Aanvulling? Meld het hier.
<<

Gilden (1751 - 1759)

Algemeen

In oktober 1751 dienen verscheidene burgers, vallende onder de gezamenlijke proefdoende gilden, een rekwest in bij het stadsbestuur. Ze verzoeken toestemming voor het oprichten van een fonds of beurs tot alimentatie van hun weduwen en wezen, die ze na hun overlijden na zullen laten. Bij het rekwest is een uitvoerige overeenkomst gevoegd, ‘zowel tot verplichting van ieder der supplianten tot dat einde als van alle andere, die in het vervolg daar ook inclinerende mochten worden toegelaten'.
In het notulenboek is het negentien artikelen tellende ‘Reglement volgens welke Poincten ende Articulen is gecontracteerd bij de ondergeschrevene, alle burgers der Stad Goes, sorterende onder de gesamentlijke gildens, tot vaststellinge en Ligtinge van een fonds ofte Beurse ter alimentatie van der contractanten na te latene weduwen en weesen, aanvang nemende den 1 Januari 1752’.
Artikel 1 luidt: ‘In deze sociëteyt worden gepermitteerd aller Gildens Baesen, mits die ersoonen van de protestantse religie sijn en door de solemniteyten bij yder van sijn gilde, waaronder hij sorteert, in gebruyk sijnde, vrij geworden is, hare neringe of ambagt vrij en opentlijk exercerende sonder ymand anders hoe ook genaemd tot dese Beurse acces te geven’.

Artikel 2 bepaalt dat tot het fonds of de beurs van de sociëteit ieder contracterend lid zal moeten fourneren bij het tekenen van deze artikelen een som van £ 4.3.4. Artikel 3 regelt dat iedere contractant jaarlijks tot onderstand van de beurs moet fourneren een som van £ 3. Artikel 4 schrijft voor dat degenen die tot de sociëteit toetreden gezond van lichaam moeten zijn en niet boven de 50 jaar.
Het Reglement is ondertekend door Boudewijn Kramer, Mahieu Rijckaerts, Pieter Pieterse, Wilhelmus van Uye, Francois Wijtiers, Francois de Windt, Frederik Kest, Hendrik Zegers, Johannis van ’t Hof en Boudewijn Landschot.

Ter gelegenheid van de installatie van de nieuwe dekenen van de gilden in januari 1756 besluit het stadsbestuur tegelijk overdekens aan te stellen tot wie de dekenen van de gilden zich in het vervolg bij klachten moeten wenden. De volgende overdekens worden aangesteld:

  • van het bakkers- en vleeshouwersgilde burgemeester mr. Pieter Parker;
  • van het cramersgilde burgemeester Cornelis Ossewaarde;
  • van het chirurgijnsgilde oud-burgemeester Marinus Canisius;
  • van het timmerluidengilde Pieter Ossewaarde;
  • van het smedengilde Johan Isebree;
  • van het schoenmakersgilde mr. Adolf Westerwijk;
  • van het kleermakersgilde mr. Francois Nicolaas Keetlaar;
  • van het schippersgilde mr. Willem van der Bilt;
  • van het arbeidersgilde Johan van Thiel;
  • van het bierdragersgilde Francois de Keijser junior.

Arbeiders-, zakdragers- en bierdragersgilde

Het blijkt in januari 1751 dat, sinds de commercie tussen Middelburg en Goes is belemmerd, wekelijks door de Arnemuidse schipper Marinus Schroevers met z’n vaartuig een grote hoeveelheid goederen van Middelburg naar ’s-Heer Arendskerke wordt etransporteerd. Hij brengt de goederen daarna met z’n wagen in de stad en bestelt deze aan een ieder aan wie deze geadresseerd zijn. Dit is niet alleen in strijd met de bedoeling van het stadsbestuur maar ook tot groot nadeel van het schippers- en arbeidersgilde. Het stadsbestuur besluit Schroevers uit Arnemuiden te verbieden enigerlei goederen, die vanuit Middelburg naar ’s-Heer Arendskerke komen, mee te nemen, hetzij met zijn eigen of een andere wagen of op wat wijze het ook zou mogen zijn en hier in de stad te brengen, veel min die in de stad te bestellen, dit op verbeurte van zijn wagen en paarden.

Eind 1751 ontslaat het stadsbestuur een aantal bierdragers omdat ze zich niet goed van hun taak hebben gekweten. Er worden tien nieuwe bierdragers aangesteld.
Ook in het arbeidersgilde, het zogenaamde Sint Jansgilde, wordt een groot aantal nieuwe arbeiders toegelaten. In 1753 treden 23 personen tot het gilde toe.
In 1757 constateert het stadsbestuur dat het aantal arbeiders in het Sint Jansgilde aanmerkelijk is verminderd. Hierdoor kunnen de brandspuiten niet behoorlijk worden bediend. Besloten wordt 21 nieuwe arbeiders in het gilde aan te stellen.

In 1753 geven de dekenen van het bierdragersgilde te kennen dat er sinds enige tijd vele misbruiken tegen de ordonnantie op het gilde zijn ingeslopen. Dit is tot nadeel van de gildebroeders. Gewezen wordt op het brengen van bier in sommige kroegen door de brouwersknechts, het laden van de brouwerswagens met bier ‘die te lande moeten’, het laat verwerken van bieren voor de burgerij in de winter, vooral op zaterdagen. Ze verzoeken tot wering van deze misbruiken de ordonnantie op de volgende punten aan te passen:

  • voortaan zullen geen bieren door de brouwersknechts meer mogen worden verwerkt of op de brouwerswagens opgeladen om te lande gevoerd te worden; dit zal alleen door de bierdragers van het gilde mogen geschieden;
  • de gildebroeders van het gilde zal worden verboden wijn of bier te verwerken na en voor de uren daarbij opgegeven;
  • van het verwerken van brouwersvaatwerk zal zoveel worden genoten als van het burgervaatwerk.

Het stadsbestuur wijst dit verzoek af.

In 1759 worden er extra-ordinaire arbeiders tot het Sint Jansgilde toegelaten. In verband met ‘den armoedigen en noodlijdenden staat’ van Pieter Leeuwenburg en Klaas van Hontenisse besluit het stadsbestuur hen aan te stellen boven de sterkte van het gilde.

Schoenmakers- en zadelmakersgilde

Het stadsbestuur van Gorcum vraagt in 1751 of de Gorcumse schoenmakers weer, zoals vanouds, met hun schoenmakerswerk op de Goese jaarmarkt mogen staan. Het stadsbestuur blijft echter bij het verbod van vorig jaar dat geen schoenmakers van buiten de provincie op de jaarmarkt mogen staan.

In 1759 verzoeken de dekens van het schoen- en gareelmakersgilde en de leerbereiders en leerverkopers het stadsbestuur vast te leggen dat niemand binnen de stad of jurisdictie enige natte of ongeprepareerde huiden, zowel van de landlieden als anders, mogen kopen, tenzij ze zich in hun gilde hebben vrijgemaakt met dezelfde som geld als de proefdoende bazen en ze  jaarlijks zullen betalen tien schellingen. Het stadsbestuur besluit dat al diegenen die, buiten het gilde, zich generen met huiden te kopen verplicht zullen zijn jaarlijks aan het gilde te betalen acht schellingen en acht grooten. Het andere verzoek wordt geweigerd.

De dekens van het schoenmakers- en leerbereidersgilde dienen in 1759 nòg een verzoek in. Ze vragen het privilege om binnen de stad en jurisdictie alleen bloken te mogen leveren. Ze willen dit doen voor dezelfde prijs als in Holland. Het stadsbestuur raadpleegt hierover het timmerlieden- en stoeldraaiersgilde.
De dekens van dat gilde verklaren dat ingevolge de vergunning van 27 december 1683 alle verkopers van houten bloken en stijlen jaarlijks aan het timmerliedengilde moeten voldoen twee schellingen Vlaams. Indien de schoenmakers zich dus, zoals ze al doen, willen generen met het verkopen van bloken, zijn ze verplicht aan het timmerliedengilde jaarlijks te voldoen twee schellingen Vlaams.  
Het stadsbestuur besluit de dekens van het schoen- en gareelmakersgilde toe te staan deze stad en jurisdictie alleen van bloken te voorzien en te verbieden dat iemand in de stad enige bloken in zal brengen. Dit op voorwaarde dat die van het schoen- en gareelmakersgilde,  die bloken zullen maken en verkopen, aan het timmerluiden- en smedengilde zullen betalen twee schellingen per jaar en dat ze verplicht zijn hun gemaakte bloken aan de winkels te leveren voor dezelfde prijs en niet hoger als deze die van elders kunnen bekomen, tevens aan particulieren voor die prijs als zij de bloken in de gewone winkels kunnen kopen.

Schippersgilde

De dekenen van het schippersgilde geven in 1757 te kennen dat hun voorgangers, zowel voor de nodige reparatie van het schippershuis als anderszins, waren genoodzaakt ten laste van het gilde een geldlening aan te gaan van 1100 Carolus guldens tegen 4% rente. Deze rente, gevoegd bij hetgeen het gilde aan het onderhoud van de ramen van de Grote of Maria Magdalenakerk moet bijdragen, de 200e penning belasting, de reparaties aan het schippershuis en andere onkosten, maakt het onmogelijk dit uit de contributies van de gildebroeders te dekken. Hun gilde wordt jaarlijks met een nadelig saldo van de rekening belast. Ze voelen zich verplicht deze desolate toestand onder de aandacht van het stadsbestuur te brengen en verzoeken om maatregelen.

Het stadsbestuur besluit om het gilde in haar verlegenheid te helpen en hen enigszins, zonder de negotie daarmee te benadelen, in staat te stellen om hun jaarlijkse lasten te voldoen. Het gilde krijgt toestemming om van de Friese schippers (zogenaamde appelkagen), van binnen de stad wonende onvrije schippers en van alle andere vreemde schippers, enige gepermitteerde goederen zo voor zichzelf als voor anderen, binnen de stad komende, in te nemen. Voor hun gilde mogen ze hiervan telkens voor hun gilde te mogen afvorderen een schelling Vlaams extra.

Bakkersgilde

Het bakkersgilde geeft het stadsbestuur in 1751 te kennen dat de molenaar van de windkorenmolen zijn eigen tarwe heeft gemalen en het daarvan afkomende meel ‘voor mouwermeel benevens zijn ordinaire mouwermeel heeft verkocht’. Het gilde wijst er op dat dit tot groot nadeel is van de broodbakkers. Het is ook in strijd met de Ordonnantie op het bakkersgilde. Het stadsbestuur besluit de boete in de ordonnantie tegen het breken van eigen tarwe en het verkopen van het daarvan gekomen meel door de molenaar te verhogen tot £ 8.6.8, de ene helft ten gunste van het bakkersgilde en de andere helft ten gunste van het arm- en weeshuis.

In 1759 betoogt het bakkersgilde dat door de geringe inkomsten die het gilde sinds vele jaren gehad heeft, het buiten staat is om de gereedschappen van het gilde naar behoren te onderhouden. De vaste revenuen bestaan slechts in elf gulden en zeventien stuivers. Ze verzoeken  toestemming om de inkomstgelden te verhogen en de jaarpenningen, die volgens de ordonnantie op het gilde twintig grooten bedragen, te stellen op dertig grooten Vlaams. Dit zal voor iedere gildebroeder maar een geringe belasting zijn. Het stadsbestuur gaat hiermee akkoord.

Timmerliedengilde

De dekenen van het timmerliedengilde betogen in 1753 dat de zes timmermansbazen in de stad dikwijls bij kwesties van erfscheiding worden geroepen. Daarvoor ontvangen ze slechts acht  schellingen en acht grooten. Ze krijgen toestemming hiervoor voortaan één pond Vlaams te vragen.

In juni 1754 wendt het timmerluidengilde zich opnieuw tot het stadsbestuur maar dan voor een ernstiger zaak. De dekenen van het gilde klagen over het groot verval van de middelen van hun bestaan. De belangrijkste oorzaak daarvan is de grote invoer van allerlei gezaagd hout binnen de stad door Jacobus van Oostzanen, de eigenaar van de zaagmolen. Dit gebeurt voor een zodanige hoeveelheid dat Van Oostzanen in één jaar wel twee derde meer gezaagd hout van buiten de stad ontvangt dan alle timmerlieden binnen de stad bij elkaar. Daardoor maakt hij zich sterk om aan alle leveranties zowel kleine als grote te kunnen voldoen, zowel aan alle particulieren binnen de stad als op het platteland. Daardoor heeft hij de gehele houtnegotie naar zich toe weten te trekken. Het debiet dat de timmerluiden voorheen in het verkopen van gezaagd hout plachten te hebben en dat altijd hun beste middel van bestaan was, heeft Van Oostzanen bijna volledig te niet gedaan. Het kan toch niet de bedoeling van het stadsbestuur zijn geweest om tot handhaving van een enige fabriek (de houtzaagmolen) een geheel gilde te gronde te laten gaan? Ze verzoeken Van Oostzanen te verbieden om enig ander gezaagd hout te verkopen of af te leveren dan alleen dat binnen de stad met zijn eigen houtzaagmolen is gezaagd. Het stadsbestuur besluit echter de klachten ongefundeerd te verklaren.

Smedengilde

Het gecombineerde smedengilde geeft het stadsbestuur in 1752 met groot leedwezen kennis van het verval dat zich gedurende enige jaren in hun gilde voor doet. Dit is veroorzaakt door verscheidene misbruiken en onbehoorlijkheden, door sommige gildebroeders als bij anderen van de burgerij in de loop van de tijd ingeslopen. Op hun verzoek stelt het stadsbestuur een commissie in om de ordonnantie op het gilde na te zien tot voorkoming van verder verval van het gilde.

Kleermakersgilde

De dekenen van het kleermakersgilde betogen in 1754 dat volgens een oud gebruik alle leerlingen, zowel jongens als meiden, die het mans- of vrouwe kleermaken op de winkels in deze stad beginnen te leren, elk daarvoor tot profijt van het gilde moeten betalen twee schellingen en dat zij dan als leerlingen in dit gilde worden aangetekend. Hiervan is echter nog geen deugdelijke ordonnantie. Het kost nu soms grote moeite het inschrijfgeld van de leerjongens in te vorderen. Ook de wollenaaisters zijn boven hun inkomstgeld nog gehouden twee schellingen per jaar te betalen. Velen zijn echter onwillig dit jaargeld te voldoen. En zo zijn er nog meer misstanden die om een goede regeling vragen.
Het stadsbestuur is hier gevoelig voor en besluit dat:

  • voortaan alle leerlingen die het mans- of vrouwe kleermaken binnen de stad op de winkels daarvan beginnen te leren, zichzelf als zodanige leerlingen in het kleermakersgilde zullen moeten laten aantekenen in het gildeboek door de dekenen of de boekhouder van het gilde en wel binnen zes weken, dit tegen betaling van drie schellingen en vier grooten;
  • alle wollenaaisters die in het kleermakersgilde zijn, verplicht zijn om hetzij dan voor loon naaien of niet het voorseide jaargeld ten profijte als voren telkenjare ieder te betalen, ten ware deselve tevreden mochten zijn van hun gilderecht in deze geheel en al af te zien en daartoe zich uit het gilde lieten royeren;
  • alle proefmeesters die vrijbaas in het kleermakersgilde willen worden hun daartoe te doene proeve zullen moeten tekenen, snijden en aanstonds opmaken ten huize van een van de dekenen van het gilde;
  • de dekenen die het kleermakersgilde alhier bedienen gekwalificeerd worden om bij het bekomen van enige ordonnanties door het stadsbestuur omtrent het gilde nog te statueren de verdere bazen in dat gilde bij de andere te convoceren om de ordonnanties aan haar bekend te maken.

In 1756 brengen de overdeken en dekenen van het kleermakersgilde enkele problematische zaken onder de aandacht van het stadsbestuur. Naar aanleiding daarvan bepaalt het stadsbestuur dat:

  • van nu voortaan en in het vervolg geen van de kleermakersknechts die in het gilde vrijbaas of baas willen worden, daartoe zal worden  toegelaten zonder vooraf bij een vrijbaas binnen de stad de tijd van twee volle jaren als knecht gewerkt en het ambacht geleerd te hebben;
  • de boete van 25 gulden, bij resolutie van 13 april 1693 en 22 maart 1749 betreffende het maken en repareren van kleding door soldaten, in het vervolg zal worden verdeeld voor  1/3 gedeelte aan de aanbrenger en 2/3 gedeelte aan het gilde;
  • een ieder zonder onderscheid die personen in het gilde, niet vrij zijnde en het gilderecht niet voldaan hebbende, gebruikt en tewerkstelt om voor zich te laten naaien of enige klederen te laten maken of te repareren, zowel zal vervallen in een boete van 25 Carolus guldens en daardoor aansprakelijk zijn als de genoemde onvrije persoon;
  • in gelegenheden waarin klachten voorkomen over het onbehoorlijk maken of repareren van enige klederen of dergelijke, mitsgaders over enige rekeningen van arbeidsloon en verschot door enige bazen gepresenteerd en deswegens hetzij decisie hetzij tauxatie van de dekens werd verzocht, ieder der partijen gehouden zal zijn, alvorens dat daartoe getreden wordt, in handen van de boekhouders van het gilde te consigneren een Zeeuwse rijksdaalder om naar gedane decisie of tauxatie een derselve wederom te restitueren aan degenen dewelke zijn sustenie zal worden gefundeerd bevonden;
  • het verkopen van staatsens voor de boeren sedert enige tijd genoegzaam bij alle winkeliers zonder onderscheid gepraktiseerd wordende en het maken van zodanige staatsens het werk van kleermakers zijnde, vele van die winkeliers daar toe zelf kleermakers in het land tot nog merkelijk nadeel van het gilde gebruiken, vervolgens alle en een iegelijk in het gilde niet vrij zijnde, zich na deze van het verkopen van zodanige staatsens zal hebben  te onthouden, wordende dit hun wel nadrukkelijk verboden.

Vleeshouwersgilde

In 1753 is er een geschil tussen de vleeshouwers Levinus Jason en Paulus Kribbe over een leerjongen die binnen de twee jaar van slager Jason naar slager Kribbe overgaat. Het stadsbestuur besluit de vleeshouwer Kribbe te gelasten de leerjongen aanstonds uit zijn dienst te ontslaan en te laten gaan. Deze gelegenheid is aanleiding om te bepalen dat voortaan geen baas, die in het gilde enige leerjongen of knecht heeft, die zal mogen aanvaarden, zonder bij de vorige baas eerst vernomen te hebben dat deze leerjongen of knecht zijn tijd bij hem heeft uitgediend.

In 1756 beklaagt Hendrik Roseniet, de pachter van het slachtgeld vanwege de stedelijke impost, zich er over dat door varkenshouders verscheidene varkens van buiten het eiland binnen de stad worden ingebracht en verkocht.
De dekenen van het vleeshouwersgilde wijzen er op dat bij resolutie van 28 februari 1756 tegen dergelijke handelingen van de varkenshouwers voldoende is voorzien. Roseniet ontvangt een extract van deze resolutie om zich daar naar te reguleren.

De dekenen van het vleeshouwersgilde dienen in 1757 een verzoek in over het slachten van varkens. Ze betogen dat het slachten van varkens, het zogenaamde ‘verkeslaan’, maar door een ieder die dit maar goedvindt wordt gedaan, in het bijzonder door zodanige slachters die dit nooit hebben geleerd en hun spek en worst voor het uitventen beneden behoorlijke prijs dagelijks  door de stad laten uitroepen. Daardoor komen ze de meeste nering daarin naar zich toe te trekken tot groot nadeel van anderen die zich met het slachten van varkens ook generen. Deze kunnen tegen deze baatzoekende slachters geen varkensvlees verkopen zonder schade. Dit soort inbreuken zijn al verscheidene jaren ingeslopen en nemen van tijd tot tijd zo zeer de overhand dat het gilde daardoor aanmerkelijk komt te lijden en hoe langer hoe meer benadeeld wordt.
Ze verzoeken het ‘verkeslaan’ als een stijl te brengen onder het gilde. Het gilde zou begunstigd moeten worden met een ordonnantie dat voortaan niemand als baas enig varken binnen de stad zal mogen slachten zonder tevoren een behoorlijke proef te hebben gedaan.
Het stadsbestuur besluit het slachten van varkens onder het vleeshouwersgilde te brengen en hiervoor een ordonnantie vast te stellen.

Landluiden- of Sint Michielsgilde

In augustus 1759 blijkt dat de overleden burgemeester Cornelis Ossewaarde deken en boekhouder was van een zeker gilde of confrèrie, waarvan de oorsprong en het oogmerk onbekend is. Dit gilde heet het landluiden- of Sint Michielsgilde. Er zijn bijna geen leden meer van over. Het voordeel van de goederen strekte alleen om af en toe onder de gildebroeders ‘een vriendelijke bijeenkomst te  houden’. Maar ook dit is al sinds verscheidene jaren niet meer gebeurd. Vanwege de zware onkosten voor de stad vanwege het uitbaggeren en uitdiepen van de stadsvesten besluit het stadsbestuur de landerijen van het gilde aan de stadsgoederen toe te voegen. Ook zullen enige ornamenten worden geveild, bestaande uit een zilveren ploeg, een zilveren eg, een zilveren halve maat en een zilveren hele maat.