Aanvulling? Meld het hier.
<<

Onderwijs (1751 - 1759)

Stadsscholen

Van de stadsscholen is deze jaren weinig nieuws te vermelden. In september 1758 wordt Gerbrand Sandijk uit Heinkenszand aangesteld tot schoolmeester van een van beide scholen.

Particuliere schooltjes

In 1751 dient Maria Slabber, de vrouw van de vroegere schoolmeester Pieter du Flo, het volgende verzoek in bij het stadsbestuur. Haar man is nu al twaalf jaar in een verbeterhuis te Dordrecht opgenomen. Ze heeft daardoor zware lasten en is zodanig achteruit gegaan dat ze zelf ver over de honderd ponden Vlaams boven haar voorheen ontvangen tractement betaald heeft. Ze heeft nog een jaar alimentatie voor haar man te betalen. Hierover is ze al aangemaand door de vader van het verbeterhuis. Nu al weer tien maanden heeft ze niet kunnen betalen en heeft daarover van het verbeterhuis scherpe brieven gekregen waarin tot betaling wordt aangemaand. Ze heeft zich wel gewend tot de weeshuis-armkamer en de diaconie, maar deze willen eerst toestemming hebben van het stadsbestuur. Het stadsbestuur besluit er bij de regenten van de armkamer en de diaconie op aan te dringen dat deze samen jaarlijks tot de alimentatie van haar ongelukkige man bijdragen. Tot bestrijding van de achterstallige alimentatie van de afgelopen 22 maanden krijgt ze toestemming aan de huizen van de inwoners van de stad om te gaan en liefdadigheid en milde handreiking te vragen.

In 1751 krijgt Maria Catharina Prins vergunning om de jonge jeugd te leren spellen, lezen en breien. Ook krijgt in 1752 Johanna Keymolen deze toestemming in de plaats van haar overleden moeder Geertruid Braam, evenals Adriana Bil echtgenote van Willebord Marinusse en Laurens Boeré en zijn huisvrouw. Boeree en z'n vrouw zijn thans binnenvader en -moeder van het gecombineerde arm- en weeshuis in de stad. Ze krijgen ontslag uit die functie en toestemming voor het houden van een lees- en schrijfschool.
In 1753 beginnen ook Maria de Klerk weduwe van Leendert du Mon, Johanna Boderij en Crina Coorn weduwe van Gerard Jason, een kinderschool om de jonge jeugd te leren spellen, lezen en breien. Ook krijgen hiervoor toestemming Elisabeth Ouwendijk weduwe van Anthony Noordhoeve in 1758 en Maria Maartense weduwe van Martinus Rogge in 1759.

De vrije schoolmeesters kunnen zich soms bepaalde vrijheden veroorloven. Zo verzoeken in februari 1755 de schoolmeesters Cornelis van der Weele en Laurus Boeré permissie van het stadsbestuur om hun scholen door andere en daartoe bekwame personen gedurende enige maanden te laten waarnemen. De reden hiervan is dat ze als landmeters voor de bedijking van de schorren van Bath en Rilland zullen worden ingezet. Hiermee wordt akkoord gegaan voor zolang de indijking duurt. En omdat beide schoolmeesters tevens proevers van de sterke dranken zijn, besluit het stadsbestuur verder dat door hun absentie geen nadeel aan 's lands gemene middelen mag worden toegebracht. Telkens bij het lossen van sterke dranken door een statendeurwaarder uit de fusten zal de gewone hoeveelheid drank worden genomen en onder hem bewaard. Dit totdat de proevers, die voornemens zijn elke zaterdag naar huis te komen, de op deze wijze afgetrokken dranken zullen hebben geproefd.

Franse school

De schoolmeester van de Franse school Etiënne de Puy wordt in 1752 door het stadsbestuur van Zierikzee beroepen tot Frans schoolmeester en voorzanger. Hij heeft besloten deze 'gratieuze aanbieding', in verband met de daaruit te verwachten voordelen, aan te nemen en verzoekt hem van zijn bediening als Frans schoolmeester te Goes te ontslaan. Hij betuigt zijn dankbaarheid voor de gunst die het stadsbestuur hem gedurende twaalf jaren heeft bewezen. Het stadsbestuur verleent hem eervol ontslag en vindt het van het grootste belang deze functie hoe eerder hoe beter met een bekwaam persoon te vervullen. In de couranten verschijnt een advertentie dat de Franse schoolmeesters-, voorzangers- en kostersplaats te Goes vacant is.
Dit leidt tot de benoeming in augustus 1752 van seigneur Jacques Antoine Bourdon, de zoon van de Franse kostschoolhouder te Vianen.

Latijnse school

In 1755 komen er twee plaatsen van curator van de Latijnse school vacant, namelijk door het overlijden van burgemeester mr. Adriaan Isebree en het vertrek van ds. Jacobus Hinloopen naar Utrecht. In deze plaatsen worden aangesteld mr. Willem van der Bilt en de predikant ds. Cornelius Zoutmaat. Mr. Francois Nicolaas Keetlaar volgt in 1756 de op zijn verzoek ontslagen curator mr. Cornelis Keetlaar op.