ten uiterste nodig geoordeeld om die op de een of andere wijze te voldoen. Het stadsbestuur besluit ten laste van de stad op lijfrente te lenen een kapitaal van 1000 ponden Vlaams ofwel 6000 gulden. Het 'Plan van negotiatie van lijfrenten' is in het notulenboek opgenomen.

Bloemlezing uit de stadsrekeningen van 1747 - 1750

1747

Betaald is aan uitgevoerde werken voor en gedane leveringen aan de stad onder meer aan de smid Jan Cats voor het maken en repareren van lantaarns £ 23; Gerard Leinse voor het maken van twee kannen tot gebruik voor de stadsijkers £ 0.10; de wagenmaker Marinus Vertregt voor een nieuwe bakwagen £ 3.1; Willem Ribbe voor het 16 maal mollen van de haven £ 5.12; stadsbode Koningswout zijn verschot aan de weduwe van Adriaan Willems voor levering van 5½ ellen oranje Italiaans armosijn voor een vaandel £ 4.11; Pieter van Balen voor het maken van 43 roeden en 23 voeten kaejing aan de draaibrug £ 341.1.6; Pieter Pieterse voor timmerwerk aan de draaibrug £ 118.0.0; Cornelis Welle voor scheepstimmerwerk en voor levering van vier piktonnen £ 33.0; Bartel Kaasbeke voor levering van 8 aam raapolie en 1 aam lijnolie £ 54.9; de kaarsenmaker Adriaan Blommaart voor levering van 120 steenkaarsen £ 33.14.

1748

Betaald is aan de beul Wilhelmus Blom uit Bergen op Zoom, scherprechter voor het doen van justitie aan een vrouwspersoon, voor het geselen £ 5, voor het brandmerken £ 4, voor de strop £ 3, voor vacatie £ 5, samen £ 17; 's Heeren dienaars voor verschoten noodwendigheden voor Johanna Moleijn, hier gedetineerd van de 4e mei tot de 4e juli 1748 £ 1.4.4 en voor het schoonmaken van 'het donkergat' £ 0.5.0; Pieter van Balen's weduwe voor het maken van 108 voeten metselwerk en levering van materialen voor de brugge £ 7.1; Jan Ouwendijk en Willem Ribbe voor het 23 maal mollen van de haven £ 8.1.0.

1749

Betaald is aan de beul Wilhelmus Blom uit Bergen op Zoom, scherprechter, voor het in de mik hangen van Marinus den Engelsman, te weten voor het van boven (uit de gevangenkamer van het Stadhuis) te halen £ 5, voor het op de horde te binden en los te maken £ 4, voor het in de mik hangen £ 13.6.8, voor de klederen uit te trekken £ 3, voor vacatie en teerkosten £ 5, voor het afhuren van de schuyt £ 5, samen £ 35.6.8; Daniël Duijnkerke voor het halen van 24 boten derrie voor het spui aan de zoutketen £ 9.16; Cornelis Gelouw voor het effenen van stadswallen £ 5.15; Adriaan Zaaijer voor het gebruik van zijn wei buiten de Voorstad door het in de stad liggende garnizoen voor de exercitie £ 10; de stadsbode Francois de Wind in het gaan naar Middelburg en Vlissingen tot afhaling van twee doctoren £ 2.8.4; de heren doctoren J.H. de Bruas en Paulus de Wind, medicine doctoren, voor het openen en visiteren van een dood lichaam op de 28e oktober 1749 £ 17.6.8; voor leverantie van 768 jonge olmenbomen, geplant op de stadswallen, £ 50.16.12.

1750

Betaald is aan scheepstimmerman Cornelis Welle voor gedane arbeid en leverantie van houtwaren ten dienste van de stadsmol £ 5.13; de scherprechter Wilhelmus Blom voor het geselen en brandmerken van een vrouwspersoon £ 14; Francois Oversluis voor het leveren van haver voor de zwanen £ 5.3.6; Frans Krombout voor het leveren 'van anderhalve zak zaat tot het ieken van stads koornmaten' £ 1.1; Jan van der Helden voor het verwerken van steen van het Oosters hoofd £ 6.6; Willem Ribbe en Jan Oudendijk met hun assistenten voor het 18 maal mollen van de haven £ 6.6; Jacques Paul voor het leveren van blauwe arduinsteen £ 13.14; Arnoldus Scheltus voor levering van een schip blauwe straatsteen £ 73 en een schip Vilvoordse straatsteen £ 52; Jan van Aller voor timmerwerk aan de Oostpoort en de brugge £ 213; Pieter Pieterse voor aangenomen kaaijwerk tussen de twee poorten £ 233.6.8 en aangenomen werk aan de draaibrug £ 130.