Aanvulling? Meld het hier.
<<

Zorg (1747 - 1750)

Gezondheidszorg

In 1748 breekt weer een veeziekte uit op Zuid-Beveland. Het stadsbestuur ziet zich genoodzaakt om geen rundvee te laten slachten dan na voorafgaand onderzoek door de keurmeesters van het vlees. In oktober blijkt de sterfte onder het rundvee in de omliggende landen nog allerminst te verminderen. Deze kan lichtelijk naar Zuid-Beveland overslaan. Besloten wordt de invoer van alle rundvee in het eiland te verbieden.

De sterfte onder het rundvee blijkt in juli 1749 niet alleen in het eiland maar ook in de gehele provincie al geruime tijd 'door des Heeren Goedheid' te zijn opgehouden. De invoer van magere of nuchtere kalveren, mits deze voorzien zijn van een bewijs dat ze gezond zijn en uit een van de eilanden van de provincie komen, wordt weer toegestaan. Niettemin blijft het verbod om rundvee uit andere plaatsen in de stad of eiland in te brengen van kracht. De besmettelijke ziekte onder het rundvee blijkt in 1750 niet alleen in naburige provincies maar ook in sommige van de naastgelegen eilanden nog hevig voort te woekeren. Het stadsbestuur besluit uit voorzorg, om zoveel mogelijk alle besmetting in dit eiland te voorkomen, de invoer van allerhande soort van rundvee en hooi bij voortduur te verbieden.

Chirurgijns

In december 1748 overlijdt de stadschirurgijn Hendrik van Holst. Ingevolge de hem in 1741 gedane toezegging wordt tot chirurgijn aangesteld Adriaan Huijsman. Begin 1749 legt de in Goes geboren Ary van Krekelenberg zijn proeve af als chirurgijn ten overstaan van de regenten Pieter de Vroe en mr. Johan Lodewijk Vogel. Omdat in juni van hetzelfde jaar Jacob Coomans zijn functie als stadschirurgijn neerlegt, wordt Van Krekelenberg in zijn plaats aangesteld.

Vroedvrouwen

Het stadsbestuur besluit in november 1749 'om gewichtige redenen, ingevolge de reeds voor lang genomen resolutie, tot de verkiezing van een derde vroedvrouw te procederen'. In december krijgt Maria Reijnders, echtgenote van Bastiaan Rink, thans vroedvrouw te Breda, een aanstelling als derde stadsvroedvrouw. In 1750 komt er zelfs een vierde vroedvrouw bij. Cornelia de Wit, echtgenote van Cornelis Visser, wonend in de Voorstad, schrijft dat ze al verscheidene jaren elders het beroep van vroedvrouw heeft waargenomen. Het examen voor vroedvrouw heeft ze bij dokter Paulus de Wind, medicine doctor te Middelburg, afgelegd. Ze verzoekt tot vroedvrouw te worden toegelaten omdat het noodzakelijk is 'dat zich mede een vroedvrouw bij nacht en andere ongelegenheden buiten stadspoorten bevindt'. Het stadsbestuur besluit haar tot beëdigde medevroedvrouw aan te stellen, mits ze zich strikt onthoudt die functie binnen de stadspoorten te verrichten.

Gasthuis en simpelhuis

Oud-burgemeester Pieter Coomans neemt in 1748 ontslag uit zijn functie van buitenregent van het gasthuis. Zijn plaats wordt vervuld door de stadssecretaris Cornelis Ossewaarde. Ook Cornelia Coomans, echtgenote van doctor Cornelis Lopse, wordt in 1749 op haar verzoek vanwege gedurige ongesteldheid uit haar functie als buitenregente ontheven. In haar plaats komt Isabella Soute, echtgenote van Pieter Ossewaarde. Eind 1749 verzoekt ook burgemeester mr. Adriaan Isebree wegens ongesteldheid en hoge jaren ontslag als buitenregent van het gasthuis. Zijn plaats wordt ingenomen door burgemeester mr. Pieter Parker.

Arm- en weeshuis

De financiële toestand van het arm- en weeshuis is halverwege 1749 ernstig. Een delegatie uit het stadsbestuur overlegt met de buitenregenten van het arm- en weeshuis en de stadsrentmeester als ontvanger van het weeshuis over de wijze waarop de onbetaalde rekeningen van winkelwaren en achterstallige statenlasten het beste kunnen worden betaald. De buitenregenten krijgen machtiging 'om ten publieke uitroepe te verkopen de tienden gelegen in Borssele, oude Kraeijert en andere districten die het weeshuis uit hoofde van de heer mr. Pieter Rijmeland toekomen, mitsgaders de helft van een hofstede en enige landen gelegen in Sinoutskerke, gekocht uit de boedel van Foort Janse, waarvan de jaarlijkse lasten de baten surmonteren, en verder zodanige weide- en zaailanden die tot een last van het weeshuis zijn of waarvan geringe revenuen worden genoten'. Alle schulden zullen met de opbrengsten daarvan worden voldaan.

In 1750 geven de buitenregenten van het gecombineerde arm- en weeshuis hun verlegenheid te kennen om het huis in stand te houden. De ontvanger van het huis blijkt geen penningen meer in voorraad te hebben om alle staten- en waterpenningen over 1749 te voldoen, terwijl nog vele rekeningen van geleverde winkelwaren te betalen zijn. Burgemeester Ossewaarde en Francois de Keijser worden aangewezen om een onderzoek in te stellen naar de oorzaak van die grote achterstand en door welke middelen die zou kunnen worden verholpen. Uit het onderzoek blijkt dat de ontvanger Adolf Hageman niet correct en tijdig de administratie heeft gevoerd.

Opmerkelijk is dat dit jaar twee buitenregenten van het arm- en weeshuis ontslag vragen. Het betreffen dokter Cornelis Lopse en Elisabeth Johanna van Dorth echtgenote van mr. Jacob Dominicus. In haar plaats komt Antonia Zutterman echtgenote van Marinus de Meyer.

Lijkdienaars

De drie lijkbedienaars beklagen zich in 1749 bij het stadsbestuur dat de knapen (ook wel genoemd 'de conchergiën') van de gilden zich onderwinden om de kennisgeving van het overlijden van gildebroeders te doen. Dit is strijdig met de ordonnantie op het lijkbedienaarschap van 22 mei 1674 en ook met de resolutie van 23 maart 1737, waarbij dit aan de conciërges van de schutterijen is verboden. Ze betogen dat het grootste gedeelte van de inwoners onder een of ander gilde ressorteert. Als een ieder zijn knape kan gebruiken, dan zal de functie van lijkbedienaar daardoor ten enemaal vervallen. Het stadsbestuur besluit de knapen van de gilden te verbieden om voortaan enige bekendmaking van het overlijden van hun gildebroeders te doen.