Aanvulling? Meld het hier.
<<

Economische bedrijvigheid (1751 - 1759)

Oost- en West Indische Compagnie

Zelden komen in het archief gegevens voor over enige relatie met de Verenigde Oostindische Compagnie of de West Indische Compagnie. Dit gebeurt wel in de notulen van het stadsbestuur van 20 april 1757. Deze vermelden: 'Lecture wordt gedaan van een rapport van de 14e april, tenderende om aan de Oost- en West Indische compagnieën mitsgaders andere sociëteiten van commercie, hetzij private en particuliere of bij publieke autoriteit opgerecht, te permitteren, dat de zeevarende manschap in Holland, aangeworven om op zeeschepen in deze provincie geëquipeerd wordende te dienen, in hare plunjen of kisten sullen mogen mede brengen een anker sterken drank en twintig ponden tabacq en dat de reeders voor de betaling van den impost daarvan voor ieder man sullen moet instaan en dat vervolgens haar edelmogenden resolutie en placcaat van de 24e september 1755 verder en ook anders niet soude konnen werden gealtereerd'.

Na deliberatie besluit het stadsbestuur bij de eerdere publicatie van de 24e september 1755 te persisteren, omdat de jongste verpachting van de gemene middelen daarop ook gedaan is en dat daarin voor de aanstaande verpachting geen verandering kan of behoort te worden gemaakt.

Graanhandel

De graankoopman Quirijn de Lasable krijgt in 1751 vergunning voor het oprichten van een graanwasserij in zijn pakhuis aan de Wijngaardstraat (nummer 23). Hij heeft dit pakhuis gekocht uit de boedel van wijlen mr. Pieter Poelman.

Het recht van de zogenaamde 'Stads Coorn Lepel', een belastingheffing, wordt voor rekening van de stad gecollecteerd. In 1751 besluit het stadsbestuur enkele regenten op te dragen om te onderzoeken of en in hoe ver 'de Lepel' zowel voor de commercie als de burgerij van de stad nadelig is. Ze krijgen de opdracht mee dit met enige van de voornaamste graankooplieden te bespreken. Als blijkt dat het inderdaad schadelijk is, moeten ze overleggen hoe en op welke wijze de stad in haar inkomsten, die niet kunnen worden gemist, zou kunnen worden gecompenseerd.

In augustus 1752 stellen de voornaamste kooplieden en verscheidene burgers van de stad de afschaffing van de bekende impost van 'Stads Coorn Lepel' aan de orde. Na uitvoerige overweging en onderzoek besluit het stadsbestuur voorlopig voor een jaar deze belasting buiten invordering te laten. Om het nadeel voor de stadsfinanciën op te heffen wordt de volgende regeling getroffen:

  • voor elke zak tarwe alhier ter molen gedaan boven de statenimpost te heffen vier stuivers;
  • voor elke zak rogge twee stuivers;door de dubbele oliemolen twaalf ponden Vlaams;
  • door elk van de enkele oliemolens drie ponden Vlaams;
  • door elk van de vier brouwerijen en de garstegort- of pelmolen en de twee boekweit- en gortmolens drie ponden, zes schellingen en acht grooten Vlaams.

In 1753 besluit het stadsbestuur dat de landlieden en hoveniers die onder de stedelijke jurisdictie wonen, geen granen mogen afleveren voordat deze door de korenmeters zijn gemeten.

Op voorschrift van Gecommitteerde Raden van Zeeland worden in januari 1757 Francois Oversluis en Cornelis Boutens aangewezen om de op het eiland aanwezige voorraad granen van allerlei soort op te nemen. Een maand later verbieden Gecommitteerde Raden granen uit het eiland naar buiten de provincie uit te voeren. In Holland is ook zo'n verbod afgekondigd. Het blijkt namelijk dat baatzoekende lieden granen naar buiten Zeeland willen uitvoeren. Hierdoor dreigt de provincie ontbloot te worden van een voldoende voorraad graan. Maar eind februari blijkt dat Middelburg het verbod tot uitvoer van granen heeft ingetrokken. Tot voorkoming van schade en nadeel besluit het stadsbestuur het verbod voor de Goese ingezetenen ook niet langer in stand te houden.

Wijnnering

In 1751 komt er een stokerij van mee in de stad. Willem van den Bos koopt het huis en de winkel in de Voorstad van de weduwe van Jacobus Engelaar. Daarin is al vele jaren de stokerij van mee, de verkoop van zout en de slijterij van genever en brandewijn gedaan.

Ook Johannes Mispelblom krijgt in 1752 toestemming voor het stoken en verkopen van mee in zijn huis 'de Helm' in de Lange Kerkstraat nummer 20.

Verscheidene inwoners krijgen in 1752 vergunning voor de verkoop van wijn, brandewijn en andere gedestilleerde wateren, zoals Adam van Rijk en Samuel de Loos. En in 1754 mag Hendrik Loo in het huis in het Papegaaistraatje bier, brandewijn en andere sterke dranken verkopen.

In februari 1755 krijgen we een inkijkje in de wijnnering en het werk van de wijnproevers. Johannes Petrus van Cuylenburg, koopman in wijnen en sterke dranken, licht in een brief uitvoerig toe dat het wijnproeven niet op een correcte wijze gebeurt. Hij heeft 'onlangs drie stukken jenever en een half okshoofd moutanijs uit Rotterdam bekomen en verder in december nogmaals een stuk jenever en een half okshoofd moutanijs'. Met alle nadruk betoogt hij uitsluitend proefhoudende drank te verhandelen volgens de ordonnantie op het proeven van sterke dranken. Hem is nu ter ore gekomen 'dat stads beëdigde wijnproevers al deze drank voor sterker dan gemeen proefhoudend goed hebben bevonden, waarvoor dubbele impost wordt geheven'. Hij heeft daarop de wijnproever (schoolmeester) Boeré gevraagd de wijn opnieuw te proeven, eventueel in zijn tegenwoordigheid. Het stadsbestuur besluit de proevers van de sterke dranken op te dragen 'om Van Cuylenburg, desbegerende, in het toekomende bij het proeven van zijn dranken toe te laten en die proeve alzo in zijn tegenwoordigheid te verrichten'.
Na het overlijden van wijnhandelaar Van Cuylenburg treedt zijn weduwe in 1759 in het huwelijk met Adolf Hageman. Deze krijgt vergunning de negotie in wijnen en sterke dranken voort te zetten.

Wilhelmus Hoogenhoed deelt het stadsbestuur in 1755 mee 'dat hij te rade is geworden de wijnnegotie te handteren'. Hij krijgt vergunning om deze nering binnen de stad uit te oefenen.

Zoutnering

In april 1751 geeft het panneliedengilde te kennen dat volgens de resolutie van het stadsbestuur van 23 februari 1743 gedurende zeven jaar vóór de 1e april geen zout in de zoutketen mag worden verwerkt. Deze resolutie is nu afgelopen.
Het stadsbestuur besluit daarop dat niemand binnen de tijd van zeven jaar zout zal mogen zieden of bereiden in de zoutpannen van de stad vóór 1 april. Tevens verbiedt het stadsbestuur ten strengste het inbrengen van kolen uit de zoutketen door de keetwerkers in de stad of het opslaan daarvan in de huizen, dit om ongelukken te voorkomen. Dit euvel komt thans meer dan ooit voor.

Er doet zich in april 1752 een voor de zoutnering vervelend incident voor. De schipper van het wachtschip, liggende in het Saaftinger Gat, heeft vorige week aangehouden en vervolgens naar Middelburg doorgezonden een vaartuigje, dat te Goes wit zout geladen heeft, bestemd voor State Kieldrecht in België. De schipper van het vaartuig wordt ervan verdacht 's lands uitgaande rechten niet te hebben voldaan. Het Goese lid van Gecommitteerde Raden van Zeeland, Van Roseveld, doet alle mogelijke moeite bij de Admiraliteit om het vaartuigje en de lading los te krijgen, maar tevergeefs. De zaak wordt in handen gegeven van de advocaat-fiscaal en de commies-generaal.
Raadsheer Van Roseveld geeft in overweging, tot voorkoming van nadelige gevolgen voor de zoutnegotie van de stad, daarover zelf de heren van de Admiraliteit aan te schrijven en op het ontslag van het vaartuigje aan te dringen. Het stadsbestuur overweegt 'dat door diergelijke executies de zoutnegotie, thans zoo seer als ooit kwijnende, ten enenmale zou worden geruineerd'. Besloten wordt de heren van de Admiraliteit per brief aan te tonen het nadeel dat de zoutzieders door dergelijke handelingen ondergaan en het vaartuig te ontslaan.
Raadsheer Van Roseveld bericht op de 30e april dat het vaartuigje door de Admiraliteit intussen is vrij gegeven. Hij heeft de missive van het stadsbestuur dan ook niet meer doorgezonden.

In maart 1757 blijkt dat de zoutnering in deze jaren nog steeds een belangrijke bedrijvigheid binnen de stad is. Dit blijkt uit het volgende.
De dekenen van het panneluidengilde betogen dat ze tot hun aanmerkelijke schade jaarlijks ondervinden dat de Friese turf, die zij voor het raffineren van zout nodig hebben, zeer in prijs komt te stijgen en binnen de stad hoger is dan waarvoor de turf op andere plaatsen wordt verkocht. Ze menen dat dit alleen veroorzaakt wordt omdat de turf binnen Goes per schip en op andere plaatsen binnen de provincie als elders bij de tonnen gekocht en opgedaan wordt.
Ze verzoeken maatregelen te nemen om de opbloei van de zoutnering weer op gang te brengen.
Het stadsbestuur besluit 'ten faveure van de zoutnegotie, waarvan deselve in deze stad een van de voornaamste takken is, bij renovatie goed te vinden dat voortaan ingaande 15 april de Friese turf niet bij de schepen maar bij de tonnen zal moeten worden gekocht en opgedaan'. Voor iedere honderd tonnen dient betaald te worden:

  • voor het dragen £ 0.4.2 ten laste van de keetbaas of koper;
  • voor het tonnen £ 0.1.4 ten laste van de turfschipper of verkoper;
  • voor het oprapen £ 0.1.8 ten laste van de turfschipper of verkoper;
  • en voor het kerven van een geheel schip £ 0.2.0 ten laste van de koper en verkoper ieder de helft.

Dit alles op voorwaarde dat de arbeiders de zakken op hun kosten moeten bezorgen, zoals op andere plaatsen gebruikelijk is.

In september 1757 geeft Jan Camphus te kennen dat hij zijn zoutkeet met één zoutpan, staande aan de oostzijde van de haven, een en andermaal te koop heeft gezet, echter zonder resultaat. Hij zou z'n zoutkeet graag opnieuw te koop willen zetten, hetzij om in stand te blijven of om te worden afgebroken. Het stadsbestuur geeft hem hiervoor toestemming.

Willem de Jongh doet in 1757 een aanbieding aan het panneluidengilde voor de levering van zakken voor het dragen van de Friese turf naar de zoutketen. Het stadsbestuur geeft hem vergunning om met uitsluiting van alle anderen de zakken, die voor het dragen van de Friese turf nodig zijn, aan de arbeiders te leveren.

In februari 1758 herinneren de dekenen van het panneluidengilde het stadsbestuur er aan dat de resolutie van 10 april 1751 staat te expireren. In deze resolutie is bepaald dat niemand vóór 1 april met het raffineren van zout een begin mag maken. Op hun verzoek besluit het stadsbestuur dat niemand binnen de tijd van zeven jaren zout mag zieden of bereiden in de zoutpannen, staande onder de jurisdictie van de stad, vóór 1 april.

Het blijkt in 1759 dat de zoutmeters en arbeiders in het zout, bij gelegenheid van het afmeten van het zout, bij het uitstorten van de vaten de gewoonte hebben om het aan de kanten vastblijvende zout daar uit te doen vallen en de vaten daarvan geheel te zuiveren door met een daartoe gebruikelijke hamer fors op de houten omloop van de vaten te kloppen. Daardoor worden de vaten zeer beschadigd en moeten voor grote kosten voortdurend worden vernieuwd. De zoutmeters en arbeiders worden gelast zich bij dergelijke gelegenheden in het vervolg geheel en al van dit kloppen tegen het houtwerk van de vaten te onthouden en dit kloppen niet anders dan op of tegen de daar omleggende ijzeren hoepels te verrichten.

Meekrapnering

De meester timmerman Pieter Pieterse koopt in januari 1751 de meestoof 'de Fortuin' van Jacob Dominicus. 'De Fortuyn' was vanouds één van de vijf meekrapstoven in de stad. Hij moet de stoof vóór 1 maart 1751 afbreken. Hij schrijft het stadsbestuur met het afbreken van 'de koude stove en toorn' wel ver gevorderd te zijn, doch het stamphuis heeft hij tot nu toe in tact gelaten omdat dit tot berging van de afgebroken materialen, ijzer en moolwerk dient. Deze materialen heeft hij nog niet voordelig kunnen verkopen. Hij krijgt toestemming het stamphuis nog voor één jaar te laten staan.

Molenarij

Molens algemeen

In januari 1757 betogen Jacobus van Oostzanen, eigenaar van de houtzaagmolen, en Cornelis Peman en Cornelis Boutens, eigenaren van de dubbele oliemolen op het noordoostelijke bolwerk buiten de Bleekveldse poort, dat ze door aanhoudende windstilte, die er enige tijd geweest is, belet zijn om hun molens naar behoren te laten draaien. Dit is tot groot nadeel geweest omdat ze hun klanten niet hebben kunnen voorzien van goederen die ze nodig hadden. Daardoor hebben ze klanten en neringen verloren. Nu malen ze tot zaterdag twaalf uur en beginnen hiermee zondagnacht na twaalf uur. Ze krijgen toestemming om bij wind hun molens te laten draaien tot zondagmorgen zeven uur om dan weer zondagsavonds om zeven uur te beginnen.

Bij deze gelegenheid constateert het stadsbestuur tevens dat de eigenaar van de molenaars van sommige molens veelal hun molens op zondag en zelfs gedurende de kerkdiensten laten draaien. Besloten wordt hen dit te verbieden. Wel krijgen ze toestemming te malen tot zondagmorgen zeven uur en vanaf zondagavond zeven uur.

Korenmolens

De molenaar van de windkorenmolen, Jacob Bertram, is in juli 1751 niet meer in staat zijn verschuldigde pacht op te brengen. De reden hiervan is dat de bakkers besloten hebben om hun granen in de waterkorenmolen aan de Kleine Kade te laten malen. Hij verzoekt de windkorenmolen publiek te verpachten. Het stadsbestuur besluit echter niet op zijn verzoek in te gaan. Daarop verzoekt molenaar Bertram vermindering van zijn pacht vanwege het weinige graan dat gedurende de pachttijd op zijn molen te malen is gebracht. Ook dit verzoek wordt afgeslagen.

Opmerkelijk is de aantekening in de stadsnotulen van november 1753 dat Pieter van de Visse toestemming krijgt voor het leggen van 'een matige kwantiteit mossels' in de put voor de watermolen, dit met uitsluiting van alle anderen. Voorwaarde is wel dat hij aan de watermolen en aan de visschuiten geen nadeel toebrengt.

Boekweitmolens

De boekweitmolenaars Johannes de Puyt (van de boekweitmolen in het pand 'de Hazaert' aan de Sint Jacobstraat 52) en Nicolaas van der Hagen (van de boekweitmolen in het pand 'de Hulck' aan de Klokstraat nummer 9) betogen in 1754 dat zij en hun voorgangers vanaf onheuglijke tijden wat betreft de belasting op de boekweit gestaan hebben op een taux van £ 20 Vlaams per jaar voor elk van hun molens 'en van dat gebruikrecht altoos rustig en vredelijk hebben gejouisseerd'. De pachter van de impost op het gemaal is daarmee niet vergenoegd en wil nu de impost van hun boekweit per zak vorderen. Ze zijn buiten staat hun meel en gort tegen het buitenlandse in goedkoopheid van prijs aan te bieden en af te leveren 'waardoor hun molens considerabel zouden declineren, onaangezien deselve zeer extra ordinaire kostbare panden zijn, die niet dan tot hun ondergang en ruine kunnen stilstaan'. Ze proberen juist hun uiterste best te doen om hun molens gaande te houden door hun gort en meel zo goedkoop mogelijk te leveren als het buitenlandse meel en gort bekomen kan worden. Ze verzoeken een zodanige voorziening te treffen dat ze bij hun aloude geprivilegeerde gebruiksrecht kunnen blijven.
Het stadsbestuur stelt een onderzoek in hoe het voorheen was geregeld.

In oktober 1754 deelt Pieter Huysman, de boekweitmaler te Cloetinge, mee dat het met zijn malerij zeer slecht gaat. Daarentegen moet hij grote kosten maken voor zijn molen. Hij verzoekt toestemming voor de vrije doortocht door de stad om met zijn gemalen boekweit te kunnen passeren met zijn wagens, zodat hij de boekweit tot consumptie zowel in het westen van het eiland als te Wolphaartsdijk, Noord-Beveland en elders buiten het Goese zal kunnen verkopen en verzenden. Het stadsbestuur besluit dit verzoek af te wijzen, omdat een zodanig privilege tot groot nadeel van de twee boekweitmalers in de stad zal kunnen zijn.

De boekweitmolenaar Nicolaas van der Hagen verklaart in 1755 dat hij voor het in stand houden van zijn bedrijf een as nodig heeft om de boekweit op te drogen. De op zijn molen staande as begint namelijk zeer versleten te worden. Hij krijgt vergunning om aan zijn molen een nieuwe as te laten maken.

De boekweitmalers Johannes de Puyt en Nicolaas van der Hagen delen het stadsbestuur in 1757 mee dat het hun verleende octrooi om met uitsluiting van alle anderen een boekweit- en gortmalerij te mogen houden, eind 1758 afloopt. Vanwege 'de buitengewone kostbaarheid van hun molens, die door het stichten van nieuwe molens merkelijk zouden achteruit gaan', verzoeken ze om een nieuw octrooi voor veertien jaar, dit echter zonder nadeel toe te brengen aan de vergunning voor de gerst- en gortmalerij van Pieter de Keijser of zijn opvolger. Het stadsbestuur besluit hen opnieuw voor zeven jaar vergunning te verlenen om een boekweit- en gortmalerij binnen de stad te houden.

Houtzaagmolen

De houtzaagmolenaar Jacobus van Oostsanen geeft in 1751 te kennen genegen te zijn, tot voortzetting van zijn negotie, recht voor zijn woonhuis staande tussen de twee poorten, te vestigen een houttuin ter breedte van zijn daar staande huis en schuur en ter diepte van drie roeden. Deze houttuin wil hij afzetten met een rastertuin om zijn houtwaren daarin te bewaren. Hij krijgt hiervoor vergunning.

In 1754 beklaagt het timmerluidengilde zich over het groot verval van hun middelen van bestaan. De belangrijkste oorzaak daarvan is de grote invoer van allerlei gezaagd hout binnen de stad door de houtzaagmolenaar Van Oostsanen. In één jaar ontvangt hij wel twee derde meer gezaagd hout van buiten dan alle timmerlieden binnen de stad samen. Hij maakt zich sterk om aan alle leveranties, zowel kleine als grote, te kunnen voldoen, zowel binnen de stad als op het platteland. Van Oostsanen heeft daardoor de gehele houtnegotie zodanig naar zich toe weten te trekken dat hij daardoor het debiet dat de timmerluiden voorheen in het verkopen van gezaagd hout plachten te hebben en hetgeen voorheen altoos hun beste middel van bestaan is geweest, bijna volledig te niet gedaan. Het kan toch niet de bedoeling zijn geweest, zo betoogt het gilde, 'om tot maintenue van een eenige fabriek een gansch gilde te gronde te laten gaan?' Het stadsbestuur verklaart de klachten echter ongegrond.

In februari 1755 doet zich nòg een bijzonder voorval plaats rondom de houtzaagmolenaar en koopman in houtwaren Jacobus van Oostzanen. Timmermansbaas Mahieu Rijkaart geeft het stadsbestuur te kennen dat Van Oostzanen, niettegenstaande hij van een houtschuur naast zijn woning, grote houtloges bij zijn zaagmolen en dito houttuinen tussen de twee waterpoorten is voorzien, nu ook de schuur gekocht heeft van de weduwe van Jan Anthonisse de Jonge buiten de Bleekveldse poort naast het werkhuis en de plaats van de houtnegotie van Rijkaart. Dit met de kennelijke bedoeling om aldaar eveneens de houtnegotie te doen. Deze schuur is nooit voor dat doel gebruikt, maar altijd alleen voor een plaisierplaats of voor een stalling van paarden en koeien in gebruik geweest. Rijkaart vreest dat Van Oostzanen 'de ganse houtnegotie probeert naar zich toe te slepen en als hij daarin slaagt, wellicht ook buiten de Gansepoort en de Koeipoorten houttuinen zal oprichten en daardoor hem en anderen totaal zal ruineren'. Hij verzoekt Van Oostzanen het oprichten van nieuwe houttuinen te verbieden en hem te gelasten de schuur te gebruiken zoals deze voorheen gebruikt is.

Het stadsbestuur overweegt dat, sinds Van Oostzanen zich te Goes heeft gevestigd, zijn negotie zo zeer is aangewassen dat het begrijpelijk is dat hij zich van meerdere 'getimmertens' heeft moeten voorzien. Het staat de houtzaagmolenaar vrij voor de uitgestrektheid van zijn negotie loges, pakhuizen en houttuinen op te richten voorzover deze niet strijdig zijn met de stadsprivileges. En wat betreft de schuur buiten de Bleekveldse poort heeft Van Oostzanen kennelijk geen andere bedoeling dan, bij gebrek aan een geschikte plaats voor het leggen van droog hout, deze te gebruiken als een besloten pakhuis. Besloten wordt dan ook het verzoek van Rijkaart af te wijzen en Van Oostzanen toe te staan de schuur te gebruiken als een besloten pakhuis zonder daar zijn houtwaren in het openbaar ten toon te stellen of te veilen.

In april 1755 doet Jacobus van Oostzanen, de eigenaar van de houtzaagmolen en houtzagerijnegotie, weer van zich spreken. Hij heeft van de onlangs door hem gekochte schuur, staande buiten de Bleijkveldse Poort, aan Jan de Fouw verkocht de hof of erve met het daarin staande stenen zomerhuis op conditie dat de koper voor zijn rekening moet nemen de helft van de 100e penning die op de schuur en erve staat. Hij krijgt hiervoor toestemming.

In 1755 krijgt de timmermansbaas Mahieu Rijkaart zelf vergunning voor het zetten van een houtloge, ter breedte van 28 voet en ter diepte van 30 voet, voor zijn schuur, staande buiten de Bleekveldse poort, waar voorheen een dergelijke loge heeft gestaan.

Oliemolens

De molenaar van de oliemolen op de zogenaamde Catteberg aan de Westwal, Logier Steenbakker, doet in 1751 zijn beklag bij het stadsbestuur. Volgens hem zijn de bomen buiten de 's-Heer Hendrikskinderenpoort zeer nadelig voor zijn oliemolen. Hij krijgt toestemming deze voor een redelijke prijs te kopen.

De pachter van de stedelijke impost op de olie beklaagt zich in 1753 erover dat de olieslagers weigeren op te geven hoeveel olie ze verkocht hebben en aan wie. Hij is daardoor niet in staat de impost op de olie te ontvangen. Het stadsbestuur verbiedt de olieslagers olie te verkopen of in ieder geval van hun molens of daarbij staande pakhuizen te vervoeren voordat de pachter daarvan kennis is gegeven.
De oliemolenaars, ook genoemd olieslagers, Bartel Kaasbeke en Logier Steenbakker zijn het hier in het geheel niet mee eens. De resolutie zal volgens hen 'een genoegzame totale ruïne van hun molens met zich slepen'. Ze geven het stadsbestuur te kennen 'dat ze van alle oude tijden en hun voorzaten, zo zij in het zekere bericht zijn, zelfs meer dan een eeuw, in het deugdelijk gebruiksrecht hebben geweest van hun molens, den oly vrij en zonder dat daarvan impost betaald wierd aan alle landzaten te verkopen en zo bij de tonnekens als kruiken van een, twee of meer stopen uit te steken'. Nu heeft de huidige pachter van de impost op de olie op verkeerde gronden gedaan weten te krijgen dat de olyslagers verboden wordt enige olie uit hun molens of pakhuizen te vervoeren voordat de pachter van de olie daarvan kennis zou zijn gegeven en daarvan een biljet gehaald.
Het stadsbestuur besluit daarop om alle moeilijkheden zoveel mogelijk uit de weg te ruimen en de olieverkopers vrij te stellen van het kennis geven aan de pachter en het afhalen van biljetten voor het van hun molens verkopen en afleveren van olie.

Vanouds stond er ook een oliemolen op het Ravelijn de Groene Jager. Sinds begin de 18e eeuw is deze molen niet meer opgebouwd. In februari 1757 geeft Johan de Jongh, sequester in de boedel van de overleden doctor Johan Levendale, te kennen dat in de boedel zich een ravelijn, gelegen aan de stads zoete vest naar de kant van de 's-Heer Hendrikskinderenpoort, bevindt. Dit ravelijn was belast met een jaarlijkse erfpacht van £ 8 Vlaams. Levendale werd in 1723 eigenaar van het ravelijn en kreeg voor veertien jaar vrijdom van ceins. Hij verzuimde echter verlenging aan te vragen. Hiervoor wordt nu een regeling getroffen.

Beurtschippers

Beurtveer op Antwerpen

Willem Zuidweg, de nieuwe beurtschipper op Antwerpen, verzoekt in 1758 de vrachtlonen van het veer op Antwerpen, zoals deze zijn vermeld in de ordonnantie op het veer van 1693, aan te passen. Hij krijgt toestemming vanaf nu de volgende vrachtlonen te vorderen:

  • van zout beneden de 100 vaten ten advenante van het honderd £ 0.3;
  • doch een 100 of daarboven door een coopman geladen wordende tegen £ 0.2;
  • voor iedere meebale £ 0.5;
  • voor ieder meevat £ 0.4;
  • voor iedere zak onderscheidene waren of koren £ 0.0.4;
  • voor een honderd eiers £ 0.0.3;
  • voor een natte koeij- of paardehuid £ 0.0.5;
  • voor een lams-, kalfs- of schaapsvel £ 0.0.2;
  • voor iedere passagier £ 0.2.6;
  • voor een koffer, sluitbagge of bedde £ 0.2.0;
  • voor een sak boskolen £ 0.0.6;
  • voor een bos wasmen £ 0.1.0;
  • voor een bos teenen £ 0.0.6;
  • voor een bos kaarn hoepels £ 0.0.8;
  • voor een brief £ 0.0.6;
  • voor 100 steenwolle £ 0.5.0;
  • voor een dozijn meelziften £ 0.0.6;
  • voor een dozijn melkziften £ 0.0.6;
  • voor 100 paar klompen £ 0.3.4;
  • voor 1000 raapkoeken £ 0.8.8;
  • voor 100 spaeken £ 0.3.4;
  • voor een zak bagger £ 0.1.8.

De beurtschipper van Goes op Antwerpen Pieter Jacobse beklaagt zich in 1758 dat hij nu vele jaren als vaste beurtschipper het veer heeft bediend van Goes op Antwerpen. Wegens zijn hoge jaren en lichaamszwakheden verzoekt hij ontslag omdat hij dit niet meer naar behoren kan uitoefenen. Hij verzoekt de goedheid te willen hebben aan de nieuw aan te stellen beurtschipper op te leggen dat hem een jaarlijkse bijdrage wordt verleend. Het stadsbestuur besluit hierop alle mogelijke reflexie te doen. Tot nieuwe beurtschipper op Antwerpen wordt aangesteld Willem Zuidweg gedurende zijn leven, op voorwaarde dat hij zolang hij in leven is aan de vorige beurtman jaarlijks uit moet keren een som van 50 Carolus guldens.

Beurtveer op Bergen op Zoom

Op verzoek van de stadsregering van Bergen op Zoom besluit het stadsbestuur in 1752 de beurtschipper van Goes op Bergen op Zoom Catsman op te dragen om met de beurtschipper van Bergen op Goes de winsten te verdelen die ze voor het overbrengen van passagiers en het vervoeren van vrachtgoederen ontvangen.
Maar in oktober 1753 wijst het stadsbestuur van Bergen op Zoom er op dat de beurtschipper van Goes op Bergen blijft weigeren om met de beurtschipper van Bergen op Goes te passen en te verdelen de vrachten van de goederen en koopmanschappen die hij voor zijn eigen rekening meeneemt. Besloten wordt het stadsbestuur van Bergen op Zoom in overweging te geven, tot voorkoming van verdere disputen, of het niet het beste is dat beide beurtschippers worden geordonneerd om alleen de vrachten van particuliere goederen in passing te brengen en dus eigen koopmanschap daar van uit te zonderen.
In 1754 schrijft de stadsregering van Bergen op Zoom besloten te hebben dat het op de klachten van de schippers over de geringe lonen, die voor het vervoeren van passagiers op deze stad worden genoten, dat voor elke passagier voortaan betaald zal moeten worden acht stuivers, in de verwachting dat het stadsbestuur van Goes hier ook mee instemt. Ook Goes besluit de vracht van ieder persoon, die van Goes naar Bergen op Zoom meevaart, te verhogen tot acht stuivers.

Beurtveer op Veere

Adriaan den Boer koopt in 1751 een poonschuit om daarmee als beurtschipper in het schippersgilde op Veere te varen. Er rijst een geschil over de leeftijd van de schuit. Is deze nu wel of niet onder de tien jaar oud? Het blijkt dat de poonschuit veertien jaar oud is. Niettegenstaande dat krijgt hij toestemming om op Ter Veere te varen.
Het stadsbestuur besluit wel dat in het vervolg geen schuiten boven de tien jaren oud in het gilde mogen worden aangenomen, dit overeenkomstig de vroegere resoluties van 1599 en 1683.

De schippers Cornelis Cornelisse, Reinier Crabbe, Flip Vervenne, Willem Zuidweg, Adriaan den Boer, Hendrik Reijnout en Adriaan de Beste, alle varende van Goes op de brede beurt op de stad Veere, betogen in 1757 dat ze voortdurend ondervinden dat er bijna niets te verdienen is. Met hun zevenen bedienen ze dit veer op hun toerbeurten en dit is te veel. Het is voor hen gedurig zeer slecht gesteld, waardoor het veer ten enenmale in verval is geraakt. Er zijn hierover voortdurend klachten.
Ze zijn nu met elkaar overeengekomen het stadsbestuur voor te stellen tot voorkoming van alle klachten, om in plaats van met zeven schippers op dit veer te varen, uit hen twee tot vaste beurtlieden aan te stellen om met hun schuiten het veer van Goes op Veere te bedienen. Daardoor kan het beurtveer op Veere 'op een goede en egale voet tot commoditeit van alle passagiers, reizenden en andere luiden' worden gebracht. Met hun tweeën, ieder op zijn beurt, bij weer en wind, vracht of geen vracht, hetzij elke dag of zo vele dagen in de week, kunnen ze dan in het veer varen. Ze vragen twee uit hun midden te verkiezen om als vaste beurtlieden ieder op zijn beurt het veer met hun schuiten te bedienen.
Het stadsbestuur besluit niet op dit verzoek in te gaan. Wel stelt het een Reglement op het beurtveer vast met de volgende inhoud:

  • er zal een schuit alle dagen, waarover de schippers thans wie eerst en zo successievelijk zullen moeten loten, weer en wind dienende met het morgentij, passagiers of geen, moeten varen, en een of meer passagiers, zijnde niet meer voor vracht betaald worden als een schelling ieder;
  • er zal zo 's morgens vroeg een schuit gevaren was, en 's namiddags een of meer passagiers waren, als dan wederom een schuit op de toerbeurt moeten varen en door de passagiers, een of meer in het getal zijnde, in het geheel voor vracht betaald worden, des zomers 8 schellingen en 8 grooten en des winters 10 schellingen en na zonsondergang zo des zomers als des winters dobbel geld;
  • en zal die schipper, die aan de beurt legt om te varen, en welke daartoe onder voorgeven van te sterke wind als anders onwillig of weigerig mocht wezen, gedurende de tijd van veertien dagen in dit veer niet mogen varen.

Beurtveer op Rotterdam

In 1751 is er ongenoegen over de beurtschipper uit Rotterdam, Pieter de Wind. De commercie lijdt daar dikwijls onder, 'omdat de granen en andere koopmanschappen die met zodanige beurtschipper wederom naar Rotterdam worden verzonden, aldaar dikwijls op de marktdag niet kunnen worden gebracht'. Het stadsbestuur besluit de volgende maatregel te treffen. Als blijkt dat de beurtschipper, die vrijdagsavonds of na het vallen van het getij van Rotterdam moet vertrekken, op dinsdagmiddag om 12 uur niet in de haven van Goes is gearriveerd en de beurtschipper, die op dinsdagavond van Rotterdam afvaart, op vrijdagmiddag om 2 uur van hier niet zal kunnen vertrekken, deze beurtman dan de volgende twaalf dagen stil zal moeten liggen. Hij moet dan lijden dat tot gerief van passagier en koopman een ander vaartuig in zijn plaats wordt aangesmakt.

De beurtschippers van Goes op Rotterdam v.v., Thomas Swart en Jan Reijnhout, geven in november 1757 te kennen dat ze meermalen met koopluiden in mee in gesprek geweest zijn 'over de gansch geringe vragten, die er voor het overvoeren van zware vaten mee van hier naar Rotterdam volgens usantie worden genoten'. Ze vinden de vrachtlonen in het overvoeren van meevaten van twee schellingen zoals tot nu toe te gering. Hun voorstel is de vrachtlonen te bepalen op: voor vaten beneden de 900 ponden als vanouds op twee schellingen en voor vaten boven de 900 ponden op drie schellingen. Ook verzoeken ze vergunning om in het vervolg bij het overbrengen van vaten tabak (waarvoor ze ook zeer weinig ontvangen) van Rotterdam naar Goes te ontvangen vier grooten voor elke duizend pond. Het stadsbestuur gaat hiermee akkoord.

In oktober 1758 geven Thomas Swart en Jan van Schakerloo, beurtschippers van Rotterdam op Goes v.v., uiting aan hun problemen met de bediening van het beurtveer. Ze hebben 'menigvuldige moeilijkheden in het verzetten en sorteren van verscheidene partijen graan die door hen van Goes naar Rotterdam in zakken worden vervoerd'. Ook hebben ze buitengewone kosten voor het loodsen van hun schepen door het Goese diep en de Zandkreek en moeten daardoor somtijds bijna 'ondoenelijke reizen' maken. Ze verzoeken ermee akkoord te gaan dat in het vervolg voor vracht van iedere zak graan in plaats van een stuiver zoals tot nu toe wordt betaald drie grooten per zak.
Het stadsbestuur overweegt dat de beurtschippers wegens het opslikken van het vaarwater dikwijls buitengewone onkosten moeten maken om hun reizen te volbrengen. Bepaald wordt dat voortaan van iedere zak graan zal moeten worden betaald drie grooten per zak.

Beurtveer op Haarlem en Amsterdam

In 1752 beklaagt de stadsregering van Haarlem zich erover dat de vrachtschipper uit hun stad door de dekenen van het Goese schippersgilde was gezegd dat hij niet zou mogen laden. Haarlem beroept zich op het privilege waarbij het recht van vrije lading door geheel Holland en Zeeland aan de vrachtschippers van Haarlem is toegestaan.
In een volgende brief van 20 januari 1753 stuurt de stadsregering van Haarlem op verzoek van Goes een uittreksel toe van het aan de stad Haarlem verleende privilege van Hertog Willem van Beieren van 3 november 1411.

De beurtschippers Claas Vervenne en Jan van Strijen wijzen er op dat het veer van Goes op Haarlem, Zaandam buiten de sluis en Amsterdam enige tijd vacant is geweest. Ze zijn genegen dit veer voorlopig voor twee jaar te bedienen en, als het hun bevalt, voor de tijd van hun leven. Dit onder de bepaling dat ze de vrijheid hebben niet te varen als er per reis niet meer dan 50 gulden te verdienen is. Ze worden beiden voor twee jaar aangesteld als beurtschippers op Amsterdam, Haarlem en Zaandam buiten de sluis.
In 1756 geven Vervenne en Van Strien te kennen dat ze al bijna 21 maanden het beurtveer van Goes op de steden Haarlem, Zaandam buiten de sluis en Amsterdam als vaste marktschippers hebben bediend. Ze willen graag hun leven lang hiermee voortgaan en verzoeken om als vaste marktschippers op dit veer te worden aangesteld. Het stadsbestuur besluit beiden tot vaste marktschippers van Goes op die steden voor hun leven lang aan te stellen.

Beurtveer op Gouda

In 1751 komt er bericht van het stadsbestuur van Gouda dat het aan de beurtschipper van Goes op Gouda, Claas Vervenne, heeft voorgesteld met de beurtschipper van Gouda op Goes te beraadslagen over de tijden van de wederzijdse afvaart. Het voorstel is om in plaats van eenmaal per veertien dagen, eens per drie weken af te varen. Gouda uit haar ongenoegen dat schipper Vervenne weigert de afvaarttijden te veranderen.
Het stadsbestuur antwoordt Gouda dat de door hen voorgestelde wijziging tot ruïne van Vervenne zal strekken, maar dat ze niettemin bereid is om over de afvaarttijden met schipper Vervenne te spreken.

De beurtschipper van Gouda op Goes, Adriaan van Hulten, beklaagt zich in 1755 erover dat de commissaris Johannes Willings hem wil noodzaken om zich door hem te laten bedienen tot het inzamelen van de goederen die hij als beurtschipper van Gouda naar Goes brengt. Hij is van mening hier niet toe gehouden te zijn, omdat hij geen burger van Goes is en bovendien met geen andere beurtschipper over zijn beurtreizen hoeft af te rekenen. Hij vreest bovendien dat, indien hij zich van een commissaris moet bedienen, 'het crediet van sommige Goese burgers, voor wie hij soms bij de kooplieden in het verschot moet zijn, daardoor zou kunnen worden geweigerd'. Daarom verzoekt hij toestemming om, zoals in vorige tijden, zijn zaken zelf te mogen waarnemen zonder zich daarin van een commissaris te moeten bedienen. Het stadsbestuur overweegt ende dat Willings uitdrukkelijk is aangesteld tot commissaris van de vrachtgoederen van Gouda op deze stad en besluit zijn verzoek niet in te willigen.

Herbergen en tapperijen

De dienaars van de baljuw doen in 1751 een onderzoek naar personen die zonder vergunning kroeg houden of sterke drank verkopen. Uit twee à drie huizen hebben ze enige drank met tinnematen weggenomen en deze goederen in beslag genomen. Het stadsbestuur besluit een ieder te verbieden om enig bier of sterke drank te verkopen zonder voorafgaande vergunning.

Op verzoek van de kroeghouders besluit het stadsbestuur in 1751 hen vanwege hun sobere verdiensten toe te staan de prijs van het bier in de kroegen te verhogen met één groot per kan. Alle kroeghouders worden gelast het bier dat in hun huizen wordt geconsumeerd, voortaan voor niet minder te verkopen als voor vier grooten per kan.

Zacharias Coenraads krijgt in 1751 vergunning jenever, brandewijn en andere gedestilleerde wateren te verkopen, omdat hij onvoldoende in zijn bestaan kan voorzien. Ook Dingenis van Cruiningen ontvangt dit jaar vergunning voor het verkopen van bier, genever, brandewijn en andere sterke wateren in het huis, staande op de hoek van de Beestenmarkt. In de herberg 'de Groote Soutkeete' op de Grote Markt nummer 1 mag Hendrik Staf voortaan de tapnering doen.

Ook mogen in 1751 Jacob van de Busse in zijn huis aan het oosteinde van de Lange Vorst, de weduwe van David Faber in haar huis in het Papegaaystraatje, Jan van Schakerloo in zijn huis op de Kaai naast 'de Meerminne' en Pieter Westdorp in het huis 'de Meerminne' de tappersnering gaan uitoefenen.

In 1753 krijgen deze vergunning Harman van der Sluijs in zijn huis op de hoek van de Beestenmarkt, 'alwaar die nering lange jaren is gedaan', en Ida Winteroy in het huis, door haar uit de boedel van haar overleden vader Jan Baptist Winteroy gekocht, staande aan de 's-Heer Hendrikskinderendijk. Willem Hendrik Schoonewald mag in de herberg 'de Westschans' de tappersnering doen en 'daar mogen leggen en gebruiken een kolfbaan'.

In 1755 mag Janna de Puyt in het huis 'de Bonte Koe' op de Beestenmarkt de kroeghoudersnering doen en verkopen bier, genever, brandewijn en andere sterke wateren. Deze nering is ook hier reeds lange jaren gedaan.
Ook Benjamin Anthonisse krijgt vergunning om in 'de Maagd van Mechelen' bij de Hoofdpoort te verkopen bier, brandewijn en andere sterke drank, evenals Joos van der Buysse in het huis 'Engelenburg', staande tegen de Oostpoort, en Jan Willem Gruel in het huis 'Koning William', staande tussen de twee waterpoorten.
Pieter Logierse Steenbakker schrijft in 1755 dat hij vele jaren in zijn huis 'de Frissen Romer', staande tussen de twee waterpoorten, herberg heeft gehouden. Daar heeft hij bijna geen nering meer als herbergier. Hij is niet meer genegen het huis anders te gebruiken 'als om een passagier ter logering in te nemen, die somwijlen een kan bier of enige sterke drank zou mogen consumeren'. Daarom verzoekt hij zijn huis van een herberg in een kroeg te veranderen en hem alleen op kroeghouderslasten te stellen. Hij krijgt toestemming om in zijn huis alleen te verkopen bier, brandewijn en andere sterke dranken bij de kleine maat.
In 1756 krijgt Andries Meyer vergunning om in 'de Maagd van Mechelen', staande bij de Hoofdpoort te verkopen bier, brandewijn en andere sterke dranken.
In 1757 krijgt Cornelis Ouwendijk vergunning om in 'de Maagd van Mechelen', staande tussen de twee waterpoorten, alwaar die nering reeds overlang is gedaan, te verkopen en uit te schenken brandewijn, genever en andere gedestilleerde wateren. Vanaf 1757 komt er in het huis 'de Meerminne' aan de Grote Kade nummer 32 een herberg. Jan Blom krijgt vergunning om in dat huis, waarin voorheen de tappersnering is gedaan, herberg te houden.

Sacharias van St Annaland krijgt in 1758 vergunning om in zijn gehuurde huis ''s Lands Welvaren'  tussen de twee waterpoorten te verkopen bier, brandewijn en andere sterke drank.

In deze periode ontstaan er ook plannen om op het Slot Oostende een tapperij te vestigen. Cornelis Steenaart, de eigenaar van het Slot Oostende, geeft namelijk in 1751 te kennen 'dat hij op de daar annexe erve een menigte paardenstallen tot zijn merkelijke kosten heeft laten opslaan'. Verscheidene landluiden komen hun paarden daar stallen. Hij zou 'hen echter aanzienlijk gerieven indien hij hen tevens van bier en sterke drank zou kunnen voorzien. Dit vooral in de winter wanneer zij doorgaans met zodanige koude bevangen zijn dat zij zich veeltijds bij het vuur binnenshuis begeven om zich te warmen'. Hij verzoekt vergunning om op het Slot, alleen tot gerief van de landluiden die aldaar hun paarden stallen, voor hen bier en sterke drank te schenken. Het stadsbestuur wijst het verzoek van Steenaart echter af.

Het stadsbestuur besluit in 1754 de herbergiers en kroeghouders te verbieden om voortaan aan personen, die wekelijks van de armen ondersteund of in de godshuizen gealimenteerd worden, enig bier of sterke drank uit te schenken of te verkopen. De extra-ordinaire compagnie krijgt opdracht naarstig toe te zien dat deze order nauwkeurig wordt nagevolgd.

In april 1756 dienen enige herbergiers een rekwest in. Ze betogen 'dat verscheidene burgers zich generen met het logeren van van buiten inkomende coopluiden en andere vreemde personen, deselve spijzigen en aan hun debiteren en verkopen wijnen en bieren, alles strekkende tot groot nadeel en prejuditie van hun herbergen, mitsgaders tot nadeel van 's lands imposten, nademaal zij niet alleen moeten betalen kroongeld, maar daarenboven nog van alle dranken die ze komen in te slaan voldoen moeten de grote tappersaccijns'. Burgers kunnen hun dranken voor veel minder prijs aan bij hen logerende luiden aanbieden en komen daardoor alle reizende koopluiden en andere passanten naar zich toe te trekken. Bovendien zullen hun huizen, die ze voor een zeer hoge en dure prijs hebben gekocht, tot een lage prijs komen te vervallen.
Het stadsbestuur besluit de burgers en ingezetenen te verbieden het bij hen logeren van koopluiden en reizigers en andere van buiten inkomende vreemde personen of deze te spijzigen en te voorzien van wijn en bier, alleen de tijd van de jaarmarkt uitgezonderd, wanneer het aan een ieder als naar gewoonte gepermitteerd zal zijn om zodanige personen te logeren.

Jan Zeevaart deelt het stadsbestuur in 1753 mee dat hem het houden van koffyhuis en het zetten van een biljart is toegestaan. Voor een niet geringe som heeft hij 'het Royale Coffyhuis' van Leendert Eyermeet op de Grote Markt nummer 22 gekocht. Het is hem gebleken dat dit huis ongeschikt is en ook niet voldoet aan eisen van commoditeit die voor een koffiehuis vereist zijn. Hieraan zal hij nog een aanzienlijke som moeten besteden. Hij vreest dat zijn weduwe na z'n overlijden voor het huis aanmerkelijk minder zal kunnen krijgen als de kosten van koop en aanpassing die hij moet maken. Het stadsbestuur besluit, wanneer iemand in zijn plaats met het houden van koffiehuis zal worden begunstigd, deze verplicht zal zijn om het huis van hem of zijn erfgenamen over te nemen voor een som van £ 700. Na enkele maanden deelt koffyhuishouder Zeevaart het stadsbestuur mee dat hij bij de verkoop van het huis naast zijn pand aan de Grote Markt met de koper is overeengekomen dat deze een klein gedeelte van die woning aan hem zou afstaan om tot een ingang in zijn woonhuis te verstrekken. Het stadsbestuur keurt die onderhandeling goed en staat hem toe aan Willem Klaasse het naast aanstaande huis te verkopen. Het betreft het huis Grote Markt 24 (noordzijde).
In oktober 1758 geven Jan Zeevaart en Wilhelmus Hoogenhoed te kennen dat Zeevaart aan Hoogenhoed heeft verkocht zijn woonhuis en erf, staande aan de oostzijde van de Grote Markt, genaamd 'het Royale Koffyhuis'. Ze vragen toestemming dat Hoogenhoed 'in dit pand coffyhuis zal mogen houden en het billiard spelen zal mogen uitoefenen'. Het stadsbestuur besluit de koop en verkoop goed te keuren en Hoogenhoed toe te staan om in zijn gekochte huis coffyhuis te blijven houden en het biljart spelen daarin uit te oefenen.

Ook Jan de Fouw, de conciërge in de schutterij van de voetboog, mag in 1756 met instemming van de schutters in die schutterij, 'een volledige kolfbaan, bedekt of onbedekt, aanleggen op de erve van de schutterij, strekkende achter de schutterskamer naar de stadswal'.

Markten

Grote of Korenmarkt

Het stadsbestuur besluit in 1754 de westzijde van de Grote Markt, die tot nu toe niet met bomen beplant was, te doen beplanten met lindebomen.

Botermarkt

Wekelijks wordt op dinsdag boter- of zuivelmarkt gehouden in het noordelijke gedeelte van de Lange Vorststraat (tussen de Papegaaystraat en de Gasthuisstraat).
Verscheidene burgers en burgeressen, wonende in de Lange Vorststraat bij en aan de zuivelmarkt, dienen in mei 1757 een rekwest in bij het stadsbestuur. Uit de inhoud van dit verzoek krijgen we een indruk van de bedrijvigheid op de botermarkt.
Ze betogen dat 'des dinsdags ten tijde der botermarkt vele, zo niet de meeste boeren en boerinnen, zich met hun eieren en boter, al staande op de markt, schoon enige der supplianten zitbanken voor hun woonhuizen zetten om door deselve bezeten te worden, onthouden, waardoor de passagie over de markt niet alleen voor de supplianten maar ook voor elk en een iegelijk zeer inpassabel en onbruikbaar wordt gemaakt'. Volgens hun informatie is het van oude tijden gebruikelijk dat de boeren en boerinnen, die met enige waren ter markt komen, zich van een zitplaats moeten voorzien. Ze verzoeken het stadsbestuur te bepalen dat zowel boeren als boerinnen, die hun waren op de zuivelmarkt te koop brengen, gelast worden zitplaats te nemen op de banken voor hen op de zuivelmarkt op dinsdagen gesteld. Tevens verzoeken ze 'elk en een iegelijk langs de zuivelmarkt, van de ketting tot het Papegaaystraatje wonende, te gelasten zich van de nodige banken daartoe te voorzien en die op dinsdagmorgen voor hun woonhuizen te plaatsen en order te stellen waar diegenen, als alle banken bezeten zijn, hun plaats om te staan zullen moeten houden'.
Nadat de ordonnanties op de zuivelmarkt nagezien zijn besluit het stadsbestuur de Publicatie van 5 juni 1685 te hernieuwen in die zin, 'dat diegenen die voortaan enige boter, eieren, hoenders, duiven of enig ander levend of dood gevogelte op de zuivelmarkt willen brengen om te verkopen, verplicht zullen zijn op een stoel of bank aan de beide zijden van de Lange Vorst van de ketting en zo voort noordwaarts neder te zitten, zonder dat iemand zal vermogen zijn waren, staande in het midden van de straat, in gedrang van mensen te presenteren veel min te verkopen op een boete van vijf schellingen telkens'. Verder worden alle burgers en burgeressen, wonende in de Lange Vorst, vanaf de Gasthuisstraat tot aan het Papegaaystraatje, gelast om zich ten spoedigste van de nodige banken of stoelen te voorzien en op dinsdagen voor hun woningen te plaatsen.

Vismarkt

Verscheidene burgers vragen in 1755 maatregelen te nemen tegen het uitventen van gedroogde en andere haring op het platteland. Dit is volgens hen in strijd met het placcaat van de Staten van Zeeland van 1723. Het stadsbestuur gelast de extra-ordinaire compagnie het uitventen en leuren van gedroogde en andere haring in het eiland op alle mogelijke wijze te beletten en tegen te gaan, ongeacht of dit gebeurt door inwoners van de stad of vreemdelingen.

In 1759 blijkt dat de bepalingen van de Ordonnantie voor het bedienen van het keurmeesterschap van de vis van 19 maart 1612 niet nageleefd worden. Het stadsbestuur besluit dat voortaan allen die met vis in de haven komen, verplicht zijn deze af te slaan en binnen drie dagen 'ten perke', in het visperk aan de Turfkade, te brengen. Degenen van wie blijkt dat ze in de haven zijn geweest en weer uit zijn gevaren zonder hun vis afgeslagen te hebben, krijgen een boete van twintig Carolus guldens. Degenen die met kabeljauw in de haven komen zijn eveneens verplicht die, zonder weg te varen, 'ten perke' te brengen. Deze kunnen echter volstaan met dagelijks 'tenminste zes levendige kabeljauwen af te slaan'.

Beestenmarkt

Het stadsbestuur constateert in 1752 dat door het slachten en branden van varkens tegen de poorten lichtelijk grote ongelukken kunnen ontstaan. Dit leidt tot de maatregel dat het voortaan, buiten de maand november wanneer ieder als naar gewoonte vrijheid heeft om dat voor zijn huis of binnen de stad te doen, aan niemand is toegestaan enige varkens bij de poorten te doden, veel min te branden. Voorlopig, totdat een andere plaats daartoe is gevonden, zullen 'de verkens moeten gedood en gebrand worden in het midden op de Beestenmarkt, mits de slagters gehouden blijven de vuiligheid daarvan ten spoedigste weg te doen'.
Tot voorkoming van het ongerief dat daaruit voortvloeit besluit het stadsbestuur eind 1752 dat de varkens zullen moeten worden gedood en geslacht bij de zogenaamde paardekerkhoven buiten de 's-Heer Hendrikskinderenpoort en de Koepoort.

Jaarmarkt

Elk jaar vormt de jaarmarkt of de Goese kermis weer een hoogtepunt voor de stad. In de 'couranten' wordt dan bekend gemaakt dat de jaarmarkt zal beginnen op de voorlaatste dinsdag in augustus, de dag van Sint Barthel.

In 1751 vraagt het stadsbestuur van Gorcum of de schoenmakers uit hun stad weer, zoals vanouds, met hun schoenmakerswerk op de Goese jaarmarkt mogen staan. Het stadsbestuur besluit echter te persisteren bij het verbod van vorig jaar dat geen schoenmakers van buiten de provincie op de Goese jaarmarkt zullen mogen staan.

Zoals vanouds besluit het stadsbestuur ook deze jaren dat op de aanstaande jaarmarkt niet zullen worden toegelaten enige commedianten, koorddansers, draayborden, rijffelaars of diergelijke en de verzoeken, die tot het doen van enige vertoningen mochten worden gedaan, te laten ter beschikking van de burgemeesters.

Bakkerijen

In 1751 koopt Jacobus Jaspers de broodbakkerij aan de Voorstad. Hij krijgt vergunning om daar de bakkersnering te doen. Matthijs Murre krijgt in 1753 vergunning om in het door hem gekochte huis aan de Turfkade nummer 9 een oven te plaatsen tot het uitoefenen van zijn stijl van koekebakker.
Christoffel de Jongh krijgt in 1753 vergunning om in de achterkeuken van zijn gekochte huis 'Ryssel' aan de Oprel van de Grote Markt nummer 13 een oventje te zetten voor het uitoefenen van zijn stijl als suikerbakker.

In juni 1758 laten de zoete koekverkopers van zich horen. Christiaan van de Linde, Abraham Murre en enige andere burgers betogen dat ze vele jaren, tot onderhoud van hun huishouden, zowel op kermissen, aan hun huizen en op de markt zowel in Goes als elders, zoete koek hebben uitgeveild en verkocht. De dekenen van het bakkersgilde hebben hen nu verboden zoete koek aan hun huizen of elders binnen de stad te verkopen. Dit is tot groot nadeel van hen en ze zijn daardoor niet meer in staat om in deze dure tijd hun huishoudens naar behoren te onderhouden. Tevens zal dit tot nadeel zijn van de bakkers van zoete koek en de pachter van het gemaal. Ze verzoeken hen toe te staan om aan hun huizen en op de markten op dinsdagen zoete koek te verkopen, mits deze zoete koeken gebakken zijn door de meesters bakkers van zoete koek binnen de stad.
Het stadsbestuur overweegt dat het verkopen van zoete koek op de dinsdagse markt gedurende vele jaren zonder enige restrictie is uitgeoefend en dat de zoete koekverkopers daarbij geen enkel nadeel, maar juist aanmerkelijk voordeel hebben genoten, vooral wanneer deze zoete koek in de stad wordt gebakken. Besloten wordt de zoete koekverkopers toe te staan om op dinsdagen en feestdagen op de markt, op de kaai of in de poorten zoete koek te verkopen, mits dat die zoete koek binnen de stad is gebakken en bij een vrijmeester zoete koekbakker in de stad is gekocht. Verder wordt de zoete koekverkopers verboden om zoete koek aan hun huizen te verkopen.
Tegelijk wordt aan de schoolmatressen toegestaan om, zoals het altijd in gebruik is geweest, zogenaamde spekjes en peperbollen aan hun schoolkinderen te verkopen, mits deze in de stad zijn gebakken.

Hoedenmakers

Er vestigen zich in deze jaren minstens vier hoedenmakers in de stad.
In 1751 sticht de hoedenmaker Nicolaas Blom een hoedenmakerij in zijn huis aan de Lange Kerkstraat nummer 50. Hiervoor mag hij een formuis laten zetten om zijn ambacht uit te oefenen.
Michiel Heynen koopt in 1752 van Jan Antheunis de Jonge diens huis 'de Belle' aan de Lange Kerkstraat nummer 17 met de bedoeling om

zijn hoedenmakerij daar naar te verplaatsen. Hij krijgt vergunning om in dat huis een fornuis voor zijn hoedenmakerij te zetten.
Ook de hoedenmaker Jan van Leeuwen deelt in 1756 mee dat hij graag het ambacht van hoedenmaker zou uitoefenen in het huis 'de Bijenkorf', staande aan het zuideinde van de Lange Vorststraat (nummer 69). Hij krijgt vergunning om in dit huis te laten metselen een fornuis om zijn stijl als hoedenmaker daar uit te oefenen.

Eveneens krijgt de hoedenmaker Jacobus Hagen in 1759 vergunning voor het zetten van een fornuis of werkoven in het pakhuisje in de Korte Vorst, tegenover de woning en naast het pakhuis van Nicolaas Vermaas, om dit te gebruiken voor zijn stijl en handwerk als hoedenmaker.

Kaarsenmakers

De schildersbaas Matthijs Leene mag in 1751 een kaarsenmakerij oprichten achter zijn huis 'de Oude Backerij'  in de Lange Vorststraat nummer 26. Ook Gillis de Boodt krijgt in 1754 toestemming om in zijn huisje op de Molendijk een fornuis te zetten voor het uitoefenen van zijn stijl als kaarsenmaker.

Tabaknering

In 1751 koopt Adriaan Koppejan het huis bij de Ganzepoort van de weduwe van Cornelis Leys, waarin de kroeghoudersnering lange jaren is gedaan. Hij krijgt vergunning om in dit huis deze nering voort te zetten, maar ook om in het daar naast staande pakhuis een vuurplaat voor het drogen van tabak aan te leggen.

Enige tabakverkopers binnen de stad verzoeken in 1754 te bepalen dat al degenen die tabak verkopen 'generlei soort van gekorven tabak aan daarin neringdoende luiden en kopers van hunnentwege minder dan zeven stuivers en aan alle andere beneden de acht stuivers het pond Goesse wigt, direct noch indirect, zullen mogen verkopen'. Het stadsbestuur wijst dit verzoek echter af.

Adriaan Coutsijn krijgt in 1751 toestemming voor het plaatsen van een droogast voor zijn tabaknering in het door hem gekochte huis in de Sint Jacobstraat nummer 44. In 1755 verzoekt Coutsijn om de tabaksfabricage met een rosmolen en een slijpsteen als ook de snuiftrafiek te mogen uitoefenen in zijn huisje of stalling tegen de stadswal op het einde van de Korte Nieuwstraat. Hij krijgt hiervoor vergunning. Maar in 1756 vragen Adriaan Coutsijn en z'n zoon Jan vergunning voor het uitoefenen van de tabak- en snuiftrafiek in het huis van Maarten Antonisse in de Voorstad en op het erf achter dat huis op te richten een daarvoor benodige rosmolen en slijpsteen. Het stadsbestuur besluit echter het verzoek op die plaats te weigeren.
In 1757 geeft Jan Coutsijn te kennen dat hij graag de tabaknering van zijn vader op dezelfde wijze zou willen voortzetten, dus met een rosmolen en slijpsteen. Met dat oogmerk heeft hij een huis gekocht in de Ganzepoortstraat nummer 21, met het erf strekkende tegen de stadswal, waarin voorheen de tabaknering is gedaan. Hij vertrouwt er op zonder iemands overlast met de rosmolen en slijpsteen op het erf de tabaktrafiek te kunnen uitoefenen. Hij krijgt vergunning om op het erf van zijn huis een rosmolen en slijpsteen voor het uitoefenen van de tabaktrafiek en, als hij dat geraden vindt, ook de snuiftrafiek uit te oefenen.

In 1756 krijgt Jacobus Lodewijk Geleedst vergunning om in de achterkeuken van zijn huis een as voor het uitoefenen van de tabaknegotie te zetten.
Maar ook de boekverkoper in de Lange Kerkstraat nummer 22, Francois Oversluijs, wil zich in 1757 met de tabaknering gaan bezig houden. Hij geeft te kennen dat hij niet langer met de negotie van de boekhandel zijn huisgezin kan onderhouden. Het komt hem voor dat het beste middel om daarin te voorzien is het verkopen van tabak, brandewijn en andere gedestilleerde wateren. Hij krijgt vergunning voor het verkopen van brandewijn en gedestilleerde wateren, maar ook om een plaats voor het drogen van tabak in te richten.

Smederijen

Lodewijk Tijke krijgt in 1752 vergunning om in het door hem gehuurde huis 'de Clock' van de erfgenamen van Elisabeth de Coning aan de Lange Kerkstraat nummer 47 een smidsoventje voor het uitoefenen van zijn ambacht van messenmaker te plaatsen. Ook in 1754 vestigt zich nog een messenmaker in de stad. Het is David Berthoud in zijn gehuurde huis aan de Lange Vorststraat. Hij krijgt toestemming om een smidse voor het uitoefenen van zijn stijl als messenmaker te plaatsen. Maar eerst moet hij tot genoegen van het smedengilde de proeve doen overeenkomstig de ordonnantie en het inkomstgeld van £ 9 voldoen.
In oktober 1757 laat Berthoud opnieuw van zich horen. Hij krijgt vergunning om in het huis aan de Lange Kerkstraat nummer 15 een smidse in te richten voor het uitoefenen van zijn stijl van messenmaker.

De goudsmid Adriaan Does mag in oktober 1758 in het huis van Jacobus Dijkwel, staande aan de Oprel van de Grote Markt, laten maken een formuis voor het uitoefenen van zijn stijl als goudsmid. Het betreft hier het huis Opril Grote Markt nummer 6.

In maart 1759 vestigen de slotenmaker Roelof van Houtum en zijn zoon Matthaus zich in de stad. Ze krijgen vergunning om in het huis 'het Gezaagde Wagenschot' aan de Vlasmarkt nummer 14 een oven of smidse voor het uitoefenen van hun stijl als smid en slootmaker te laten maken.

Zeilmakerijen

Christiaan Roepel, de zeilmakerbaas, deelt het stadsbestuur in 1753 mee dat het hem verleende octrooi voor de zeilmakerij ten einde loopt. Het is maar een sobere kostwinning, temeer omdat de vaart van de hoekerschepen van de stad zeer verminderd is. Hij verzoekt het octrooi hem voor zijn leven lang te vernieuwen. Het stadsbestuur besluit hem voor veertien jaar weer octrooi te verlenen.

Na het overlijden van de zeilmakerbaas Christiaan Roepel betoogt zijn weduwe Wendel van Schakerloo, dat haar man bij resolutie van het stadsbestuur van 11 oktober 1738 reeds octrooi heeft ontvangen om de zeilmakerij binnen de stad uit te oefenen met uitsluiting van alle anderen. Zij zou graag de zeilmakerij voor haar kostwinning aanhouden en haar winkel laten bedrijven door een geschikte knecht die dat ambacht terdege verstaat en waarvan zij intussen ook al is voorzien. Ze krijgt toestemming om de zeilmakerij binnen de stad voort te zetten.

Andere bedrijvigheid

In 1751 krijgt Marinus Hoekman vergunning 'voor het bouwen van een schuur van 60 voet lang en 24 voet breed aan de trap voor 's lands schuur buiten de Oostpoort of achter het pakhuis van de geïnteresseerden in de hoekers aldaar'. Hij is voornemens om daarin een zagerij van wagenmakerhout op te richten.

Marc Conrad Martin vestigt zich in 1754 in de stad als horlogemaker. Wel moet hij eerst tot genoegen van het smedengilde de proeve afleggen en het inkomstgeld betalen. Ook Jan Mondon uit Genève krijgt in september 1759 toestemming om zijn proeve voor het gilde te doen als horlogemaker. Bij een goed resultaat zal hij toegelaten worden om dit ambacht uit te oefenen.

De wagenmakerbaas Jacob Leijs mag in 1755 op het plein buiten de Ganzepoort, naast de schuur of wagenmakerwinkel van Samuël Vertregt, een soortgelijke schuur of wagenmakerwinkel laten optimmeren om daar de wagenmakerij uit te oefenen. Wagenmaker Vertregt krijgt het verzoek zijn houtwaren van die plaats te verwijderen en te verplaatsen. Wagenmaker Leys stelt het stadsbestuur voor om Vertregt te verbieden in zijn schuur enig wagenmakerwerk te doen, maar dat wordt afgeslagen.

Vanaf 1757 krijgen tal van inwoners, 115 in totaal, vergunning voor de verkoop van koffy, thee en chocolade. Toestemming krijgen Cornelis Spelle, Gerrit Barends, Johannis Polderman, Dirk van Steken, Jan de Wijs, Christoffel de Jongh, Jacobus Blok, de weduwe van Cornelis Swaan, Augustijn Simonse, Abraham Verschaar, Jan van Halle, Pieter Bosdijk, Maria Domburg, Janna de Puijt, Leendert Swartenbroek, Geertruid Sara van Cromvlied, de weduwe van Daniël Duijnkerke, Crijna van den Berge, Jacobus Kodde, Johannis Mispelblomme, Pieter Lonaard, Thomas La Fort, de weduwe van Cornelis Westhoek, de weduwe van Willem Musse, Jan Beijt, Anna Cornelia van Welsaten, Pieter van Strien, Jacobus Muijs, de weduwe van Adriaan Weije, Adriaan Tavenier, de weduwe van Francois Walraven, Jacobus Lodewijk Geleeds, Adam van Rijk, de weduwe van Marinus Mus, Gillis Ulrici de Brun, Huibregt Bus, Gillis Liesveld, Isac Proost, Jan Voorhans, Engel Pieterse, Anthony Kosten, Gommert Klap, Jan Dirkse van Swol, Jacobus Hoogenhoed, de weduwe van Jan van der Weijde, de weduwe van Adriaan de Keijser, Johanna Hendrina en Anna Godina Deijts, Johannes van 't Hoff, Adolph Eckhart, Anthony van de Putte, Willem Lagaij, David Vervenne, Frederik Hooglander, Jacob Hoondert, Johanna Gijsel, Gerard Jorisse, de weduwe van Pieter de Wind, Jacobus Breekpot, Thomas Haaij, Jacobmina de Wijs, Pieter van Kleijnenbreugel, Gabriël d'Erto, Petrus de la Haye, Johannes van de Steene, Anthony de Faak, Jacobus Reijnhout, de weduwe van Abraham Groenendijk, de weduwe van Cornelis Snoek, Elisabeth van Damme, Johanna Rijkaard, de weduwe van Pieter Trimpe, Martha Soute, de weduwe van Thomas Briels, Jan de Voet, Claas Vervenne, Francois Oversluijs, de weduwe van Adriaan van Rien, Benjamin den Boer, Johannis Haak, Anthony den Boer, Adriaan Vermaas, Thomas Swart, Adriaan Jasperse, Cornelia van Cogelenberg, Joos Vervenne, Maria de Jager, Joos Willaard, Johan van Beijsselaar, Christiaan van der Linde, Johanna Cribbe, Cornelis Briels, de weduwe van Marinus Fransse, Jan Catsman, de weduwe van Adriaan van der Veen, de weduwe van Adriaan van Zevenhoven, Daniël Janse, Everwijn Mispelblom, Gerbrand Janse Kodde, Gillis de Bood, Philip Vervenne, Simon Blom, Francois Sandijk, de weduwe van Jan Lurcus, Jan Amijs, Arij Sweep, Marinus de Smit, Johan Lodewijk Liewer, Jacoba de Jonge, Cornelis Hollestelle, de weduwe van Jan Michielse, Johannes Wauwelaar, Cornelis Huijser en Laurus Boeren.